Conclusie
eerstemiddel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring.
NJ2016/314 m.nt. Van Kempen onder
NJ2016/315 volgt dat de in art. 273f, eerste lid aanhef en onder 3°, Sr omschreven gedragingen ‘alleen strafbaar zijn als zij zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld’. [2] De steller van het middel klaagt dat het hof niet heeft geëxpliciteerd of, en zo ja waarom, ten tijde van het meenemen van [benadeelde 3] vanuit Slowakije naar Nederland sprake was van omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld. Daarbij wijst hij op HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099,
NJ2010/598 m.nt. Buruma, rov. 2.6.1, waarin is overwogen dat ‘in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe(komt) aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald’. Daarbij vermeldt de steller van het middel dat het hof heeft vrijgesproken van een aantal onderdelen van de tenlastelegging die met name betrekking hebben op omstandigheden die wijzen op uitbuiting. En dat het gerechtshof expliciet heeft overwogen dat moet worden vrijgesproken van het voordeel trekken uit de uitbuiting van [benadeelde 2] en [benadeelde 3] en het hen dwingen of bewegen de verdachte te bevoordelen uit de opbrengst van hun prostitutiewerkzaamheden.
NJ2010/598 m.nt. Buruma aan het begrip ‘uitbuiting’ heeft gegeven. Daarbij merk ik in de eerste plaats op dat Uw Raad de betreffende verduidelijking formuleerde voor ‘een geval als het onderhavige’. Het ging in de betreffende zaak om personen die werkten in een Chinees restaurant. [8] Dat is een situatie die zonder een dergelijke nadere duiding niet heel eenvoudig onder het tweede lid van het voormalige art. 273a Sr [9] en het huidige tweede lid van art. 273f Sr te brengen is. Uit die omschrijving volgt rechtstreeks dat uitbuiting van een ander in de prostitutie als uitbuiting wordt aangemerkt. In HR 5 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5235,
NJ2002/546, waarin sprake was van prostitutiewerkzaamheden, heeft Uw Raad aangegeven dat uit de wetsgeschiedenis van art. 250ter Sr (een voorganger van art. 273f Sr) moest worden afgeleid dat een situatie ‘waarin de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van zijn of haar relatie tot de exploitant’ door de wetgever als ‘uitbuitingssituatie’ is aangeduid. Dat lijkt een beter handvat in situaties als de onderhavige.
tweedemiddel klaagt dat de stukken van het geding niet tijdig aan de griffier van de Hoge Raad zijn gezonden en dat de berechting in de cassatiefase niet binnen twee jaar na het instellen van het cassatieberoep zal zijn afgedaan.