Conclusie
De zaak
Het middel
Bewezenverklaring en bewijsvoering
relaas van de verbalisanten:
relaas van de verbalisant:
Aanvulling van het vonnis waarvan beroep
Bespreking van het middel
NJ2008/26, m.nt. Mevis vaste rechtspraak dat een “wettelijk voorschrift” uitdrukkelijk moet inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het geven van een bevel of het doen van een vordering. Bepalingen met enkel een algemene taakomschrijving voor de politie, zoals (in dat arrest) art. 2 Politiewet Pro 1993 (oud; thans art. 3 Politiewet Pro 2012), kunnen niet worden aangemerkt als een wettelijk voorschrift op basis waarvan vorderingen of bevelen kunnen worden gegeven waaraan op straffe van overtreding van art. 184, eerste lid, Sr moet worden voldaan. Een APV-bepaling die alleen een verplichting inhoudt voor de burger om mee te werken aan een bevel van een opsporingsambtenaar, doch daarnaast geen uitdrukkelijke bevelsbevoegdheid voor deze ambtenaar inhoudt, voldoet volgens de Hoge Raad evenmin aan het vereiste van uitdrukkelijkheid. [3] In zijn arrest van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:199,
NJ2015/173, m.nt. Borgers overweegt de Hoge Raad voorts: “Indien de strafvervolging niet betrekking heeft op het misdrijf van art. 184 Sr Pro, zoals in gevallen van overtreding van in bepalingen van een APV neergelegde verplichtingen of geboden, is veelal niet vereist dat de vordering of het bevel door de politieambtenaar is gedaan of gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering of het geven van het bevel (vgl. HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3639). In die gevallen steunt de vervolging immers niet op handelen in strijd met art. 184 Sr Pro, maar op overtreding van een APV.”
NJ2015/173, m.nt. Borgers. In die zaak was overeenkomstig de tenlastelegging bewezenverklaard dat de verdachte – kort gezegd – opzettelijk niet had voldaan aan een bevel krachtens art. 160, eerste lid, WWV 1994. Het hof had onder aanhaling van art. 184 Sr Pro dit bewezenverklaarde feit gekwalificeerd als "opzettelijk niet voldoen aan een bevel of een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast”. Art. 160, eerste lid, WVW 1994 luidde destijds en luidt nog steeds: “Op de eerste vordering van de in artikel 159 bedoelde Pro personen [onder andere opsporingsambtenaren, EH] is de bestuurder van een motorrijtuig verplicht dat motorrijtuig te doen stilhouden […]”. In cassatie lag de vraag voor of sprake was van een krachtens art. 160, eerste lid, WVW 1994 gedane vordering, die had te gelden als krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of gedane vordering in de zin van art. 184, eerste lid, Sr. Het hof beantwoordde deze vraag bevestigend, maar de Hoge Raad zag dat anders: “Dat oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat art. 160, eerste lid, WVW 1994 verplichtingen bevat voor de bestuurder – waarvan niet-naleving in de WVW 1994 (art. 177, eerste lid onder a, in verbinding met art. 178, tweede lid) specifiek als overtreding is strafbaar gesteld – en niet uitdrukkelijk inhoudt dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van de vordering”. Hoewel mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie met argumenten het standpunt innam dat het middel faalde, kwam de Hoge Raad tot vernietiging van de bestreden uitspraak en hield hij aldus vast aan de strenge jurisprudentiële lijn die dienaangaande eerder door hem was ingezet.