Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
3 februari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een bevel krachtens artikel 160 lid 1 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Het hof kwalificeerde dit als een overtreding van art. 184, eerste lid, Sr, waarbij het bevel werd aangemerkt als een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel in de zin van art. 184 Sr Pro.
De Hoge Raad herhaalt dat art. 184 Sr Pro vereist dat het bevel of de vordering uitdrukkelijk moet zijn gegeven krachtens een wettelijk voorschrift dat de betrokken ambtenaar bevoegd verklaart tot het geven van dat bevel. Artikel 160 lid 1 WVW Pro 1994 bevat weliswaar verplichtingen voor de bestuurder, maar verleent niet uitdrukkelijk aan de politieambtenaar de bevoegdheid tot het doen van een vordering in de zin van art. 184 Sr Pro.
Daarom oordeelt de Hoge Raad dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd door het bevel te kwalificeren als een wettelijk voorschrift in de zin van art. 184 Sr Pro. De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het oordeel en de strafoplegging betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
De conclusie van de Advocaat-Generaal was vernietiging van het arrest met vermindering van de straf, maar verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad volgt dit advies deels door het arrest te vernietigen en terug te verwijzen. De overige onderdelen van het arrest blijven onbesproken.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor het oordeel en de strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.