Conclusie
Nummer 19/01833
middelklaagt dat het oordeel van het hof dat de verdachte op de voet van art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 (Lpw) is vrijgesteld van de verplichting om te zorgen dat zijn dochter als leerling van een school of instelling stond ingeschreven, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat het hof de verdachte op ontoereikende en/of onbegrijpelijke gronden heeft vrijgesproken. Alvorens het middel te bespreken geef ik eerst de tenlastelegging, ’s hofs motivering van de vrijspraak alsmede enkele passages uit het requisitoir weer. Ook ga ik in op recente rechtspraak en literatuur.
Tenlastelegging, ’s hofs overweging en enkele passages uit het requisitoir
Inleiding
van degene die zich op de vrijstellingsgrond van art. 5, aanhef en onder b, Lpw beroept, gevergd mag worden dat hij duidelijk aangeeft welke zijn bedenkingen zijn).
NJ2018/415 m.nt. Mevis).
Recente rechtspraak en literatuur
NJ2018/415 m.nt. Mevis had het hof het door de verdachte gevoerde verweer aldus weergegeven:
NJ2010/422 bezigde – een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing – en waarvan de Hoge Raad toen besliste dat deze omschrijving niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, met zoveel woorden tot de zijne maakt. Ten tweede leidt de Hoge Raad, voor het eerst zo expliciet, uit deze definitie van het object van de bezwaren (te weten: de “richting” van het aangeboden onderwijs) af dat die bezwaren ook “aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleend” moeten zijn, en daarmee dus in een zo omschreven “richting” hun oorsprong dienen te vinden. Vanzelfsprekend is dat niet, want denkbaar is dat men tegen een in het onderwijs tot uitdrukking komende fundamentele oriëntatie of het gebrek daaraan ernstige gemoedsbezwaren koestert zonder dat die bezwaren het uitvloeisel zijn van een duidelijk omlijnde, (andere) fundamentele oriëntatie.
NJ2018/415 langer stil te staan. De toepassing van deze rechtsoverwegingen op de omstandigheden van het concrete geval, geeft de indruk dat het vereiste dat de bezwaren berusten op een
welbepaaldegodsdienst of levensovertuiging tamelijk restrictief moet worden opgevat en aldus verstrekkende consequenties hebben zal. De Hoge Raad gaat in rechtsoverweging 2.5 niet voorbij aan het casuïstische karakter van zijn oordeel (“Hetgeen door de verdachte in de onderhavige zaak in appel is aangevoerd”), zijn oordeel dat het aangevoerde “bezwaarlijk kan worden aangemerkt als aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleende, overwegende bedenkingen” moet echter mede worden begrepen in het licht van de – een half jaar eerder nog door de Hoge Raad in zijn arrest van 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3111 herhaalde – rechtsregel dat de rechter niet behoort te treden in het gewicht van de bedenkingen. In het kader van dat niet verlaten uitgangspunt, komt de nadruk in deze deeloverweging niet te liggen op de overwegende mate van de bedenkingen, die immers voor de rechter niet toetsbaar is, maar op het “aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleend” zijn daarvan. Het is díe maatstaf waaraan de Hoge Raad het door de holistisch georiënteerde verdachte aangevoerde betrekkelijk indringend toetst; het is niet zo dat de Hoge Raad de overwegingen van het hof in die zin verstaat dat
het hofde bedenkingen van de verdachte als niet aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleend heeft beschouwd, welk oordeel dan niet onbegrijpelijk zou zijn. De Hoge Raad stelt
zelfvast dat het aangevoerde bezwaarlijk kan worden aangemerkt als aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleend. Voorzichtig lijkt daaruit te kunnen worden opgemaakt dat de ruimte voor een geslaagd beroep op de exceptie op grondslag van aan het holisme ontleende bezwaren zeer beperkt is.
NJ2010/422 voorlag. Uw Raad overwoog in dat arrest dat de in art. 5, aanhef en onder b, Lpw opgenomen vrijstellingsgrond blijkens de geschiedenis van totstandkoming in het leven is geroepen ‘met het oog op de eerbiediging van ernstige gemoedsbezwaren’ en verwees daarbij naar
Kamerstukken II1897/98, 160, nr. 3, p. 4 (e.v., zo begrijp ik). Uit dat kamerstuk is onder meer de volgende passage van belang (p. 7-8):
tegen dat onderwijs. Alleen wordt door de gewraakte uitdrukking uitgemaakt, dat men zich op deze vrijstelling niet kan beroepen, als men geen bezwaar heeft tegen het onderwijs. Die eisch kan bezwaarlijk worden losgelaten en daarom kan aan den wensch om de woorden ,,het onderwijs op” te schrappen, niet worden voldaan.’
bis beperkter dan in artikel 7, sub 4, van de huidige wet. Bezwaren tegen een school zullen uitsluitend gebaseerd mogen zijn op de richting, niet op de soort van onderwijs. Anders zouden kortzichtige ouders door bezwaren te maken tegen iedere vorm van voortgezet onderwijs hun kinderen thuis kunnen houden. Wanneer een kind niet geschikt is voor het volgen van een vorm van voortgezet onderwijs of om andere redenen niet op een bepaalde school kan worden toegelaten, moet een dergelijke school buiten beschouwing blijven, omdat dit dan geen school is waarop het kind geplaatst zou kunnen worden. Zie verder artikel 8. (…)
overwegendebedenkingen bestaan; de enkele vaststelling van bedenkingen volstaat niet. [12]