ECLI:NL:HR:2007:BA8454

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
R07/019HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a SvArt. 76 ROArt. 119 GrondwetArt. 4-19 Wet van 22 april 1855Art. 483 Sv
Verwijzingen
16 uitgaand · 11 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beklag tegen niet-vervolging oud-ministers wegens ambtsmisdrijven Schipholbrand

Klagers dienden een verzoek in tot strafvervolging van oud-ministers Donner en Verdonk wegens vermeende ambtsmisdrijven in verband met de brand in het detentiecentrum Schiphol-Oost in oktober 2005. Zij stelden dat de ministers verantwoordelijk waren voor wrede en onmenselijke behandeling van slachtoffers, zoals bedoeld in internationale verdragen.

De officier van justitie verklaarde zich niet-ontvankelijk omdat de beslissing tot vervolging van ministers exclusief berust bij de Kroon of de Tweede Kamer, conform artikel 119 Grondwet Pro en relevante nationale wetgeving. Klagers dienden daarop een klaagschrift in bij het gerechtshof, dat zich eveneens onbevoegd verklaarde en de zaak verwees naar de Hoge Raad.

De Hoge Raad bevestigde dat hij niet bevoegd is tot het geven van opdracht tot vervolging van ambtsmisdrijven gepleegd door ministers. Internationale verdragen zoals het IVBPR, EVRM en het Verdrag tegen foltering verzetten zich niet tegen deze exclusieve nationale regeling. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beklag niet-ontvankelijk, zonder klagers te horen, en wees het verzoek af.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun beklag wegens exclusieve bevoegdheid Kroon en Tweede Kamer tot vervolging van ministers.

Uitspraak

19 oktober 2007
Eerste Kamer
Rek.nr. R07/019HR
RM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Klager] en 29 anderen,
KLAGERS,
advocaat: mr. N.M.P. Steijnen,
t e g e n
1. mr. J.P.H. DONNER, de oud minister van Justitie,
2. drs. M.C.F. VERDONK, de oud minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
BEKLAAGDEN,
niet verschenen.
1. Het beklag
1.1 Bij brief van 5 december 2005 heeft mr. N.M.P. Steijnen als gemachtigde van klagers zich gewend tot het hoofd van het arrondissementsparket Den Haag met het verzoek een strafvervolging in te stellen tegen de toenmalige minister van justitie,
J.P.H. Donner, en de toenmalige minister van vreemdelingenzaken en integratie, M.C.F. Verdonk, ter zake van het onderwerpen van de slachtoffers van de brand die in de nacht van 26 op 27 oktober 2005 heeft gewoed in het detentie- en uitzetcentrum Schiphol-Oost, aan een wrede en onmenselijke behandeling als bedoeld in art. 16 van Pro het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 10 december 1984, Trb. 1985, 69, of als bedoeld in art. 7 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966, Trb. 1969, 99 (IVBPR). Volgens het verzoek maken van deze wrede en onmenselijke behandeling gedragingen en nalatigheden van de beide ministers deel uit, die van een zodanige aard zijn dat zij hebben geleid tot dood door schuld en medeplichtigheid aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De bedoelde gedragingen en nalatigheden zijn vermeld in een bijlage bij het verzoek, welke bijlage is gehecht aan het hierna vermelde schriftelijke verslag van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer.
1.2 Bij brief van 17 maart 2006 heeft het hoofd van het parket aan klagers geantwoord, kort gezegd, dat hij het hiervoor in 1.1 vermelde verzoek beschouwt als een aangifte van door de beide ministers gepleegde ambtsmisdrijven als bedoeld in art. 119 Grondwet Pro en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk is ten aanzien van een vervolging van de beide bewindslieden, zodat van een strafrechtelijk onderzoek door of in opdracht van de officier van justitie ook geen sprake kan zijn.
1.3 Op 19 mei 2006 heeft mr. Steijnen namens de klagers een op 15 mei 2006 gedateerd klaagschrift als bedoeld in art. 12 Sv Pro. ingediend bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Volgens het klaagschrift zijn de gestelde gedragingen en nalatigheden van de beide ministers, niet alleen aan te merken als een wrede en onmenselijke behandeling in de zin van de reeds genoemde verdragsbepalingen, maar ook als een onmenselijke behandeling in de zin van art. 3 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 4 november 1950, Trb. 1951, 154.
1.4 Bij beschikking van 17 november 2006 heeft het hof zich op grond van het bepaalde in art. 76 RO Pro en art. 13a Sv. onbevoegd verklaard kennis te nemen van het beklag en de zaak verwezen naar de Hoge Raad.
1.5 Het schriftelijk verslag van de Advocaat-Generaal strekt ertoe klagers niet-ontvankelijk te verklaren in hun beklag.
1.6 Bij brief van 5 juli 2007 heeft mr. Steijnen als gemachtigde van klagers een schriftelijk commentaar op dit verslag gegeven.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beklag
2.1 Het beklag betreft weliswaar strafbare feiten waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt - te weten door genoemde personen in hun voormelde betrekking beweerdelijk gepleegde ambtsmisdrijven als bedoeld in art. 76 RO Pro - maar de opdracht tot vervolging ter zake van zodanige ambtsmisdrijven kan niet worden gegeven door de Hoge Raad maar uitsluitend bij Koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (art. 119 Grondwet Pro; art. 4-19 Wet van 22 april 1855, Stb. 33, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de hoofden der Ministeriële Departementen; art. 483 leden Pro 1 en 2 Sv.).
Geen van de hiervoor in 1 genoemde verdragen, die de besluitvorming omtrent vervolging van strafbare feiten overlaten aan het nationale recht van de verdragsluitende staten, verzet zich tegen deze exclusief aan de Tweede Kamer en de Kroon gegeven bevoegdheid.
Die bevoegdheid is bij de parlementaire behandeling van art. 119 Grondwet Pro, mede in verband met art. 14 lid 5 IVBPR Pro en het door Nederland met betrekking tot deze bepaling gemaakte voorbehoud, opnieuw afgewogen en gehandhaafd (Kamerstukken II 1979/80, 16 164 (R 1147), nr. 3, onder 5). Daarbij is door de regering beklemtoond dat doordat de beslissing tot vervolging van de in art. 119 genoemde Pro politieke ambtsdragers in handen van politieke organen bij uitstek is gebleven (hetzij de regering, hetzij de Tweede Kamer), recht wordt gedaan aan de omstandigheid dat de beoordeling van de draagwijdte en de inhoud van ambtsmisdrijven van kamerleden, ministers en staatssecretarissen in sterke mate een politiek karakter draagt. Daaraan werd toegevoegd dat door de beslissing omtrent vervolging exclusief in handen te laten van de regering of de Tweede Kamer, de betrokken ambtsdragers worden beschermd tegen een op lichtvaardige gronden ingestelde vervolging.
In het licht hiervan moet art. 13a Sv. aldus worden begrepen dat een beklag op de voet van dat artikel niet ertoe kan leiden dat, in plaats van de Kroon of de Tweede Kamer, de Hoge Raad opdracht tot vervolging van een dergelijk misdrijf zou geven.
2.2 Nu uit het voorgaande volgt dat de Hoge Raad niet bevoegd is opdracht te geven tot vervolging van ambtsmisdrijven als door [klager] c.s. bedoeld, is het beklag kennelijk niet-ontvankelijk. Dit brengt mee dat oproeping van klagers achterwege kan blijven (HR 20 maart 1998, nr. 9076, NJ 1998, 549).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun beklag.
Deze beschikking is gegeven door de president W.J.M. Davids, als voorzitter, vice-president J.B. Fleers en de raadsheren C.A. Streefkerk, W.M.E. Thomassen en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.D.H. Asser op 19 oktober 2007.