17. Het tweede middel klaagt dat het hof de verwerping van het beroep op afwezigheid van alle schuld onvoldoende met redenen heeft omkleed.
18. Met betrekking tot de door de verdachte afgelegde verklaring bevat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 februari 2021 onder meer het volgende:
“De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende:
Op die bewuste dag ben ik met mijn dochter vanuit het revalidatiecentrum naar huis gereden. Ik werd onverwachts door een auto afgesneden. Ik reed door en bij de stoplichten stonden twee auto's voor mij en uit de voorste auto stapten mensen uit. Ik stapte ook uit. Een man rende naar mij toe en gaf mij een klap. Die man kon ik met gestrekte arm van mij afhouden. Een vrouw, die erg stevig was gebouwd, sprong op mijn rug. Daarna kon ik de man en vrouw met allebei mijn armen van mij afhouden. Vervolgens kwam een derde man rennend naar mij toe en schopte hij mij in mijn buik. Ik zei tegen mijn dochter dat zij de politie moest bellen. Plots was er een man achter mij, een agent in burger. De agent in burger pakte de telefoon van mijn dochter af, maar ik weet niet waarom. Toen de politie er was, zei de agent dat ik twee dingen kon doen: ik moest in mijn auto stappen en weggaan of ik kon aangifte doen. Ik zei toen dat ik aangifte wilde doen en zei 'hier zijn mijn handen'.
De verdachte maakt een beweging met zijn armen door deze met zijn polsen omhoog naar voren te houden. De verdachte verklaart verder:
Ik mocht dus kiezen en ik koos voor aangifte doen. Toen werd ik tegen mijn auto aangedrukt met mijn handen omhoog. Ik had heel veel pijn in mijn arm, dat riep ik ook. Een jonge agent heeft mij toen in mijn rug gestompt, waarna mij handboeien werden omgedaan. Vervolgens zag ik een agent om zich heen kijken en gaf hij mij daarna een klap op mijn oog. Ik werd in een politiebusje gestopt en naar het bureau gebracht.
Het klopt niet wat de mensen uit de andere auto hebben gezegd. Wat agent [verbalisant 1] zegt, klopt ook niet. Er werd mij een keuze aangeboden: in de auto stappen of aangifte doen. Er is nooit gevorderd dat ik weg moest gaan. Als hij tegen mij had gezegd dat ik in mijn auto moest stappen, weg moest gaan en later aangifte moest doen, had ik dat gedaan en had ik misschien gevraagd of ik iemand mocht bellen om ons op te halen of weg te brengen. Ik ben gebleven, omdat ik aangifte wilde doen.
De verdachte legt op vragen van de oudste rechter een verklaring af, inhoudende:
Het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg klopt niet. Ik las de eerste zin van het proces-verbaal en ik dacht dat ik niet goed werd. Het verhaal van mijn dochter op de zitting in eerste aanleg klopt voor 75% niet. Zij heeft het ook gelezen. Ik ben van mening dat een verslag de feiten precies moet beschrijven zoals die worden verteld. Als je een paar andere woorden opschrijft, krijg je meteen een andere interpretatie van het verhaal.
Door de politie is nooit tegen mij gezegd dat ik weg moest gaan, ook niet omdat het gevaarlijk was. Ik heb de verklaring van mijn dochter op de zitting in eerste aanleg gelezen. Ik lees nu dat er inderdaad staat geschreven dat zij zegt dat het klopt dat er toen is gesproken over de verkeersveiligheid en dat zij is gevorderd weg te gaan. Ik heb dat zelf nooit gehoord.”
19. Blijkens datzelfde proces-verbaal heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting onder meer het volgende naar voren gebracht:
“Mijn cliënt wil graag mensen helpen en kan niet goed tegen onrecht. Hij kan er niet mee leven dat hij door de politierechter is veroordeeld voor iets wat hij niet heeft gedaan. Daarom is hij in hoger beroep gegaan. In de ogen van de verdediging is een relatief simpele verkeersruzie door de politie uit de hand gelopen. Ik denk dat de politie redelijk in paniek was door de situatie. Er is immers acht dagen gewacht om alles te verbaliseren. Hierdoor blijft de verdediging het gevoel hebben dat bewust voor bepaalde woorden is gekozen om de situatie glad te strijken.
Dit dossier bevat voldoende wettig bewijs, want er is een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen. Mijn cliënt wil alleen dat uw hof zich afvraagt wat het meest waarschijnlijke scenario is geweest: heeft hij niet geluisterd omdat hij irritant was of omdat hij de vordering niet heeft gehoord? De verdediging meent dat het tenlastegelegde niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld. Hiervoor verwijs ik naar een arrest van Hof Den Haag van 8 september 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:2630. Mijn cliënt en zijn dochter hebben aangifte gedaan van mishandeling, maar daar is niks mee gebeurd. De agent in burger, verbalisant [verbalisant 5] , ziet volgens mijn cliënt en zijn dochter een deel van de mishandeling. [verbalisant 5] heeft verklaard dat hij ziet dat mijn cliënt wordt geschopt. Hij besluit alleen bijna een jaar na dato iets op papier te zetten en waarom krijgt de verdediging zijn verklaring pas op de zitting? De hulpofficier van justitie heeft ook niks op papier gezet, terwijl verbalisant [verbalisant 6] in de samenvatting van het dossier op pagina 2 heeft genoteerd dat hulpofficier van justitie [verbalisant 7] betrokken was bij de besluitvoering op deze dag. Mijn cliënt zegt dat hij de keuze kreeg tussen wegwezen of blijven om aangifte te doen en te worden aangehouden. Dat laatste kiest mijn cliënt en hij biedt zijn handen aan.
Het verhaal van cliënt staat lijnrecht tegenover het verhaal van de verbalisanten. Belangrijk is waarom verbalisant [verbalisant 5] , de motorrijder, niet eerder het proces-verbaal heeft opgemaakt en vervolgens op zodanige manier heeft opgemaakt dat hij er amper bij aanwezig is geweest. Dat draagt niet bij aan de geloofwaardigheid van het proces-verbaal van de verbalisanten, die amper tot niet reppen over (de aanwezigheid van) verbalisant [verbalisant 5] . Ook vraagt de verdediging zich af waarom er één proces-verbaal is opgemaakt door vier verbalisanten. Waarom niet één per persoon of één per tweetal? Hebben zij exact hetzelfde meegemaakt? En waar is het proces-verbaal van hulpofficier van justitie [verbalisant 7] , gelet op de rol die hij/zij heeft gespeeld zoals omschreven op pagina 2.
Voorts merkt de verdediging op dat alleen verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij de vordering heeft gegeven. Niemand bevestigt zijn verhaal door te stellen dat hij/zij dat heeft gezien of gehoord. Hiervoor verwijs ik naar het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6178, waarin is bepaald dat het proces-verbaal ten onrechte in algemeenheden is opgeschreven en niet genoeg is gespecificeerd. Stel dat verbalisant [verbalisant 1] wel de vordering heeft gegeven, dan blijkt uit het proces-verbaal van verhoor op pagina 10 van het dossier dat mijn cliënt hardhorend is. De vraag is dan ook of mijn cliënt de vordering wel heeft gehoord. Er kan niet worden uitgesloten dat mijn cliënt de vordering niet heeft gehoord. Mijn cliënt had dan ook niet de opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, om niet aan de vordering te voldoen.
17. Als uw hof meent dat wel sprake is van wettig en overtuigend bewijs, doet de verdediging een beroep op afwezig van alle schuld en dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen. Ik verwijs hiervoor naar een arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:827. Mijn cliënt heeft de vordering namelijk geïnterpreteerd als een keuze van de politie.” 20. Het hof heeft dienaangaande het volgende in zijn arrest overwogen:
“
Strafbaarheid van de verdachte
Op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsman van de verdachte een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld en is betoogd dat - kort gezegd - verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging doordat hem door de verbalisanten een keuze is voorgehouden, waarnaar hij heeft gehandeld. Om die reden zou verdachte moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde, vereist is dat aannemelijk is dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was (HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1490, r.o. 3.5,NJ2004/675 en HR 9 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:827, r.o. 2.3, NJB 2017/1129). Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en het strafdossier is gebleken dat de verdachte opzettelijk niet heeft voldaan aan de vordering van de verbalisant om de Bosdreef te verlaten, zoals hiervoor overwogen. De verdachte heeft op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hem ter plaatse een keuze is gegeven: weggaan of blijven om aangifte te doen. De verdachte heeft naar eigen zeggen gekozen voor de laatste mogelijkheid. Naar het oordeel van het hof is deze keuze niet gegeven op de manier waarop de verdachte die heeft geïnterpreteerd. Uit het proces-verbaal van bevindingen ter plaatse blijkt immers dat nadat alle partijen over de verkeersruzie waren gehoord de politieambtenaren alle betrokkenen hebben meegedeeld dat er in de politiesystemen een registratie van de gebeurtenissen zou worden gemaakt, maar dat ze het daarbij zouden laten. Hierop is iedereen gevorderd om de Bosdreef te verlaten. De verdachte gaf hier geen gehoor aan, waarna verbalisant [verbalisant 1] de verdachte met luide en op niet mis te verstane wijze heeft gevorderd om de Bosdreef te verlaten. De verdachte heeft hierop volgens genoemd proces-verbaal van bevindingen meegedeeld dat hem dat niet interesseerde, dat hij niet weg zou gaan en dat de politieambtenaren de anderen moesten aanhouden omdat ze hem hebben geslagen.
De verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie beaamd dat hij op dat moment niet weg wilde gaan omdat hij - in zijn eigen woorden - het er niet mee eens was.
Naar het oordeel van het hof is derhalve komen vast te staan dat de verdachte ten tijde van het begaan van het feit boos was over de afhandeling van de verkeersruzie en om die reden de Bosdreef niet wilde verlaten. Dientengevolge is niet aannemelijk geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Het beroep op afwezigheid van alle schuld slaagt niet.
Er is aldus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is strafbaar.”
22. Aan het middel is ten grondslag gelegd de opvatting dat het hof in verband met de verwerping van het verweer van de raadsman heeft vastgesteld dat de keuze die aan de verdachte is voorgelegd – weggaan of blijven om aangifte te doen – niet is gegeven op de manier waarop de verdachte die heeft geïnterpreteerd. Daaraan wordt door de stellers van het middel de gevolgtrekking verbonden dat het hof in het arrest heeft vastgesteld dat de verdachte hetgeen toen door de verbalisant aan hem is voorgehouden daadwerkelijk heeft opgevat als een aan hem geboden keuze tussen weggaan of aangifte doen, zodat de verdachte op dat moment kennelijk in de overtuiging heeft verkeerd dat zijn gedraging geoorloofd was.
23. Deze lezing van het arrest kan ik niet volgen. In het oordeel van het hof ligt immers besloten dat de verdachte meermaals is gevorderd om de Bosdreef te verlaten en dat er geen sprake van was dat hij ter plaatse een aangifte kon laten opnemen, dan wel zich kon laten arresteren om op het politiebureau alsnog aangifte te doen. Aan hem is daarentegen duidelijk gemaakt dat de verkeersruzie zou worden geregistreerd in de politiesystemen en dat de verbalisanten het daarbij zouden laten. Daarna is iedereen gevorderd om de Bosdreef te verlaten. Die vordering is herhaald toen de verdachte weigerde weg te gaan. De verdachte liet ter plekke weten dat dit hem niet interesseerde en dat hij daar niet wegging. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat die opmerking (met name) betrekking had op de mededeling dat als hij niet zou voldoen aan de vordering om de Bosdreef te verlaten, hij zou worden aangehouden.
24. Het op het voorgaande gebaseerde oordeel van het hof dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging acht ik, gelet op al die omstandigheden, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De verklaring van de verdachte dat hij hetgeen toen door de verbalisant is voorgehouden heeft geïnterpreteerd als zou hem een keuze zijn gegeven, doet daaraan niet af, omdat de verdachte ten tijde van het maken van zijn keuze om de Bosdreef niet te verlaten ervan op de hoogte was dat hij dan zou worden aangehouden.
25. Het middel faalt.