ECLI:NL:HR:2001:AB1522
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing ontnemingsvordering wegens ontbreken direct voordeel voor betrokkene
In deze strafzaak stond de vraag centraal of betrokkene, als enig directeur en bijna enig aandeelhouder van een BV, het wederrechtelijk verkregen voordeel van die BV kon worden toegerekend en ontnomen. Het hof had geoordeeld dat het enkel feit dat betrokkene deze positie bekleedde onvoldoende is om het voordeel aan hem toe te rekenen. Er was geen bewijs van directe voordelen zoals een te hoog salaris of onverklaarde vermogensbestanddelen.
Namens betrokkene werd aangevoerd dat het vermeende voordeel slechts door de BV was genoten en niet door hem persoonlijk. Het openbaar ministerie stelde dat het voordeel van de BV aan betrokkene kon worden toegerekend vanwege zijn positie. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat terughoudendheid geboden is bij het doorbreken van aansprakelijkheid en dat het legaliteitsbeginsel ook geldt bij ontnemingsvorderingen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat het ontbreken van feitelijke vaststellingen over een waardestijging van aandelen of andere indirecte voordelen het middel faalt. Het cassatieberoep werd verworpen en de afwijzing van de ontnemingsvordering gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van de ontnemingsvordering tegen betrokkene.