Conclusie
middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte op de voet van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 van rechtswege is vrijgesteld van de verplichting zijn kinderen in te schrijven op een school, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat het hof de verdachte op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft vrijgesproken.
BeoordelingStandpunt van de verdachteTer terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman namens de verdachte aangevoerd dat – in de kern weergeven – de verdachte dient te worden vrijgesproken van het aan hem ten laste gelegde omdat hij op juiste gronden heeft verklaard dat hij overwegende bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs van alle nabij zijn woning gelegen scholen. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte om die reden terecht beroep heeft gedaan op artikel 5 onder Pro b van de Leerplichtwet 1969 (verder: Lpw 1969), en dat hij van rechtswege is vrijgesteld van de verplichting om zijn dochter in te schrijven bij een school of instelling. De verdachte heeft gesteld dat het 'objectivisme' een fundamentele oriëntatie is op basis van een welbepaalde levensovertuiging. De raadsman van de verdachte heeft zijn stellingen onderbouwd met de op voorhand aan het gerechtshof bij brief van 26 januari 2018 overgelegde stukken.
Wettelijk kader en toetsing formele vereisten
In bijlage 4 bij de aan het hof gestuurde brief van 26 januari 2018 heeft de verdachte opgegeven wat zijn overwegende bedenkingen zijn tegen de richting van het onderwijs dat wordt gegeven op de scholen gelegen binnen redelijke afstand van zijn woning waarop zijn kinderen geplaatst zouden kunnen worden.
Toetsing van de bezwarenHet hof stelt – gelet op de huidige stand van het recht – voorop dat de vrijstellingsregeling is bedoeld voor alle ouders die een andere dan de gangbare geloofsovertuiging hebben of niet tot een ‘erkende’ geloofsgemeenschap behoren en daarom geen school van hun overtuiging kunnen vinden. De wet stelt geen eisen aan de herkomst van de richtingbezwaren. Bij de beoordeling of de verdachte was vrijgesteld van de verplichting om zich in te schrijven op een school omdat hij tegen de richting van de redelijkerwijs bereikbare scholen overwegende bedenkingen had, zal het hof niet treden in de vraag of deze bedenkingen al dan niet overwegend van aard zijn en slechts oordelen over de vraag of de bedenkingen de richting van het onderwijs in de zin van artikel 5 Lpw Pro 1969 betreffen. Het hof is van oordeel dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep – onder verwijzing naar de genoemde bijlage 4 – aannemelijk gemaakt dat zijn bezwaren de richting van het onderwijs betreffen. Hij heeft die bezwaren, ten aanzien van de richtingen van alle scholen en instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, voldoende concreet uiteengezet .
Meer in het bijzonder overweegt het hof ten aanzien van het openbaar onderwijs dat bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5 onder Pro b Lpw 1969 ook hierin kunnen bestaan dat bedenkingen bestaan tegen het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs. Vorenbedoelde bedenkingen kunnen derhalve ook zijn gericht tegen de richting van het openbaar onderwijs (vgl. HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9201, NJ 2012/270) .
De verdachte heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep voldoende uiteengezet wat zijn bedenkingen zijn, door onder meer te stellen dat hij het objectivisme aanhangt en wenst dat zijn kinderen volgens die levensovertuiging opgevoed en onderwezen worden. De verdachte en zijn raadsman hebben niet alleen uitvoerig betoogd dat een objectivistische levensbeschouwing niet alleen kan worden aangeleerd buiten schooltijd maar – in het door de verdachte voorgestane onderwijs – de hele dag aanwezig is. De verdachte heeft ook voldoende concreet onderbouwd dat in het onderwijs op objectivistische grondslag alle vakken zijn doordrenkt van het objectivisme. De verdachte heeft dat ter terechtzitting, toegelicht door uit te leggen dat de interactie tussen leraar en leerling en die tussen de leerlingen onderling in het objectivistisch onderwijs totaal anders is dan gangbaar is op een neutrale school. Zo heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat in de objectivistische benadering in de interactie tussen leraar en leerling niet wordt gehandeld vanuit een gezagsrelatie, maar dat daarin de keuzevrijheid van het kind centraal staat. Als voorbeeld betreffende de interactie tussen de leerlingen onderling heeft hij gegeven dat het adagium ‘samen spelen is samen delen’ op gespannen voet staat met een objectivistische levensovertuiging en dat een dergelijk uitgangspunt afbreuk doet aan een opvoeding overeenkomstig die levensbeschouwing. Dat de richting die de verdachte prefereert haaks staat op de (neutrale) richting van een openbare school/instelling is daarmee voldoende concreet onderbouwd.
Het hof heeft voorts getoetst of de bedenkingen van de verdachte tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs zijn gericht. In bijlage 2 bij de genoemde brief van 26 januari 2018 staat als opmerking van de certificeerder van het thuisonderwijs n.a.v. een huisbezoek op 26 juli 2016 onder meer vermeld: “De ouders hebben van begin af aan gekozen voor ‘radical unschooling’, een benadering die afstand neemt van de op scholen gebruikelijke werkwijzen en materialen.” Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep meegedeeld dat zijn keuze voor thuisonderwijs los staat van de objectivistische levensovertuiging en dat die levensovertuiging niet wordt opgevoerd vanuit het streven [betrokkene 1] en [betrokkene 2] thuisonderwijs te geven. Het hof acht het op grond van het voorgaande aannemelijk dat de keuze van de verdachte voor het geven van thuisonderwijs aan zijn kinderen is ingegeven door richtingbezwaren. De door de verdachte en zijn raadsman aangevoerde bedenkingen richten zich dus niet enkel tegen de inrichting van het onderwijs – de zogenoemde praktische bezwaren – maar bestaan hoofdzakelijk uit bedenkingen tegen de richting van het onderwijs.
NJ2010/422 aan de orde de vraag of van een onjuiste rechtsopvatting getuigt het oordeel van het hof dat onder het begrip “richting” als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 moet worden verstaan “een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing”. Van een onjuiste rechtsopvatting is volgens de Hoge Raad hier geen sprake. Daaraan voegt hij in HR 17 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9201,
NJ2012/270 toe dat zulke bedenkingen tegen de richting van het onderwijs ook kunnen zijn gelegen in bezwaren tegen het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het (openbaar) onderwijs. [12]
NJ2018/415, m.nt. Mevis heeft de Hoge Raad het hiervoor beschreven beoordelingskader van nieuwe elementen voorzien. In die zaak stelt de verdachte zich in hoger beroep op het standpunt dat zijn kinderen onderwijs dienen te krijgen in overeenstemming met de “holistische levensovertuiging” van de ouders. Het hof verwerpt het beroep op de vrijstellingsgrond omdat de verdachte geen voldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenkingen tegen de richting van de bestaande onderwijsinstellingen heeft gegeven en onvoldoende duidelijk is geworden welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting van het onderwijs de verdachte koestert. De opgegeven bezwaren hebben volgens het hof veeleer betrekking op de manier waarop op reguliere scholen het geven van onderwijs is georganiseerd en in de praktijk tot uiting komt. De verdachte stelt beroep in cassatie in en namens hem wordt onder meer een middel van cassatie voorgesteld dat klaagt over ’s hofs verwerping van het verweer dat de verdachte overwegende bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs op alle binnen een redelijke afstand van zijn woning gelegen scholen waarop zijn minderjarige zoon geplaatst zou kunnen worden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en overweegt daartoe, voor zover hier van belang:
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 5, aanhef en onder b, Lpw is de daarin opgenomen vrijstellingsgrond in het leven geroepen met het oog op de eerbiediging van ernstige gemoedsbezwaren (Kamerstukken II 1897/98, 160, nr. 3, p. 4). Gelet hierop moet onder het begrip richting als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw worden verstaan: een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing (vgl. HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, NJ 2010/422).
Van overwegende bedenkingen in de zin van art. 5, aanhef en onder b, Lpw is derhalve eerst sprake in geval van ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.
Hetgeen door de verdachte in de onderhavige zaak in appel is aangevoerd en hiervoor onder 2.2.2 en 2.2.3 is weergegeven, kan bezwaarlijk worden aangemerkt als aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleende, overwegende bedenkingen als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw. De omstandigheid dat de verdachte zijn bezwaren zelf aanmerkt als een uitvloeisel van zijn holistische levensovertuiging, brengt niet mee dat die bezwaren reeds daarom overwegende bedenkingen opleveren tegen de richting van het onderwijs in zin van de wet.
Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve, [13] zodat hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen onbesproken kan blijven.”
NJ2010/422 bezigde – een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing – en waarvan de Hoge Raad toen besliste dat deze omschrijving niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, met zoveel woorden tot de zijne maakt. Ten tweede leidt de Hoge Raad, voor het eerst zo expliciet, uit deze definitie van het object van de bezwaren (te weten: de “richting” van het aangeboden onderwijs) af dat die bezwaren ook “aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleend” moeten zijn, en daarmee dus in een zo omschreven “richting” hun oorsprong dienen te vinden. Vanzelfsprekend is dat niet, want denkbaar is dat men tegen een in het onderwijs tot uitdrukking komende fundamentele oriëntatie of het gebrek daaraan ernstige gemoedsbezwaren koestert zonder dat die bezwaren het uitvloeisel zijn van een duidelijk omlijnde, (andere) fundamentele oriëntatie. [14]
NJ2018/415 langer stil te staan. De toepassing van deze rechtsoverwegingen op de omstandigheden van het concrete geval, geeft de indruk dat het vereiste dat de bezwaren berusten op een
welbepaaldegodsdienst of levensovertuiging tamelijk restrictief moet worden opgevat en aldus verstrekkende consequenties hebben zal. De Hoge Raad gaat in rechtsoverweging 2.5 niet voorbij aan het casuïstische karakter van zijn oordeel (“Hetgeen door de verdachte in de onderhavige zaak in appel is aangevoerd”), zijn oordeel dat het aangevoerde “bezwaarlijk kan worden aangemerkt als aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleende, overwegende bedenkingen” moet echter mede worden begrepen in het licht van de – een half jaar eerder nog door de Hoge Raad in zijn arrest van 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3111 herhaalde – rechtsregel dat de rechter niet behoort te treden in het gewicht van de bedenkingen. In het kader van dat niet verlaten uitgangspunt, komt de nadruk in deze deeloverweging niet te liggen op de overwegende mate van de bedenkingen, die immers voor de rechter niet toetsbaar is, maar op het “aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleend” zijn daarvan. Het is díe maatstaf waaraan de Hoge Raad het door de holistisch georiënteerde verdachte aangevoerde betrekkelijk indringend toetst; het is niet zo dat de Hoge Raad de overwegingen van het hof in die zin verstaat dat
het hofde bedenkingen van de verdachte als niet aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleend heeft beschouwd, welk oordeel dan niet onbegrijpelijk zou zijn. De Hoge Raad stelt
zelfvast dat het aangevoerde bezwaarlijk kan worden aangemerkt als aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleend. Voorzichtig lijkt daaruit te kunnen worden opgemaakt dat de ruimte voor een geslaagd beroep op de exceptie op grondslag van aan het holisme ontleende bezwaren zeer beperkt is.
NJ2018/415 plaatst Mevis de uitspraak in de sleutel van deze Straatsburgse rechtspraak. Hij vraagt zich af of de in het kader van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 aan de godsdienst of levensovertuiging gestelde eis van “welbepaaldheid” vol te houden is in de huidige Nederlandse, door pluriformiteit gekenmerkte samenleving. In navolging van het EHRM [20] meent hij weliswaar dat een minimumdrempel is gerechtvaardigd “om onzin buiten de deuren van het recht te houden”, maar hij betwijfelt of een – op zichzelf verdedigbare – objectieve toets van de godsdienst of levensovertuiging zich wel laat uitvoeren over de band van de welbepaaldheid. Hij vraagt zich tevens af of de Hoge Raad niet een “te kaal” arrest heeft gewezen door te volstaan met de formulering van het vereiste dat de bezwaren zijn ontleend aan een welbepaalde godsdienst of levensovertuiging en te oordelen dat hetgeen door de verdachte was aangevoerd bezwaarlijk zo kon worden verstaan. De door hem gemaakte vergelijking met de nadien gewezen uitspraak van de Raad van State van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2715 ligt voor de hand. In die uitspraak beoordeelt de Raad van State of het door de appellant beleden pastafarisme de door het EHRM bedoelde mate van “cogency, seriousness, cohesion and importance” bereikt. Die vraag beantwoordt de Raad van State in een uitvoerig gemotiveerde uitspraak in ontkennende zin. Uit de toetsing aan de door het EHRM aan levensbeschouwingen gestelde minimumvoorwaarden spreekt de terughoudendheid bij de beoordeling van godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuigingen die in het algemeen wenselijk wordt geacht. De vraag komt op of de Hoge Raad met het vereiste van “welbepaaldheid” (ten behoeve van de schoolgang van kinderen) eisen stelt aan de ingeroepen godsdienst of levensovertuiging die de door het EHRM voorgeschreven minimale “cogency, seriousness, cohesion and importance” overstijgen.
NJ2018/415. De door het hof gegeven vrijspraak berust zo bezien op een onjuiste rechtsopvatting van het begrip “overwegende bedenkingen” in de zin van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969.
NJ2018/415 de lat voor een geslaagd beroep op de vrijstelling (beduidend) hoger heeft gelegd. Dat het door de verdachte beleden objectivisme zonder meer wel beantwoordt aan de eis van “welbepaaldheid” waaraan het holisme niet voldeed, heeft het hof niet nader gemotiveerd. Zonder zo een nadere motivering is het bestreden oordeel van het hof mijns inziens niet begrijpelijk. Ook als aan de in zijn algemeenheid onjuiste vooropstelling van het hof niet zwaar wordt getild, is ‘s hofs oordeel dat de door en namens de verdachte aangevoerde, aan het objectivisme ontleende bezwaren kunnen worden aangemerkt als aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleende, overwegende bedenkingen als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969, derhalve niet toereikend gemotiveerd.