Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
6 oktober 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een bestuurder die op 5 oktober 2018 in Rotterdam opzettelijk niet voldeed aan een bevel van een motoragent om stil te blijven staan met zijn voertuig in een veiligheidsrisicogebied. Het bevel was gebaseerd op artikel 151b van de Gemeentewet en de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie (WWM), die de bevoegdheid tot preventief fouilleren en het onderzoeken van vervoermiddelen op wapens of munitie regelen.
De verdachte werd vervolgd wegens het opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens wettelijk voorschrift, zoals bedoeld in artikel 184 lid 1 Sr Pro. Het hof Den Haag oordeelde dat het bevel van de opsporingsambtenaar was gegeven krachtens de wettelijke bevoegdheid uit artikel 51 lid 4 WWM Pro in combinatie met artikel 151b Gemeentewet en dat dit bevel dus voldeed aan de vereisten van artikel 184 Sr Pro.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de verdachte. De Hoge Raad stelde dat het bevel uitdrukkelijk was gebaseerd op de wettelijke bevoegdheden en dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had aangenomen. Tevens wees de Hoge Raad andere klachten van het cassatiemiddel af zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad concludeerde dat het bevel van de opsporingsambtenaar in het veiligheidsrisicogebied krachtens wettelijk voorschrift was gegeven en dat de verdachte terecht werd veroordeeld voor het niet voldoen aan dat bevel.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte voor het opzettelijk niet voldoen aan een wettelijk gegeven bevel tot stilstand brengen van het voertuig in een veiligheidsrisicogebied.