ECLI:NL:HR:2006:AY7211
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Vorming vervangingsreserve en vervangingsvoornemen in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap opgericht naar Antilliaans recht, vormde in 1997 een vervangingsreserve naar aanleiding van de verkoop van bovenwoningen van een pand. De Inspecteur weigerde deze reserve te erkennen, waarna belanghebbende bezwaar maakte dat aanvankelijk niet-ontvankelijk werd verklaard. Het hof verklaarde het bezwaar ontvankelijk maar ongegrond, waarbij het oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er per 31 december 1997 een vervangingsvoornemen bestond.
De Hoge Raad stelt dat het hof een onjuiste rechtsopvatting kan hebben gehanteerd door de volgorde van vervanging verkeerd te beoordelen en dat de motivering ontoereikend is. De aankoop van een wooncomplex in 1999 kan wel degelijk een aanwijzing zijn voor het vervangingsvoornemen per eind 1997, maar het hof heeft dit onvoldoende gemotiveerd.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het bezwaar ongegrond werd verklaard en verwijst de zaak terug naar het hof voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest. Tevens wordt de Staat veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.