Conclusie
1.Feiten en procesverloop
single-als
double-actionschieten [1] .
Blue View.(BPS is het bedrijfsprocessensysteem van de eigen politieregio;
Blue Viewzoekt naar alle gevraagde informatie in de systemen van andere politieregio’s). Uit het uittreksel van de Justitiële Informatiedienst bleek dat de schutter in 2002 een transactie aangeboden had gekregen voor het afsteken van vuurwerk buiten de toegestane periode en in 2007 een transactie voor een snelheidsovertreding. In dit uittreksel stonden de in rubriek 1.1.4 genoemde incidenten uit 2003 niet vermeld. Deze waren wel vermeld in het overzicht van registraties uit de verschillende politiesystemen, dat een medewerkster (G06) van de BUV in de vorm van een pdf-bestand aan medewerker G05 stuurde.
Blue Viewregistratie-rapport van 21 april 2011 vermeldt ten name van de schutter onder meer: tweemaal overlast van/door jeugd, driemaal verdachte situatie, eenmaal hulpverlening overige instanties [8] .
letsel- en overlijdensschade, die het gevolg is van het vuurwapengebruik door de schutter dat op 9 april 2011 in Alphen aan den Rijn heeft plaatsgevonden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2011 tot aan de dag der voldoening. Voor zover de vordering betrekking had op andere schade, is zij afgewezen [14] .
ongeschrevenrecht in het maatschappelijk verkeer betaamt [15] .
moetworden geweigerd (niet mag worden verlengd), indien er reden is om te vrezen dat aan de aanvrager het voorhanden hebben van een vuurwapen niet kan worden toevertrouwd of wanneer er vrees is voor misbruik van het wapen, welke reden er al is bij geringe twijfel. Ook die – materiële – norm is geschonden.”
specifiekdoel wordt nagestreefd met de weigeringsgronden van art. 7, lid 1, aanhef en onder b en c, WWM voor een wapenverlof, moet eveneens worden teruggegrepen op de voorganger van de WWM, de Vuurwapenwet 1919.
misdadigers, zieken van geest en kinderen” zich op legale wijze van een vuurwapen zouden kunnen voorzien en daarmee een misdrijf of zelfmoord zouden kunnen plegen. Van belang werd geacht een wet te maken “
opdat geen personen met wapenen rondloopen, aan wie zij niet zijn toevertrouwd”. De bedoelde machtiging kon dan ook alleen worden verleend indien een redelijk belang dat vorderde en misbruik van de machtiging of het wapen niet viel te vrezen. “
Hier komt de persoonlijkheid van den aanvrager in het geding, waaromtrent de politie zich zal hebben te vergewissen”.
vrijwel perfect” genoemd (Kamerstukken II 1976-1977, 14 413, nrs 1-3, pg. 20). Aangenomen moet dan ook worden dat de wetgever beoogd heeft in zoverre de regeling van het legale bezit van wapens uit de Vuurwapenwet 1919 inhoudelijk ongewijzigd voort te zetten met onder meer het verbod van art. 26 WWM Pro en de weigeringsgronden van art. 7, lid 1, WWM die (net als in de Vuurwapenwet 1919 het geval was) zien op het vereiste van een redelijk belang en de vrees voor misbruik van het wapen.
condicio sine qua non-verband) ontbreekt tussen de gestelde normschending door de Politie en de gestelde schade, omdat de schutter ook zonder het verleende wapenverlof wel op enigerlei wijze (illegaal) aan de vuurwapens zou zijn gekomen.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Code Civil, die in de negentiende eeuw model stond voor het Nederlandse wetboek, vereiste voor aansprakelijkheid: een
faute(een onrechtmatige daad die aan de dader kan worden toegerekend), schade en oorzakelijk verband tussen beide (zie art. 1382 en Pro 1383 Code Civil [20] ). Aanvankelijk werd ook in Nederland deze rechtsopvatting gevolgd. In 1928 heeft de Hoge Raad het relativiteitsvereiste toegepast, in een geval waarin een grondeigenaar schadevergoeding vorderde van de Staat omdat deze een voornemen tot onteigening van zijn grond kenbaar had gemaakt zonder het onteigeningsbesluit ter inzage te leggen op de wettelijk voorgeschreven wijze. Volgens de eigenaar was het resultaat hiervan dat dit stuk grond praktisch onverkoopbaar werd. De Hoge Raad overwoog dat de verplichting tot terinzagelegging slechts ten doel heeft, de grondeigenaar te beschermen tegen een ongerechtvaardigde ontzetting uit zijn eigendom. Het voorschrift was niet bedoeld om de grondeigenaar te beschermen tegen nadelen die mochten voortvloeien uit een aanwijzing van zijn goed ter onteigening [21] .
nietis beoogd daarmee de belangen van de benadeelde te beschermen [25] . De toelichting vermeldde dat door de toename van het aantal wettelijke voorschriften in de twintigste eeuw de kans is toegenomen dat een handeling in strijd komt met enig wettelijk voorschrift. Daardoor kunnen zich meer gevallen voordoen waarin schadevergoeding wordt gevorderd wegens overtreding van een wettelijk voorschrift dat met een ander doel tot stand is gebracht. Elders was het relativeringsvereiste in de wet opgenomen: wat onrechtmatig is jegens de één, behoeft niet onrechtmatig te zijn jegens de ander. Zo ook in het Duitse recht [26] . Na de bepaling in het eerste lid van par. 823
Bürgerliches Gesetzbuchover de inbreuk op het recht van een ander die tot schadevergoeding verplicht, vermeldt het tweede lid: “
Die gleiche Verpflichtung trifft denjenigen, welcher gegen ein den Schutz eines Anderen bezweckendes Gesetz verstoβt”. Aan de hand hiervan wordt onderzocht (i) of de benadeelde behoort tot de kring van personen die door de geschonden norm wordt beschermd (het ‘
persönlicher Schutzbereich’) en (ii) of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen het type schade dat is geleden (het ‘
sachlicher Schutzbereich’).
nietbeschermt tegen de schade, zoals hij deze heeft geleden. Men zie de toelichting”.
negatiefgeformuleerde maatstaf: er bestaat géén recht op schadevergoeding wanneer de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. In de praktijk wordt dikwijls een positieve formulering van het relativiteitsvereiste gebruikt [29] . Deze formulering kan in de eerste plaats van belang zijn wanneer het gaat om een wettelijke norm die twee of meer doelen tegelijk dient [30] : toewijzing van een schadeclaim is reeds mogelijk indien de geschonden norm
medestrekt tot bescherming tegen schade zoals de benadeelde die heeft geleden. Daarnaast heeft de keuze voor een negatieve formulering betekenis voor de stelplicht. Afgaande op de wettekst ligt het, in beginsel, op de weg van de tot schadevergoeding aangesproken partij om tot verweer aan te voeren dat, en waarom, de geschonden norm
nietstrekt tot bescherming tegen schade zoals de benadeelde die stelt te hebben geleden. Zo ook in dit geval: het hof heeft, blijkens overweging 7.1, het relativiteitsvraagstuk opgevat als een verweer van de Politie. De Hoge Raad verwerpt echter de opvatting dat art. 6:163 BW Pro ervan uitgaat dat een norm in beginsel strekt ter bescherming van allen die als gevolg van overtreding ervan schade kunnen lijden, en wel tegen alle schade die aan de dader op de voet van art. 6:98 BW Pro als gevolg van de overtreding kan worden toegerekend [31] . Aan de hand hiervan wordt in de vakliteratuur aangenomen dat de rechter – die verplicht is tot het aanvullen van de rechtsgronden –
ambtshalve, onafhankelijk van de door partijen aangehangen rechtsbeschouwingen, zal moeten vaststellen of de overtreden norm in het gegeven geval wel of niet strekt tot bescherming tegen schade zoals die door de benadeelde partij is geleden [32] . Een benadeelde die als eisende partij optreedt, is niet verplicht om een vindplaats in de toelichting op het wetsvoorstel of elders in de parlementaire geschiedenis aan te wijzen, waaruit blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd ook schade zoals door hem of haar geleden, te laten vergoeden door de overtreder van het voorschrift.
- Bij ‘inbreuk op een recht van een ander’ is meestal wel duidelijk tot bescherming van wiens recht de norm strekt.
- Bij ‘doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt’ kan − naast zorgvuldigheidsnormen die uitsluitend strekken ter bescherming van belangen waarop de dader bedacht moest zijn − worden gedacht aan gevallen van gevaarzetting zoals aan de orde in het Kelderluik-arrest
objectiefworden vastgesteld. Een ieder wordt geacht de wet te kennen: daarom behoeft bij handelen in strijd met een
wettelijkeverplichting niet afzonderlijk te worden onderzocht of de betrokkene bedacht was, althans behoorde te zijn, op de belangen die de geschonden wettelijke verplichting beoogt te beschermen.
zwijgenvan de wetgever een bepaald beschermingsbereik mag worden afgeleid.
jegens een andergepleegde onrechtmatige daad
.
in algemene zinte bevorderen. Daaronder werd mede verstaan: het voorkomen van ongevallen als gevolg van ondeugdelijkheid van de aan het Rijnvaartverkeer deelnemende vaartuigen waarvoor het ‘certificaat van onderzoek’ is vereist. Het hof onderscheidde daarnaast een bijzondere norm, die betrekking heeft op de zorgvuldigheid waarmee het onderzoek moet worden verricht dat aan de afgifte van het certificaat ten grondslag ligt. Ook deze zorgvuldigheidseisen beogen bij te dragen aan het bevorderen van de veiligheid van het scheepvaartverkeer
in algemene zin, maar dat wil niet zeggen dat deze zorgvuldigheidseisen strekken tot bescherming van een individueel vermogensbelang van derden die schade lijden doordat een onvoldoende zorgvuldig gekeurd schip een ongeval veroorzaakt. De Hoge Raad oordeelde dat het hof de toepasselijke maatstaf niet had miskend [40] .
doelis volgens Hijma nog niet de
strekkingvan een bepaalde gedragsnorm gegeven [41] . Dat kwaliteitseisen worden gesteld aan schepen die aan het scheepvaartverkeer deelnemen, kan dienstig zijn voor dat doel. Door middel van de eis van een geldig certificaat van onderzoek kan een vorm van toezicht worden gehouden op de technische kwaliteit van schepen die aan dat scheepvaartverkeer deelnemen, ook al biedt het technisch onderzoek slechts een momentopname. Het feit dat kwaliteitseisen worden gesteld aan de technische keuring die aan de certificering vooraf gaat, kan evenzeer dienstig zijn voor dat doel. Maar dan moet nog steeds worden vastgesteld: (i) tot welke personen, (ii) tot welke schade en (iii) tot welke wijzen van ontstaan van schade de met die norm beoogde bescherming zich uitstrekt.
medeten doel heeft: het financiële belang van een polishouder, zoals dat voorzienbaar is gemoeid met een deconfiture van de verzekeraar, te beschermen. Volgens de Hoge Raad strookt het met het stelsel van de wet, het doel van dit toezicht en de bedoeling van de wetgever, zoals daarvan uit de parlementaire geschiedenis blijkt, dat dit wettelijk toezicht – naast het
algemene belangvan bescherming en bevordering van het vertrouwen in het verzekeringswezen – mede beoogt de
individuele vermogensbelangenvan (kort gezegd) de polishouders zo goed mogelijk te beschermen tegen het gevaar dat de verzekeraar niet aan zijn verplichtingen tegenover de betrokken polishouders kan voldoen en mede beoogt te bewerkstelligen dat het risico van een deconfiture van de verzekeraar zo gering mogelijk is. In die zaak ging het – anders dan in dit schietincident – om aansprakelijkheid van een toezichthouder [43] .
intermezzo: in het bestuursrecht is een relativiteitsvereiste bekend uit art. 8:69a Awb:
kennelijk– dat wil zeggen: evident – niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich er op beroept. Dit komt tegemoet aan het bezwaar dat het soms niet eenvoudig is om het beschermingsbereik van een norm vast te stellen en dat een relativiteitsvereiste daarom veel extra werk voor de rechter zou meebrengen.”
Trb. 1971, 41). Deze overeenkomst bevatte een bijlage met gemeenschappelijke bepalingen, waarvan met name van belang is de indeling van wapens en munitie in drie categorieën. Verbodsbepalingen en voorschriften varieerden per categorie. Deze Benelux-overeenkomst is niet geratificeerd door België en nimmer in werking getreden. Niettemin heeft Nederland, mede in verband hiermee, de Vuurwapenwet 1919 vervangen door de Wet wapens en munitie (wet van 5 februari 1986, Stb. 41, in werking getreden op 1 september 1989) [53] . Uit de parlementaire behandeling van het wetvoorstel heeft het hof aangehaald:
maatschappelijkbelang van een veilige samenleving te dienen en
in algemene zinde veiligheid van burgers en de samenleving te bevorderen. De klacht houdt in dat het gerechtshof heeft miskend dat deze normen niet strekken ter bescherming van individuele (vermogens)belangen van burgers, zoals eisers, die schade lijden doordat degene aan wie verlof is verleend tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, met dat vuurwapen een misdrijf pleegt. Dit geldt te meer, omdat het verlenen van het wapenverlof een onbepaalde, in beginsel onbegrensde groep van mogelijke benadeelden raakt. Misbruik van het verleende wapenverlof kan op een vooraf niet te voorziene wijze tot uiteenlopende vormen van schade leiden. Voor zover het hof ervan uitgaat dat de geschonden norm niet slechts die van een zorgvuldige besluitvorming is, maar tevens de ‘materiële norm’ die aan art. 7, lid 1, aanhef en onder b en c, Wwm ten grondslag ligt, doet dit hieraan niet af, aldus
onderdeel 1.3.
zoals die ten tijde van het verlenen (respectievelijk de verlenging) van het wapenverlofgold. Deze middelonderdelen kunnen gezamenlijk worden behandeld.
persoonlijkeveiligheid. Meer concreet: het belang van personen om niet door kogels uit een vuurwapen waarvoor het verlof is verleend, te worden getroffen. De omstandigheid dat ten tijde van de beslissing over de aanvraag wapenverlof niet bekend is,
wiedoor een kogel uit het legaal verkregen vuurwapen zou kunnen worden getroffen, doet er niet aan af dat de norm van art. 7, lid 1, aanhef en onder b en c, Wwm mede het belang van de persoonlijke veiligheid beschermt. Daarom kan naar mijn mening de Politie ook niet staande houden dat de kring van personen niet af te bakenen is: de norm beschermt alleen de personen die door een kogel uit een vuurwapen waarvoor het wapenverlof is verleend kunnen worden getroffen.
medetot bescherming van het belang van de persoonlijke veiligheid van individuen strekt. Ook al was onbekend wie het slachtoffer zou worden en op welke tijd en plaats, het enkele feit dát bij het te vrezen misbruik van het vuurwapen personen door kogels kunnen worden getroffen met dood of verwonding tot gevolg, was voorzienbaar op de dag waarop de korpschef over de aanvraag wapenverlof besliste. Het aantal slachtoffers of de
omvangvan de schade als gevolg van letsel of overlijden (die per slachtoffer kan verschillen) behoeft op het tijdstip van het onrechtmatig handelen niet voorzienbaar te zijn. In de schriftelijke toelichting in cassatie namens de Politie is gewezen op het onderscheid tussen het doel en de beschermingsomvang van een wettelijke norm [66] . Het woord ‘beschermingsomvang’ ziet op het beschermingsbereik van de norm; met andere woorden, op de vraag “tot welke schade en welke wijzen van ontstaan van schade de daarmee beoogde bescherming zich uitstrekt”. Dat is precies het onderscheid dat het hof heeft gemaakt: schade door letsel of overlijden als gevolg van schotwonden valt wel onder het beschermingsbereik van de geschonden norm; andersoortige schade niet. Mijn slotsom is dat de klachten van onderdeel 1 falen.
condicio sine qua non-toets [67] . Bij deze toets wordt de werkelijk bestaande situatie na de onrechtmatige daad vergeleken met de denkbeeldige situatie alsof de onrechtmatige gedraging niet had plaatsgevonden. Indien in de denkbeeldige situatie zonder onrechtmatige daad de schade zich niet zou hebben voorgedaan, is sprake van een (negatief) oorzakelijk verband. Anders gezegd: de onrechtmatige gedraging is een voorwaarde (‘
condicio sine qua non’,
c.s.q.n.) geweest voor het intreden van de schade. Zo ook hebben de eisers in deze zaak geredeneerd: indien het onrechtmatig handelen van de korpschef van het korps PHM wordt weggedacht en het wapenverlof zou zijn geweigerd, zou de schutter naar verwachting niet de beschikking hebben gehad over de vuurwapens die hij in winkelcentrum ‘de Ridderhof’ heeft gebruikt.
c.s.q.n.-toets is een hulpmiddel. In sommige gevallen schiet deze toets tekort en kan niettemin oorzakelijk verband worden aangenomen tussen een onrechtmatige gedraging en de gestelde schade. Zie reeds de toelichting-Meijers [68] :
afzonderlijk (gelijktijdig) werkende oorzaken [70] .
doorbreking of onderbreking van de causaliteit. Dit betreft gevallen waarin de schade als gevolg van de ene oorzaak reeds is ingetreden voordat een andere, chronologisch eerdere, oorzaak haar volle werking had. Een voorbeeld hiervan is het met een dodelijk middel vergiftigde paard dat nog vóórdat het gif zijn volle werking heeft, komt te overlijden als gevolg van een brand [71] . Een heel strikte toepassing van de
c.s.q.n.-toets zou tot het resultaat leiden dat geen van beide oorzaken een noodzakelijke voorwaarde is voor het intreden van de schade: voor beide oorzaken geldt immers dat, indien één van beide wordt weggedacht, de schade intreedt als gevolg van de andere oorzaak.
hypothetische causaliteit (veronderstelde veroorzaking). Dit betreft de situatie waarin een onrechtmatige daad heeft geleid tot een bepaalde schade, terwijl aannemelijk is dat dezelfde schade ook zonder deze oorzaak zou zijn ingetreden door een andere (latere) oorzaak. Een fictief voorbeeld is de auto die als gevolg van een aanrijding als ‘
total loss’ is aan te merken, terwijl vast staat dat − de aanrijding weggedacht – de auto even later toch zou zijn vernietigd als gevolg van een bomaanslag. Een heel strikte toepassing van de
c.s.q.n.-toets leidt ook in dit voorbeeld tot de gevolgtrekking dat de eerste oorzaak (de aanrijding) geen noodzakelijke voorwaarde was voor het intreden van de schade. In zulke gevallen mag de rechter oordelen dat het oorzakelijk verband tussen de eerste oorzaak (in dit voorbeeld: de aanrijding) en de schade (auto
total loss) niet wordt verbroken door de latere (hypothetische) oorzaak. Een voorbeeld is het arrest
Bedrijfsverplaatsing Budel [72] .Een ondernemer vorderde van de gemeente vergoeding van schade die het gevolg was van het niet nakomen van de toezeggingen van de voormalige wethouder. Het hof wees de vordering af op de grond dat het oorzakelijk verband ontbrak, omdat het realiseren van het bedrijf op het beoogde terrein toch niet mogelijk zou zijn geweest, omdat de Kroon in 1985 de daartoe benodigde Hinderwetvergunning had geweigerd. De Hoge Raad oordeelde dat die beslissing blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting:
onderdeel 2.1dat dit oordeel rechtens onjuist is, althans ontoereikend gemotiveerd.
illegaalverkregen wapens plaatsvindt, blijkt dat dergelijke plannen ook (kunnen) worden verwezenlijkt zonder de beschikking te hebben over een wapenverlof;
stelling onder imerk ik nog op dat de aangevoerde omstandigheid dat de schade
rechtstreeksgevolg is van het eigen onrechtmatig handelen van de schutter, niet uitsluit dat de schade
tevens indirecthet gevolg is van het door de korpschef verleende (en later verlengde) wapenverlof. Twee of meer schadeoorzaken kunnen naast elkaar bestaan. In zoverre levert de stelling onder i geen deugdelijke betwisting op van het oorzakelijk verband. Onderdeel 2.2 faalt.
nietzou hebben begaan als de korpschef hem het wapenverlof
nietzou hebben verleend.
c.s.q.n.-)verband tussen het onrechtmatig handelen van de Politie en de schade van eisers ontbreekt.
c.s.q.n.-toets ten onrechte verabsoluteerd. Inderdaad is denkbaar dat iemand feitelijk de beschikking krijgt over een of meer vuurwapens en munitie zonder een geldig wapenverlof. In zoverre is juist, dat het hebben van een wapenverlof niet een onmisbare voorwaarde (
condicio sine qua non) is voor het schieten met een vuurwapen op personen met dood of letsel tot gevolg. Dit neemt niet weg, dat het hebben van een geldig wapenverlof het aanzienlijk gemakkelijker maakt om de daarvoor benodigde vuurwapens en munitie te verkrijgen, te vervoeren, te bewaren en voorhanden te hebben dan in het illegale circuit mogelijk zou zijn. Juist met zijn verwijzing naar Parl. Gesch. BW Boek 6, blz. 340 heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat – en waarom − zich desniettemin een situatie voordoet waarin oorzakelijk verband kan worden aangenomen. Onderdeel 2.3 faalt.
afwezigheidvan oorzakelijk verband te stellen en te bewijzen. Deze klacht mist feitelijke grondslag. De slotsom is dat alle klachten van onderdeel 2 falen.
.In dat kader zal ook wat naar objectief inzicht voorzienbaar of waarschijnlijk was, een rol kunnen spelen [76] .
rechtstreeksis veroorzaakt door het verlenen van het wapenverlof, maar dat zich tussen de verlening van dit verlof en de schade allerlei schakels bevinden (in het bijzonder: beslissingen en handelingen van de schutter zelf), en dat sprake is van een te ver verwijderd verband om het handelen van de schutter nog te kunnen toerekenen aan de Politie;
aard van de geschonden normmeebrengt dat minder hoge eisen behoeven te worden gesteld aan de voorzienbaarheid van de schade. De Politie had bij het hof aangevoerd [82] (en het hof heeft in rov. 8.3 ook vastgesteld) dat de aansprakelijkstelling is gegrond op een onzorgvuldigheid bij het beoordelen van de aanvraag wapenverlof. De onzorgvuldigheid bestond hierin, dat bepaalde gegevens, hoewel bij het korps PHM bekend, niet zijn meegenomen in de beoordeling van deze aanvraag wapenverlof. Volgens het middelonderdeel kan dit niet rechtvaardigen dat minder hoge eisen dan normaal worden gesteld aan de voorzienbaarheid van de schade.
veiligheidsnorm [85] . Het oordeel dat in dit geval sprake is van een veiligheidsnorm die, bij overtreding, rechtvaardigt dat aan de voorzienbaarheid van de schade minder hoge eisen worden gesteld, is om deze redenen niet in strijd met enige rechtsregel. Onderdeel 3.1 faalt.
voorzienbaarheidvan de schade. Het middelonderdeel noemt met name twee stellingen [86] , die inhielden:
op grond daarvantoerekening achterwege zou moeten blijven (overweging 9.7). De klacht dat het hof niet is ingegaan op dit verweer mist daarom feitelijke grondslag.
moetworden aan een aanvrager aan wie een vuurwapen niet kan worden toevertrouwd omdat vrees voor misbruik van het wapen bestaat (overwegingen 7.21 en 8.3). De aard van deze veiligheidsnorm brengt volgens het hof met zich mede dat aan de voorzienbaarheid van de schade minder hoge eisen worden gesteld (overweging 9.5). De klacht dat het hof niet is ingegaan op dit verweer mist daarom feitelijke grondslag. Onderdeel 3.2 faalt.
anderenzou opleveren [88] .
legaalvuurwapen; circa 97% van alle dodelijke incidenten met wapens in Nederland is gerelateerd aan
illegalewapens. Volgens de klacht heeft het hof, in het licht van deze stelling, niet als onbetwist kunnen aannemen dat ten tijde van de beslissing over de aanvraag wapenverlof algemeen bekend was dat bij suïcide met een vuurwapen ook andere slachtoffers kunnen vallen. Voorts bestrijdt de Politie de juistheid van het oordeel dat hier sprake is van een feit van algemene bekendheid. Voor zover al gezegd zou kunnen worden dat
in het algemeende mogelijkheid voorzienbaar is dat bij een suïcide met een vuurwapen ook andere personen slachtoffer worden, geldt in dit geval dat ten tijde van de verlening van het wapenverlof de schade niet
in concretovoorzienbaar was, ook niet in combinatie met de gronden onder a en b. De vierde deelklacht, onder d, is gericht tegen rov. 9.7, voor zover het hof daar overweegt dat voor de hand ligt dat wanneer tegen anderen misbruik wordt gemaakt van een vuurwapen, dit kan leiden tot letsel en dat er (een) gewonde(n) zo niet dode(n) val(t)len. Volgens de klacht is dit oordeel onbegrijpelijk bij gebreke van een nadere motivering.
illegalewapens – waarvan het hof de juistheid in het midden laat − sluit niet uit dat destijds algemeen bekend was dat bij een suïcide met een vuurwapen (legaal of illegaal verkregen) ook andere slachtoffers kunnen vallen. Uit die stelling volgt hoogstens dat de kans dat een suïcide met voorafgaande homicide in Nederland plaatsvindt met behulp van een of meer illegale vuurwapens statistisch aanzienlijk groter is dan de kans dat dit gebeurt met een legaal vuurwapen. Uit die stelling volgt niet dat een suïcide met voorafgaande homicide zich niet evenzo zou kunnen voordoen met behulp van een legaal verkregen vuurwapen, zeker indien er een aanwijzing bestaat voor suïcidegevaar van de persoon die het vuurwapenverlof heeft aangevraagd.
in concretomogen aannemen: bij de Politie was ten tijde van de verlofverlening bekend dat de schutter in 2006 in bewaring was gesteld vanwege suïcidale gedachten en was bekend dat de schutter in 2003 betrokken is geweest bij de luchtbuksincidenten. Daarenboven kan het risico van suïcide aanleiding zijn voor onvoldoende vertrouwen in de zelfbeheersing van de aanvrager ten aanzien van het gebruik van het wapen. De klacht onder d bouwt voort op de klachten onder a en b en deelt het lot daarvan.