Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte en niet begrijpelijk de door de advocaat-generaal gevorderde wijziging van het onder 3 ten laste gelegde heeft toegestaan en ten onrechte niet heeft gereageerd op het hieromtrent namens de verdachte gevoerde verweer dat de verdachte door de toewijzing van de vordering wordt beroofd van berechting in twee feitelijke instanties, zodat het arrest, althans de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen is omkleed.
Vordering wijziging tenlastelegging van AG
in geen geval wijzigingen [worden] toegelaten, als een gevolg waarvan de telastlegging niet langer hetzelfde feit, in den zin van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht zou inhouden.” Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ dient de rechter in de situatie waarop art. 313 Sv Pro ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken:
- A) De juridische aard van de feiten. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komen de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
- B) De gedraging van de verdachte. Indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
- Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr Pro.
het wenselijk [is] om te voorzien in een afzonderlijke, duidelijk omschreven strafbaarstelling waarmee wordt voldaan aan de verdragsverplichting tot het strafbaar stellen van «training voor terrorisme».” [7] Ook bij de strafbedreiging van art. 134a Sr is aansluiting gezocht bij art. 96 Sr Pro waarop een maximale straf van 10 jaar is gesteld. Art. 96 Sr Pro ziet op de ernstigste misdrijven waartoe ook de voorbereiding/bevordering strafbaar is. Aangezien art. 134a Sr een ruimer bereik heeft, is voor een lagere strafbedreiging van acht jaar gekozen. [8]
een ruimere keuze” te geven. Ook overweegt het hof gezien het voorgaande niet onbegrijpelijk dat de te beschermen rechtsgoederen én de strafmaxima niet dermate uiteen lopen dat van een ander feit gesproken zou moeten worden. Daarmee faalt ook de eerste deelklacht.
tweede middelklaagt over de verwerping door het hof van het door de verdediging gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, aangezien zij doelbewust, althans met grove veronachtzaming, de rechten van de verdachte heeft geschonden waardoor hij in zijn belangen is geschaad.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging
derde middelklaagt over het onder 1, B bewezenverklaarde feit. Meer in het bijzonder wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Bewijs
vierde middelklaagt dat het onder 2 bewezenverklaarde onvoldoende met redenen is omkleed.
Bewijs
klappen’van de verdachte krijgen, aldus het hof. Als de verdachte het appartement waar zij verbleven verliet, nam hij de telefoons mee en deed de deur op slot. Voorts verklaart [slachtoffer] dat zij het gevoel had dat zij (ook) in de gaten werd gehouden door de verhuurder van het appartement. Toen de politie op 15 augustus 2016 vanwege de 112 melding van [slachtoffer] naar het appartement kwam, bleek de deur van het appartement dicht te zitten, terwijl [slachtoffer] niet in het bezit was van een sleutel. Dat [slachtoffer] in de tenlastegelegde periode bij de verdachte is weggelopen en bij haar terugkomst zwaar is mishandeld, kwam reeds aan bod bij de bespreking van het derde middel. Op grond van al het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat de verdachte [slachtoffer] in de periode van 23 juli 2016 (de dag waarop zij als vermist is opgegeven) tot en met 15 augustus 2016 (de dag waarop zij door de Belgische politie werd aangetroffen) wederrechtelijk van haar vrijheid heeft beroofd. Mede in aanmerking genomen dat de manieren waarop iemand wederrechtelijk van haar vrijheid kan worden beroofd – gezien de rechtspraak hieromtrent – zeer uiteen lopen en de vraag of daarvan sprake is afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
vijfde middelklaagt over het onder 3 bewezenverklaarde feit. Meer in het bijzonder wordt geklaagd dat het hof bij dat oordeel niet begrijpelijk heeft betrokken de resultaten van het onderzoek aan de inbeslaggenomen telefoon, dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsmiddelen blijkt en dat hetgeen het hof heeft bewezenverklaard, niet kan worden gekwalificeerd als het trainen van zichzelf en een ander voor terrorisme als bedoeld in art. 134a Sr.
Bewijs
wordt met het samenstel van gedragingen in de delictsomschrijving van het voorgestelde artikel 134a Sr de door het Verdrag gehanteerde ruime omschrijving van het begrip «training» geduid.'
en een ander’, te weten [slachtoffer] , gelegenheid, middelen en inlichten heeft verschaft en zich kennis en vaardigheden heeft verworven en een ander heeft bijgebracht tot het plegen van een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij acht ik van belang dat onder het ‘
zich of een ander tracht te verschaffen’in art. 134a Sr hetzelfde dient te worden verstaan als in art. 96, tweede lid, Sr, te weten het rechtstreeks op iemand invloed uitoefenen om hem tot het beoogde feit te brengen. [20]
Beoordeling van de onder 3, I en II, telkens onder A tot en met L, tenlastegelegde gedragingen’heeft het hof uitgebreid gemotiveerd geoordeeld dat en waarom die gedragingen leiden tot het oordeel dat die handelingen kunnen worden aangemerkt als het trainen voor terrorisme. Voor zover het middel klaagt dat het hof
“in feite de tekst van de tenlastelegging [herhaalt] terwijl de verdediging onderbouwd door argumenten heeft aangevoerd dat en waarom deze handelingen niet kunnen worden beschouwd als opleverende (bewijs van) de bewezenverklaarde feiten’faalt het dus reeds.
zesde middelklaagt dat het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel heeft bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast.