Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Feiten
Niet in de balans opgenomen verplichtingen
AKTE VAN LEVERING
1.a. [betrokkene 2] (...)
2.a. [de man] (...)
gehechteverklaring heeft [betrokkene 1] , voornoemd, OM NIET afstand gedaan van zijn recht tot het mede kopen van na te melden onderneming.
(€ 294,000,00), welk bedrag door koper is voldaan door storting op een kwaliteitsrekening ten name van Willebois Notariaat (voorheen notariskantoor Geurts & Partners).
tijdstip feitelijke levering, baten en lasten, risico
AKTE VAN VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA
wilik ook wel.
5jaar.
1666,-
€4436,00
VENNOOTSCHAP ONDER FIRMA AANKOOP
VERKOPER: [de vrouw] (...), hierna te noemen vennoot sub 1
VERKOPER: [de man] (...), hierna te noemen vennoot sub 2
KOPER: [de neef] (...), hierna te noemen vennoot sub 3
€ 6500,00 (zesduizendvijfhonderdeuro), beginnend op december 2015 en eindigend op december 2024. (...)
Niet uit de balans blijkende verplichtingen
€ 500,- per persoon per dag of per dagdeel dat zij hieraan niet voldoen, met een maximum van € 50.000 per persoon en
2.Bespreking van het principale cassatieberoep
intuitu personae) is aangegaan. Een vennoot verbindt zich met
dezepersoon/personen en met geen ander(e) tot een duurzame, op wederzijds vertrouwen gebaseerde vennootschappelijke samenwerking, zodat uit- en toetredingen, tenzij anders overeengekomen, tot ontbinding van rechtswege van de vennootschap leiden. [25]
subonderdeel 1.2 [50] is rov. 23 te meer onjuist, althans onvoldoende begrijpelijk, “nu voor partijen over en weer vaststaat [51] dat het rapport van Adhoc voor geen van hen bindend is, zodat – zeker als uitgangspunt in cassatie – ook (daarom) niet valt in te zien waarom het niet valide is dat [de vrouw en de man [52] ] zich net zo min als aan (de uitkomst van) dat rapport zelf, ook niet gebonden achten aan de waarderingsmethode daarvan. Die methode is immers
conditio sine qua nonvoor (de uitkomst van) dat rapport en derhalve evenzomin bindend voor [de vrouw en de man].”
subonderdeel 1.4 [54] klaagt dat het hof zijn oordeel dat het de gronden van de vrouw en de neef om zich niet gebonden te achten aan het rapport van Adhoc niet valide acht, ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd (mede) heeft gebaseerd op zijn overweging dat uit het rapport van Adhoc volgt dat de opdracht daartoe “is gegeven door de v.o.f.” Indien het hof met die woorden doelt op de driepartijen vof, is die overweging volgens het subonderdeel niet – zo zonder meer – navolgbaar in het licht van de vaststelling door het hof (rov. 9) dat uit dat rapport volgt dat de opdrachtgevers daarvan (alleen maar) de vrouw en de man waren, noch in het licht van de vermelding in dat rapport zelf dat opdrachtgever ‘V.O.F. [A] ’ was. Mede gegeven ook dat bij de opname op 30 september 2015 (alleen) aanwezig waren de vrouw en de man (en dus niet [ook] de neef), maken die omstandigheden volgens het subonderdeel niet (voldoende) duidelijk dat opdrachtgever van het rapport de driepartijen vof zou zijn, en niet slechts de (gelijknamige voormalige) man-vrouw vof die sinds 1 januari 2015 in staat van vereffening verkeerde en/of de vrouw en de man in het kader van hun echtscheiding.
subonderdeel 1.5 [55] tot slot wordt geklaagd dat het hof zijn oordeel in rov. 23 ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, heeft gebaseerd op de overweging dat het doel van het rapport van Adhoc was “waarderen in het kader van de financiële afwikkeling van de v.o.f.” Hiertoe wordt kort gezegd opgemerkt dat niet valt in te zien dat of hoe het rapport van Adhoc in het teken kan hebben gestaan van financiële afwikkeling van de driepartijen vof (die immers ten tijde van het rapport nog gewoon bestond) en dus evenzomin waarom de gronden van de vrouw en de neef om zich niet gebonden te achten aan dat rapport (daarom) niet valide zouden zijn.
€ 600.000 in totaal, alzo een twee keer hogere waardering dan het hof heeft aangenomen. In het licht daarvan valt volgens het subonderdeel – zo zonder nadere redengeving – niet (meer) in te zien waarom daarbij niet zou zijn uitgegaan van een waardering op basis van toekomstige kasstromen.
onderneming. De klachten missen derhalve feitelijke grondslag.
uit hoofde van verdelingen de gemeenschap van de vof pas door de ontbinding op 1 maart 2016 voor verdeling vatbaar was, is het niet onbegrijpelijk dat het hof (in navolging van de rechtbank) uitgaat van een slotbalans per datum van ontbinding.