Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof in strijd met het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel niet is uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten.
Standpunt van de raadsman
rentevergoeding over de gemiddelde maandelijkse stand van de kapitaalrekeningen
een voorwinst van 200.000 gulden voor [B] uitsluitend over de jaren 2000 en 2001;
de (resterende) winst over de jaren 2001 en verder wordt na een rentevergoeding over de gemiddelde maandelijkse stand van de kapitaalrekeningen op een 50%-50% basis verdeeld.
de resterende winst wordt als volgt verdeeld, over het jaar 2000: 65% voor [B] B.V. en 35% voor [C] B.V.
12. Een schriftelijk bescheid, zijnde een overeenkomst tussen [B] B.V. en [C] B.V. van 30 november 2000, inhoudende (D-3954, ordner getiteld “gefisnr. 48888”):
geheleperiode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend (slechts) 50% van de gegenereerde omzet aan de praktijkvennootschap van de betrokkene moet worden toegerekend. Dit is met name van invloed op het winstaandeel over het jaar 2000, nu uit de maatschapsovereenkomst volgt dat over dat jaar 65% van de winst aan de vennootschap van de betrokkene zou toekomen. Ik citeer uit de pleitnotities:
Genoemd bedrag is als deel van de jaaromzet van de maatschap (over de jaren waarin de facturen zijn verzonden) aan te merken, waarop kosten van de maatschap over die jaren in mindering zijn gebracht. Vervolgens is de winst over die jaren tussen de maten verdeeld overeenkomstig het maatschapscontract dat deel uitmaakt van het ontnemingsdossier. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van de twee notarissen, afgelegd tijdens het onderzoek door de FIOD.(…)Het voorgaande heeft tot gevolg dat, uitgaande van de aldus gerealiseerde omzet, niet de gehele gerealiseerde omzet, zoals wordt verondersteld in de berekening, (via een praktijkvennootschap) aan [betrokkene] is toegekomen.
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de fiscale consequenties van de voordeelsontneming en zodoende ook in dit opzicht niet is uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft genoten.
Het voordeel is in [B] B.V. gevallen. [betrokkene] nam nu eenmaal deel aan de maatschap door middel van die B.V. zodat hij ook in dat opzicht geen keuze had het voordeel daar te laten vallen. [betrokkene] was beter gezegd geen IB-ondernemer. [B] B.V. heeft ook (logischerwijs) over de door haar gegenereerde winst Vpb moeten afdragen aan de fiscus. Feitelijk is het voordeel dus het bedrag dat [B] B.V. heeft ontvangen minus de afgedragen Vpb. [B] B.V. doet nu helemaal niets meer en heeft ook niets meer om het lijf. De maatschap waarin de notarispraktijk werd gedreven bestaat namelijk niet meer en dat geldt ook voor de notarispraktijk. [betrokkene] is immers door de Kamer van Toezicht uit zijn ambt gezet. Het hoger beroep tegen deze beslissing heeft hij ingetrokken. Het voordeel wordt nu bij [betrokkene] als natuurlijk persoon ontnomen. Ik zie niet in hoe de belastingheffing bij de B.V. (Vpb) ongedaan kan worden door een betalingsverplichting die aan [betrokkene] als natuurlijk persoon wordt opgelegd. Bovendien heeft [betrokkene] nauwelijks inkomsten en kan dus vrijwel niet een eventuele betalingsverplichting (als negatief inkomen) met zijn huidige inkomen compenseren. Dat zou vervolgens tot gevolg hebben dat hij nog eens extra gestraft wordt. Immers, in de jaren waarop de in deze zaak besproken facturen door het notariskantoor zijn opgemaakt (en dus de winst is gevallen voor de maatschap) heeft zijn B.V. Vpb moeten betalen, maar die door de B.V. betaalde belasting kan op geen op geen enkele wijze terug worden gehaald.
(…). Het hof is dan ook van oordeel dat pas op het moment dat geld op de rekening van [B] B.V. werd bijgeboekt als gevolg van de verdeling van het resultaat van de maatschap, de veroordeelde vrijelijk over dat geld kon beschikken. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden waaruit volgt dat de veroordeelde niet vrijelijk kon beschikken over het geld dat op de rekening van [B] B.V. stond.
(…)
4.2.1. Bij Wet van 10 december 1992 (Stb. 1993, 11) is art. 36e Sr gewijzigd. De Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot voornoemde wet houdt met betrekking tot de gevolgen van toepassing van de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op fiscaal gebied onder meer het volgende in:
.'
'
Het genoemde fiscale mechanismeheeft alleen betrekking op heffingen over het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeelen ziet niet op belastingen met een andere heffingsgrondslag (vgl. HR 10 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3264, NJ 2016/57). Dit betekent dat de rechter die oordeelt in de ontnemingsprocedure bij de vaststelling van de hoogte van het door de betrokkene aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel te betalen bedraggeen rekening dient te houden met de belastingheffing over het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel.”
over het bedrag van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel”.
derde middelklaagt dat het hof bepaalde (kantoor)kosten niet in mindering heeft gebracht op het ontnemingsbedrag.
Naar het oordeel van het hof kan in dit geval niet worden aangenomen dat het door de verdediging bedoelde percentage van de kantoorkosten bespaard zou zijn gebleven als de strafbare feiten niet waren gepleegd. Bovendien acht het hof een percentage van de kantoorkosten geen kosten die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen. In de kern genomen gaat het bij de strafbare feiten om het ter beschikking stellen van de bestaande derdengeldenrekening en overleg van de veroordeelde met de medeveroordeelden. Niet aannemelijk is geworden dat hiervoor (additionele) kosten zijn gemaakt. Daarnaast zijn door boekhouder [betrokkene 3] facturen gestuurd en betalingen geboekt, maar dat voor deze, of andere werkzaamheden of feitelijkheden, (personeels)kosten zijn gemaakt die in directe relatie tot de gepleegde delicten zouden staan is door de verdediging niet nader onderbouwd en overigens onvoldoende aannemelijk geworden.”
Onder kosten die in directe relatie staan tot het delict moeten die kosten worden gerekend die bespaard zouden zijn geweest als het delict niet zou zijn gepleegd.” [17] Daaraan voegde de Hoge Raad nog wel toe: “
Daartoe kunnen dus ook kosten behoren die niet ten behoeve van de voltooiing van het delict zijn gemaakt en in zoverre dus niet noodzakelijk waren.” De eis dat ‘de kosten noodzakelijk waren voor de voltooiing van het delict’, gaat dus te ver, maar dat betreft geen eis die het hof in de voorliggende zaak stelt.
vierde middelklaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg én in cassatie.
Redelijke termijn
Aanvang van de redelijke termijn
the period governed by article 6 (1) covers the whole of the proceedings in issue, including appeal proceedings”. [20]