Conclusie
1.Feiten en procesverloop
13.1.4 Medewerkingsplicht
alle verzekerdenniet in de laatste plaats die premies betalen om rechtsbijstand te krijgen, aangaat.
een allerlaatste kansom dit af te wenden door alsnog en per direct met ons de volgende regeling te treffen:
helemaal en heel snelmis! Je loopt ook grote kans om strafrechtelijk vervolgd te zullen worden!
Bij het uitblijven van jouw antwoord, of het niet mededelen dat jij (of de Groep verzekeraars van SRK) het gevraagde niet gaat honoreren, óf na eventuele tussentijdse ontvangst van (intimiderende) berichten van derden (…) of het schenden van de geheimhouding die op deze mail rust, zullen
gelijkrechtsmaatregelen genomen worden, waaronder de desastreuze meldingen met keiharde feiten en bewijzen van alle misstanden bij de toezichthouders, en het openbaar publiceren hiervan.
Ik hoop voor jou en je familie (…) wiens lot in jouw handen is dat jouw beslissing positief (…)”
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
fair trial) in de zin van art. 6 EVRM Pro, omdat [betrokkene 3] niet als een onafhankelijke en onpartijdige rechter kan worden aangemerkt. Ook klaagt het middel dat [betrokkene 3] zich had moeten verschonen en zijn nevenfunctie(s) niet had mogen verzwijgen. Ik bespreek achtereenvolgens de mogelijkheid tot wraking, de klacht over schending van het recht op
fair trial, en de klachten over het niet verschonen en verzwijgen van nevenfuncties (niet melden).
en uit de gedingstukken niet is af te leiden dat het Hof overeenkomstig artikel 15, aanhef en letter b, van het Besluit orde van dienst gerechten aan partijen kennis heeft gegeven van de namen van de behandelende raadsheren, moet het ervoor worden gehouden
dat de onderhavige klacht voor het eerst na het doen van de uitspraak door het Hof kon worden gedaan.’ [22]
Volgens het middel blijkt uit een op 17 januari 2013 – derhalve na de vaststelling en de toezending aan partijen van de bestreden uitspraak – gehouden toespraakvan de toenmalige staatssecretaris van Financiën ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de CCB (hierna: de toespraak), waarin mede werd verwezen naar onder andere de thans in cassatie bestreden uitspraak,
dat de CCB betrokken was bij de bestrijding van (beweerdelijke) oogst-op-stamconstructies. Dit een en ander heeft bij belanghebbende de objectief gezien gerechtvaardigde vrees gewekt dat sprake is geweest van vooringenomenheid van [betrokkene 5] , aldus het middel.
Gelet op belanghebbendes betoog dat de hiervoor in 2.1 bedoelde vrees eerst is gewekt door de toespraak, die werd gehouden nadat het Hof de bestreden uitspraak had gedaan, moet worden aangenomen dat de onderhavige klacht niet eerder dan na de uitspraak van het Hof kon worden aangevoerd.’ [23]
fair trialvanwege partijdigheid van de rechter indien de partij die zich op dit recht wil beroepen deze mogelijkheid feitelijk eerder niet had. [24] Bij de beoordeling of de partij de feitelijke mogelijkheid eerder niet had, lijkt me mede in het licht van deze uitspraken niet alleen van belang of hij eerder al dan niet kennis had van de feiten of omstandigheden die bij hem de vrees wekten van partijdigheid (subjectief criterium), maar ook of hij redelijkerwijs geacht kon worden van die feiten of omstandigheden kennis te hebben (objectief criterium). Zo wordt een partij die overeenkomstig het Besluit orde van dienst gerechten in kennis wordt gesteld van de namen van de (gewijzigde) behandelende raadsheren geacht op de hoogte te zijn van de samenstelling van de kamer die over zijn zaak oordeelt. Mijns inziens kan van de partij die zich op art. 6 EVRM Pro beroept niet veel eigen onderzoek worden verwacht. Dat zou afbreuk doen aan de mogelijkheid zich op het recht te beroepen. Zo hoefde de belanghebbende in de zaak die onderwerp was van de uitspraak van 14 november 2014 niet te onderzoeken of de CCB betrokken was bij de bestrijding van oogst-op-stamconstructies. Hoewel mijns inziens weinig onderzoek mag worden verwacht van de partij die zich op schending van art. 6 EVRM Pro vanwege partijdigheid van de rechter beroept, wordt in ieder geval de partij die procedeert met een advocaat wel geacht kennis te hebben van de in het Nevenfunctieregister opgenomen nevenfuncties van de rechters die zijn zaak behandelen. [25] Als dat niet het geval zou zijn dan zou met een klacht over partijdigheid van leden van de laatste instantie die over de zaak oordeelt steeds tot in cassatie kunnen worden gewacht.
fair trialbetrekking heeft op de vrees voor partijdigheid die bij [eiser] ontstond vanwege de nevenfuncties van [betrokkene 3] , kan de klacht niet tot cassatie leiden.
fair trialbetrekking heeft op de gang van zaken tijdens de pleidooizitting, moet het er mijns inziens daarom voor gehouden worden dat deze klacht berust op een ongeoorloofd novum. Ook deze klacht kan in zoverre niet tot cassatie leiden.
fair trialbaseert op zijn stelling dat het hof gedurende het gehele proces tot en met de zitting op 10 december 2018 en in het bestreden arrest ten nadele van [eiser] heeft beslist, is het volgende van belang.
NJ2010/520).’ [29]
kanverzoeken zich te verschonen. [35]
equality of arms). [eiser] stelt ‘ernstig belemmerd’ te zijn ‘in zijn mogelijkheden en zijn processuele positie om alles aan te voeren wat van belang was in de zaak.’ [40] Ook klaagt het middel dat het hof met de ongelijke behandeling de schijn van partijdigheid heeft gewekt. [41] Daarnaast klaagt het middel dat het hof rechtsoverwegingen 12 en 13 onbegrijpelijk gemotiveerd heeft, mede in het licht van de schending van de
equality of arms. [42] Het middel bevat ter onderbouwing van deze klachten (sub)klachten en stellingen, die ik hierna bespreek. Ik begin met de klachten die betrekking hebben op rov. 11 en 12 van het arrest van het hof. In die rechtsoverwegingen overweegt het hof:
.