Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Arnhemvan 30 oktober 2012, nr. 11/00811, betreffende een aan
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende, moedermaatschappij van een fiscale eenheid, had in 2004 een herinvesteringsreserve gevormd na verkoop van onroerende zaken door haar dochtermaatschappij [I] BV. Op 23 april 2004 kocht [I] BV een hotel in Zwitserland, waarna belanghebbende dezelfde dag haar aandelen in [I] BV aan een derde leverde.
De Inspecteur rekende de herinvesteringsreserve bij de winst, maar Rechtbank en Hof gaven belanghebbende gelijk en pasten artikel 15e Wet Vpb niet toe, omdat de herinvestering vóór de belangwijziging had plaatsgevonden. Het Hof verwierp ook het beroep op fraus legis.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onjuist heeft geoordeeld over de toepassing van fraus legis en dat het mogelijk is dat een samenstel van rechtshandelingen met tijdsvolgorde is ingericht om de toevoeging van de reserve aan de winst te voorkomen. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar de materiële aanwending van de reserve en de samenhang tussen de transacties.
De Hoge Raad benadrukt ook de toepassing van artikel 15aj lid 4 Wet Vpb bij ontvoeging uit de fiscale eenheid en sluit een veroordeling in proceskosten uit.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard, het arrest van het Hof vernietigd en de zaak verwezen voor nadere behandeling.