In deze zaak stond centraal of Unilever N.V. gehouden was tot terugkoop van preferente aandelen die zij had uitgegeven, en of deze verplichting een statutaire grondslag moest hebben. Clay Hill c.s. vorderden betaling van € 1,98 per aandeel en een verklaring voor recht dat Unilever onrechtmatig had gehandeld door niet tot terugkoop over te gaan en beleggers onvolledig te informeren.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen af. Het hof overwoog dat een terugkoopverplichting in beginsel uit de statuten moet blijken vanwege de openbaarheid van inrichting, en dat uit de statuten en gedragingen van Unilever geen dergelijke verplichting volgde. Ook was er geen sprake van een gerechtvaardigd vertrouwen bij Clay Hill c.s. omdat zij wisten dat Unilever niet tot terugkoop zou overgaan.
De Hoge Raad bevestigde dat de wet niet vereist dat een terugkoopverplichting statutaire grondslag heeft, maar stelde dat het hof terecht oordeelde dat Unilever geen verplichting tot terugkoop had jegens Clay Hill c.s. Het principale beroep werd verworpen, en het voorwaardelijk incidentele beroep behoefde geen behandeling. Clay Hill c.s. werden veroordeeld in de kosten.