Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
door niet-nakoming van verplichtingen uit eenshare purchase agreement
(SPA) enFirst Addendum
(FA) naar Pools recht, strekkende tot levering van een 21%-belang in een staatsdeelneming waarvoor de vereiste ministeriële goedkeuring was verlopen en na een regeringswissel onrechtmatig niet meer is vernieuwd. Als bedrijfsmiddel te activeren deelneming? Deelnemingsvrijstelling? (Pre)contractuele fase? Gesplitst belang? Recht op levering? Zo ja: causaal verband (‘uit hoofde van’)? Toepassing HR BNB 2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht); uitleg van Pools recht; strijd met een goede procesorde bij het stellen van vragen over Pools recht aan het Internationaal Juridisch Instituut?
control premium(9.18-9.21)
1.Overzicht
Settlement & Divestment Agreement(S&DA) gesloten op grond waarvan zij een vergoeding ad € 1,16 miljard heeft ontvangen en zich verplichtte om minstens een 15%-belang te verkopen om haar
control rightsop te geven.
geschilis of de vergoeding is vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstelling ex art. 13(1) Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb). Het Hof heeft € 248.468.120 toegerekend aan belanghebbendes voordien al bestaande deelneming (aan het bestaande belang dat zij na sluiten van het S&DA heeft afgestoten) en daarom is vrijgesteld. De Staatssecretaris bestrijdt dat oordeel niet (meer), zodat het in cassatie gaat om slechts € 913.485.736.
Rechtbank Gelderlandheeft geoordeeld dat (i) de vergoeding geen verband hield met de al bestaande 33%-deelneming, (ii) het 21%-pakket niet kon worden aangemerkt als een van een deelneming afgesplitst belang en (iii) er geen reden was om te twijfelen aan de stelling van de Inspecteur dat de vergoeding haar grond vond in wanprestatie.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenheeft het hogere beroep van de belanghebbende deels gegrond verklaard omdat zij € 248.468.120 van de vergoeding vrijgesteld achtte als terug te voeren op belanghebbendes terugtreden als grootaandeelhouder en haar opgeven van
control rights. Voor het overige viel de vergoeding volgens het Hof niet onder de deelnemingsvrijstelling omdat belanghebbendes aanspraak op het niet-verworven 21%-pakket geen afgesplitst belang vergelijkbaar met een optie vormde in de zin van de
Falcons-rechtspraak en ook (nog) geen (realiseerbaar) recht op levering bestond van dat pakket zoals bedoeld in HR
BNB2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht).
cassatiemiddelenvoor. Behalve middel (ii), gaan alle middelen over de vraag of de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. Vier middelen ((i), (iii), (iv) en (v)) gaan over de vraag of een deelneming bestond ter zake van het uiteindelijk niet-verkregen 21%-belang in [D] : of dat niet-verkregen belang niettemin (kortstondig) een deelneming was, waarbij middel (i) stelt dat de belanghebbende een van dat 21%-belang afgesplitst, optie-achtig belang heeft gehad in de zin van HR
BNB2003/34 (
Falcons), en de middelen (iii), (iv) en (v) stellen dat zij een recht op levering van dat 21%-belang heeft gehad (en een plicht tot betaling jegens de RoP) dat tot activering van dat recht als bedrijfsmiddel leidde in de zin van HR BNB 2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht). Twee middelen ((vi) en (vii)) gaan over de mate van het causale verband (‘uit hoofde van’) tussen belanghebbendes
voordienal bestaande 33%-deelneming en specifieke componenten van de schadevergoeding. Middel (ii) acht de goede procesorde geschonden bij ’s Hofs inwinnen van inlichtingen over Pools recht. Ik vat de middelen als volgt samen:
BNB2003/34 (
Falcons) omdat de partijen met die overeenkomst geen gesplitst belang zouden hebben beoogd.
expert opinionvan het IJI is gebaseerd op onjuiste en onvolledige informatie;
pro ratamoet worden toegerekend aan gemiste waardestijging van het niet-verkregen 21%-pakket, maar in r.o. 4.18 oordeelde dat de belanghebbende geen afdwingbaar recht op levering van dat pakket had; en
Initial Public Offering) en de hogere waarde in het economisch verkeer van de door de belanghebbende af te stoten minimale 15%) slechts als een door de partijen beoogde vergoeding aan te merken voor zover ziende op het 15% [D] -pakket dat de belanghebbende volgens de S&DA bij de beursgang ten minste moest verkopen, in plaats van de gehele IPO-discount (voor de volle 20% die zij daadwerkelijk heeft verkocht) aan te merken als vrijgesteld.
BNB2017/11 en dat zijn oordeel dat de partijen niet voorafgaand aan de koop tevens optierechten hebben beoogd of bewerkstelligd, feitelijk en geenszins onbegrijpelijk is, zodat het middel faalt;
final agreementtot stand is gekomen of bij de Poolse burgerlijke rechter tot stand zou (kunnen) zijn gekomen (wat het Hof niet doet, hetgeen ik geenszins onbegrijpelijk acht), hoe dan ook het (alsnog) ontbreken van de publiekrechtelijk vereiste ministeriële toestemming tot beursgang en/of tot levering zodanig in de weg staat aan effectuering van een eventueel (maar volgens het Hof niet-bestaand) privaatrechtelijk leveringsrecht, dat naar Nederlands belastingrecht belanghebbendes aanspraak op het 21%-belang geen te activeren bedrijfsmiddel ‘deelneming’ heeft doen ontstaan. Ten overvloede meen ik dat het middel een feitelijke vaststelling (r.o. 2.13) bestrijdt die niet onbegrijpelijk is, dat het Hof in r.o. 4.18 de juiste maatstaf heeft aangelegd, en dat zijn overigens feitelijke oordeel voldoende is gemotiveerd;
State Treasurydoor de Poolse burgerlijke rechter had kunnen worden veroordeeld tot medewerking aan beursgang en aan levering van de aandelen door opnieuw verlenen van de vereiste publiekrechtelijke toestemming. Ik acht daarom niet onbegrijpelijk dat het Hof ervan uitgaat dat dat niet het geval is, noch diens oordeel dat een privaatrechtelijke veroordeling tot nakoming van het FA – dat volgens het Hof slechts een (naar Nederlands recht precontractueel)
preliminary agreementis, hetgeen mij evenmin een onbegrijpelijk oordeel lijkt - niet het gebrek kan helen dat de publiekrechtelijk vereiste ministeriële toestemming ontbreekt en daarom niet tot levering kan leiden. Met het Hof (r.o. 4.19) meen ik – c.q. ik acht geenszins onbegrijpelijk het oordeel - dat dat ontbreken zodanig in de weg staat aan executie van een eventueel privaatrechtelijk vonnis dat daardoor naar Nederlands belastingrecht geen te activeren bedrijfsmiddel ‘deelneming’ is ontstaan, ook niet als het
preliminary agreementeen
strong preliminary agreementwas;
omdathij belanghebbendes mogelijke aanspraken op levering zodanig gefrustreerd achtte door de (onrechtmatige, want BIT-strijdige) onthouding van ministeriële goedkeuring(en) dat geen te activeren bedrijfsmiddel ‘deelneming’ is ontstaan met betrekking tot dat belang. Dat lijkt mij juist consistent;
lock upzou omvatten, lijkt mij evenmin onbegrijpelijk.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
share purchase agreement(SPA) met de
State Treasury of the Republic of Poland(RoP) overeengekomen dat zij zou deelnemen in het (tot dan toe) staatsbedrijf
[D]( [D] ), dat een groot aandeel in de Poolse verzekeringsmarkt bezat. Op de SPA is Pools recht van toepassing. Op 5 november 1999 heeft de belanghebbende samen met een Poolse partner,
[E] S.A. ( [E] ), een 30%-belang in [D] verworven (10% voor [E] ; 20% voor de belanghebbende). Dit consortium heeft bovendien, na statutenwijziging van [D] , als strategische partner meer zeggenschapsrechten (
corporate governance rights) in [D] gekregen dan correspondeert met een 30%-aandelenbelang. De SPA bepaalt onder meer (de ‘Seller’ is de RoP en de ‘Buyers’ zijn de belanghebbende en [E] ):
First Addendum(FA) bij de SPA vastgelegd dat [D] naar de beurs zou gaan en dat bij de belanghebbende een 21%-belang zou worden geplaatst. Ook op het FA is Pools recht van toepassing. Het FA bepaalt onder meer:
nine-elevenaanslagen in de VS en de overwinning van de (tot dan toe) oppositiepartij SLD bij de Poolse parlementsverkiezing in september 2001, was bevriezing van verdere privatisering van [D] te verwachten. De demissionaire nog zittende regering en de belanghebbende zijn daarom op 4 oktober 2001 in een
Second Addendum(SA) onderhandse verkoop van het 21%-pakket aan de belanghebbende overeengekomen. Ook op dit SA is Pools recht van toepassing. Op 3 oktober 2001 had de belanghebbende de in art. 5.4 FA genoemde toestemming van de Poolse minister van Financiën verkregen om een meerderheidsbelang in [D] te verwerven, mits het 21%-belang uiterlijk 31 december 2001 door de belanghebbende zou worden verworven. Het SA bepaalde dat als die in het FA voorgenomen beursgang van [D] niet zou plaatsvinden vóór 31 december 2001, de partijen een onderhandse verkoop van het 21%-pakket overeen kwamen voor PLN 153 per aandeel. De inwerkingtreding van het SA was afhankelijk van een aantal vereisten, waaronder toestemming/medewerking van de minister van
State Treasury(dat is een andere minister dan die van Financiën). Die toestemming/medewerking is nooit verkregen, waardoor het SA nooit van kracht is geworden, omdat de nieuwe Poolse regering het privatiseringsbeleid heeft gewijzigd en op 23 november 2001 goedkeuring heeft onthouden aan het door de Poolse toezichthouder goedgekeurde prospectus voor de beursgang. In april 2002 heeft de nieuwe Poolse regering besloten een beheersend belang in [D] te behouden en heeft zij gebruik gemaakt van de clausule op basis waarvan zij zich terug kon trekken uit het SA, waarmee het SA ook formeel verviel. De nieuwe regering heeft een
Third Addendumvoorgesteld met een sterkere positie voor de RoP en een zwakkere voor de belanghebbende binnen [D] . De belanghebbende heeft dat voorstel afgewezen. De belanghebbende heeft het ondershands te verwerven 21%-belang aldus niet kunnen verwerven.
bilateral investment treaty(BIT)) tussen Nederland en Polen. Bij
partial awardvan augustus 2005 heeft het op basis van het BIT ingestelde arbitragetribunaal de handelwijze van de RoP in strijd met het BIT geoordeeld:
panelin een vervolgprocedure bepaald worden bij
final award. Lopende de arbitrageprocedure heeft de belanghebbende in december 2004 het 10%-belang van (voorheen) [E] in [D] verworven en in de periode 2001-2006 nog eens 3% in [D] bijgekocht, zodat zij in totaal 33% in [D] bezat. In november 2007 is de tweede fase van de arbitrage begonnen. Die is opgeschort nadat in januari 2009 de RoP niet wilde ingaan op een door de belanghebbende bij de Rechtbank Warschau ingediende
call for settlement, maar wel bereid bleek tot een
cash settlementin combinatie met afbouw van belanghebbendes belang in [D] . De belanghebbende was daartoe bereid als zij gecompenseerd zou worden voor het mislopen van de waardestijging van het 21%-pakket en het opgeven van bestaande rechten. Op 1 oktober 2009 is een
Settlement and Divestment Agreement(S&DA) gesloten op basis waarvan de belanghebbende in 2009 een dividend ad € 861.650.459 heeft ontvangen uit een kortlopend vruchtgebruik op aandelen [D] , door de RoP gevestigd ten gunste van een daartoe door de belanghebbende opgerichte SPC [2] . Aldus kon de vergoeding uit het [D] -vermogen worden geput, zulks om rechtstreeks beslag op het overheidsbudget te vermijden. Daarnaast heeft zij in 2010 de IPO-prijs (de beurskoers ten tijde van de uitvoering van de S&DA op 12 mei 2010) ontvangen voor 4,9% van de aandelen die in het bezit waren van de RoP (€ 300.303.397). Het totaal ad € 1.161.953.856 wordt in de stukken aangeduid als ‘de vergoeding’ ad (kennelijk afgerond) ‘€ 1,2 miljard’.
primairgesteld dat de vergoeding voortvloeide uit een totaalcomplex van rechten en verplichtingen verband houdende met haar al bestaande 33%-deelneming in [D] .
Subsidiairstelde zij dat haar aanspraak op het 21%-belang zelfstandig moest worden gezien als een van dat belang afgesplitst medebelang waarvoor ingevolge de
Falcons-rechtspraak de deelnemingsvrijstelling geldt.
Meer subsidiairstelde zij dat de vergoeding deels is vrijgesteld en dat moet worden beoordeeld voor welke delen.
primairestandpunt verworpen op de volgende grond:
subsidiairestandpunt (gesplitst belang) verworpen omdat haars inziens de aard van het belang niet ter zake doet, nu hoe dan ook onvoldoende causaal verband bestaat tussen de vergoeding en een eventuele deelneming:
meer subsidiairestandpunt (gedeeltelijke vrijstelling) verworpen:
control rightsen missen van de IPO-discount bij de beursgang van [D] in 2010.
BNB2017/11):
control rightsen IPO-
discountbij de beursgang van [D] in 2010:
control rights; PJW]. In de S&DA (zie 2.24) wordt gesproken over een afzonderlijke vergoeding voor (onder andere) vermindering van het aandelenbelang en verlies van (kort gezegd) control rights en wordt melding gemaakt van de afstand van die rechten (Where as, onderdeel M; artikel III, onderdeel 3.2., zie bij (iv) en artikel IV, onderdelen 4.1, zie bij (ii), (iii) en (iv) en 4.2). Daarnaast vindt het [meest subsidiaire; PJW] standpunt van belanghebbende [zie r.o. 3.3 Hof] steun in het onder de feiten genoemde rapport van [K] . De omstandigheid dat, zoals de Inspecteur heeft aangevoerd, in de S&DA geen melding wordt gemaakt van een bedrag voor afzonderlijke schadecomponenten, doet er niet aan af dat aannemelijk is dat de Vergoeding moet worden toegerekend aan verschillende schade-componenten. Voor zover de Vergoeding is aan te merken als een compensatie voor de IPO-discount [zie r.o. 3.3 Hof: het verschil tussen de prijs van belanghebbendes aandelen [D] op de beurs op 12 mei 2010 en de hogere waarde in het economisch verkeer; PJW] of voor het verlies van haar control rights op het eigen 33% belang in [D] , valt deze vergoeding onder de deelnemingsvrijstelling.
NTFR2018/1804, de redactie van
FutD2018/1825 en
Van Horzenin
NLF2018/1582.
3.Het beroep in cassatie van de belanghebbende
BNB2003/34;
expert opinionvan het IJI is gebaseerd op onjuiste en onvolledige informatie;
pro ratamoet worden toegerekend aan de gemiste waardestijging van het 21%-belang, maar in r.o. 4.18 te oordelen dat de belanghebbende geen afdwingbaar recht op levering van dat belang had; en
BNB2003/34 (
Falcons), en de middelen (iii), (iv) en (v) stellen dat zij een recht op levering van dat 21%-belang heeft gehad (en een plicht tot betaling jegens de RoP) dat tot activering van dat recht als bedrijfsmiddel leidde in de zin van HR BNB 2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht). Twee middelen ((vi) en (vii)) gaan over de mate van het causale verband (‘uit hoofde van’) tussen belanghebbendes
voordienal bestaande 33%-deelneming en specifieke componenten van de schadevergoeding. Middel (ii) acht de goede procesorde geschonden bij ’s Hofs inwinnen van inlichtingen over Pools recht.
BNB2003/34 [7] (
Falcons),
naast(voorafgaand aan) overdracht van het volle belang bij de aandelen. Dat volledige overdracht wordt beoogd, sluit niet uit dat de partijen óók zijn overeengekomen dat het belang bij de aandelen voorafgaand aan die volle overdracht materieel wordt gesplitst. De deelnemingsvrijstelling geldt als de partijen een splitsing in de zin van HR
BNB2003/34 hebben beoogd en bij overeenkomst rechten op de desbetreffende aandelen hebben afgesplitst. Het FA voldoet aan die voorwaarden omdat het FA de belanghebbende materieel een
calloptie op het 21%-belang gaf en de RoP een
putoptie.
expert opinionvan de deskundige heeft de belanghebbende toegelicht dat ministeriële toestemming géén contractuele opschortende voorwaarde was, maar een
legal condition, en dat het ontbreken/verlopen ervan niet in de weg stond aan het opwaarderen van het FA tot de beloofde aandelenkoopovereenkomst, maar alleen aan het effectief opeisen van het 21%-pakket. De vergunning blijkt cruciaal voor ’s Hofs oordeel, hoewel er geen partijdebat is geweest over de gevolgen van het verlopen van de vergunning. ’s Hofs r.o. 4.18 heeft de belanghebbende dan ook overvallen. De Inspecteur heeft bij de tweede zitting voor het Hof niet meer betwist dat de ministeriële toestemming was verleend en hij heeft geen punt gemaakt van de tijdelijkheid van die toestemming. [8] Het Hof heeft buiten de partijen om de vraag opgeworpen of door die tijdelijkheid een opschortende voorwaarde herleefde (punt 57 van het proces-verbaal [9] ). Hoewel het gaat om toepassing van buitenlands recht en de rechter in beginsel zelf onderzoek mag doen, gaat het hier volgens de belanghebbende om een gemengde vraag, nl. ook om de uitleg van de brief waarin de minister van Financiën toestemming geeft, terwijl alle voor de toepassing van het relevante buitenlandse recht benodigde feiten door één van de partijen moeten worden ingebracht en zulks niet is gebeurd, zodat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden of onaanvaardbaar is gaan meeprocederen.
preliminary agreementin de vorm van levering van de aandelen kon worden bewerkstelligd. De belanghebbende acht voor deelnemingsvrijstelling voldoende een overeenkomst tot aandelenoverdracht op basis waarvan levering van de aandelen, desnoods na tussenkomst van de rechter, kan worden afgedwongen. Dat de voor de levering benodigde toestemming van de minister van Financiën na 31 december 2001 ontbrak, stond niet in de weg aan totstandkoming van zodanige overeenkomst. Het Hof is ongemotiveerd voorbij gegaan aan belanghebbendes stelling dat het ontbreken van de toestemming de Poolse civiele rechter niet belette om de bij het FA beloofde finale aandelenkoopovereenkomst tot stand te brengen. Zij wijst op het verschil tussen een recht op levering en een recht op koop en benadrukt dat de vergunning het recht gaf om een meerderheidsbelang in [D] te verwerven (om de aandelen geleverd te krijgen) en niet om aandelen te kopen. Nu het hier gaat om de toepassing van buitenlands recht, had het Hof moeten ingaan op de andersluidende visie van de Poolse deskundigen van belanghebbendes zijde. De belanghebbende wijst op de conclusie bij HR 17 maart 1989,
NJ1990, 427 en op de onverenigbaarheid van het slot van r.o. 4.18 (er zou geen overeenkomst zijn waarbij de RoP werd verplicht het 21%-belang te leveren) met het oordeel dat 1500/1908ste deel van de vergoeding het gemiste waardeverloop goedmaakt van het niet verkregen 21%-pakket (r.o. 4.20-4.24) (daarover specifiek middel (vi)).
BNB2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht) met de precontractuele fase de fase waarin de onderhandelingen zo ver zijn dat de partijen zich niet meer zonder schadevergoeding eenzijdig kunnen terugtrekken. De onderhandelingen tussen de belanghebbende en de RoP waren dat stadium al gepasseerd. Of op basis van het contract ook rechtstreeks levering van de aandelen kan worden geëist of eventueel pas na tussenkomst van de rechter, acht de belanghebbende niet relevant voor de maatstaf ontwikkeld in HR
BNB2017/11.
BNB1985/144, HR
BNB2005/254 en HR
BNB2014/173 en stelt dat ’s Hofs andersluidende opvatting tot vreemde uitkomsten leidt: in casu was toestemming van de minister van Financiën verkregen c.q. was aan de voorwaarde voldaan (toen was er dus een deelneming), maar was de toestemming op een later moment verlopen (toen was er dus géén deelneming).
control premium) van de vergoeding toerekenbaar is aan haar 33%-belang in [D] . De deelnemingsvrijstelling geldt dan voor € 459 miljoen.
BNB2003/34 (
Falcons) ziet niet op andere gevallen dan dat van de in die zaak beoordeelde calloptie en daarmee vergelijkbare financiële instrumenten. Feitelijk is niet komen vast te staan dat het FA de belanghebbende een (voorwaardelijk recht op een) calloptie of een daarmee vergelijkbaar instrument gaf.
preliminary agreementdoor de Poolse civiele rechter in de weg stond het ontbreken van de wettelijk vereiste toestemming van de minister van Financiën. Volgens de Staatssecretaris strekt dit middel er in wezen toe dat het Hof aan belanghebbendes argumenten en aan haar partij-deskundigenbericht meer gewicht had moeten toekennen, maar de weging van de argumenten is aan het Hof voorbehouden.
preliminary agreementzou slechts leiden tot het sluiten van de beloofde
final agreement, die pas de aandelenverkoopovereenkomst zou zijn. De precontractuele fase was dus nog niet afgerond door sluiting van een overeenkomst met de kenmerken bedoeld in r.o. 2.4.3 van HR
BNB2017/11 (zie 4.11 hieronder).
verliesvan het niet-verkregen 21%-belang in [D] . Het middel berust op verkeerde lezing van de uitspraak. Het is niet innerlijk tegenstrijdig om te oordelen dat de niet-geleverde aandelen niet kwalificeren als deelneming en tegelijkertijd aannemelijk te achten dat de vergoeding mede is bedoeld als compensatie voor het waardeverloop van die niet-verkregen aandelen. ‘s Hof oordeel dat het niet-verkregen 21%-pakket geen deelneming is, impliceert reeds dat op de vergoeding die ter zake van die aandelen is ontvangen de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is. Als het middel inhoudt dat als er een deelneming is, een vergoeding steeds onder de deelnemingsvrijstelling valt, acht de Staatssecretaris het onjuist; schadevergoeding kan immers ook voortvloeien uit (wanprestatie bij) een afzonderlijke rechtsverhouding naast de deelnemingsverhouding.
State Treasury. De laatste moest wel goedkeuring geven aan de beursgang, en heeft die geweigerd, waardoor levering onmogelijk werd. Op de vraag of en zo ja hoe een strategisch goed moet worden geactiveerd als de koop daarvan rond is, maar de producent/verkoper niet kan of mag leveren zonder toestemming van zijn Staat van vestiging en die toestemming niet is verkregen, antwoordde [M] dat activering afhangt van de mate van waarschijnlijkheid dat die toestemming verkregen zal worden.
contingent assetmet kostprijs nihil. Op de vraag naar de mogelijke activering van een strategische goed voor levering waarvan ongewisse toestemming vereist is, antwoordde [O] dat zo’n goed volgens de Staatssecretaris zonder die toestemming (nog) niet kan worden geactiveerd, en dat overigens zijns inziens in belanghebbendes geval er ook civielrechtelijk nog geen recht op levering was omdat er geen
final agreementwas.
4.De deelnemingsvrijstelling
De wet
BNB1985/200 [11] had in 1970 haar 25%-belang in A BV verkocht aan de B-groep voor f 250.000. Afname en betaling bleven uit en in 1971 verkocht de belanghebbende de deelneming voor f 1 aan NV D. In 1973 ontving zij van de B-groep een in 1972 met de B-groep overeengekomen schadevergoeding wegens niet-afname. Volgens het Hof Amsterdam viel de vergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling omdat (i) de belanghebbende in 1972 geen aandeelhoudster meer was en (ii) de vergoeding geen voordeel uit hoofde van een deelneming was omdat zij betaald/ontvangen was wegens wanprestatie:
BNB2017/11 [12] (Kazachstaans voorkeursrecht; zie 4.11 hieronder) stelt - anders dan het Hof in de thans te beoordelen zaak - dat HR
BNB1985/200 nog steeds geldt.
BNB1986/118 [15] volgt dat niet alleen de juridische eigenaar maar ook de economische eigenaar van een deelneming de deelnemingsvrijstelling kan toepassen:
BNB2000/21 [16] blijkt dat een
calloptiehouder onder omstandigheden als economisch (mede)eigenaar van aandelen kan worden aangemerkt. U overwoog voorts in HR
BNB2001/160 [17] (werknemersoptiearrest):
BNB2003/34 [18] heeft u de door de literatuur
Falcons-leer genoemde jurisprudentie gevestigd, die inhoudt dat voor- en nadelen uit met een deelneming verband houdende opties, warrants en conversierechten onder de deelnemingsvrijstelling vallen:
BNB2005/254, [19] waarnaar de belanghebbende verwijst in cassatiemiddel (v), oordeelde u dat de waardedaling van een recht op levering van een uit nieuw te emitteren aandelen bestaande deelneming onder de deelnemingsvrijstelling valt:
Knops [20] leiden uit dit arrest af dat een leveringsrecht op nieuw uit te geven aandelen een (af)gesplitst belang is in de zin van uw
Falcons-rechtspraak, waarop de deelnemingsvrijstelling dus van toepassing is.
Falcons-rechtspraak is:
BNB2017/11 [22] betrof een belanghebbende die 50% hield in een entititeit E beheerst door de Kazachstaanse overheid, die middellijk de andere 50%-aandeelhouder A hield. Een
Shareholders Agreementtussen de belanghebbende en haar directe mede-aandeelhouder A in E omvatte voor beiden een voorkeursrecht bij indirecte vervreemding (
change of Control) van de aandelen E. Met voorbijgaan aan belanghebbendes voorkeursrecht werden de aandelen A vervreemd aan een derde. Dit leidde tot een arbitrageprocedure. Bij
Partial Awardbevestigde het arbitragecomité belanghebbendes voorkeursrecht en droeg het de partijen op om de waarde van A’s belang in E te bepalen. Zij kwamen een waarde ad US$ 800 mio overeen. Bij
Final Awardheeft het arbitragecomité vervolgens A opgedragen om haar belang in E voor US$ 800 mio aan de belanghebbende over te dragen. Tijdens een procedure voor de Canadese rechter bereikten de partijen echter een
Amicable Settlement, inhoudende dat de belanghebbende haar claims introk, waartegenover A haar een
Settlement Paymentad 438.375.000 US$ betaalde als “part of Damages”. In geschil was of deze betaling bij de belanghebbende onder de deelnemingsvrijstelling viel, hetzij als voordeel uit hoofde van haar voorkeursrecht als afgesplitst belang van de niet-verkregen aandelen E, hetzij als voordeel uit hoofde van haar reeds bestaande 50%-belang. U overwoog:
BNB2003/34, hierna: het arrest
BNB2003/34).
BNB2003/34 is sprake wanneer partijen een dergelijke opsplitsing hebben beoogd en in een overeenkomst (afgesplitste) rechten op het desbetreffende aandeel hebben gecreëerd. Een dergelijke situatie doet zich niet voor in een geval waarin onderhandelingen, gericht op de verkoop van een pakket aandelen, in een zodanig stadium zijn geraakt dat partijen zich niet zonder meer daaruit kunnen terugtrekken.
BNB1985/200 (zie 4.2 hierboven). Egelie merkt daarover in HR
BNB2017/11 op (ik laat de voetnoten op één na weg):
BNB 1985/200, nog van kracht is. (…) Dat de omvang van de schadevergoeding uit wanprestatie soms mede berekend wordt op basis van misgelopen waardestijging en/of misgelopen dividenden, verandert de causa van de betaling niet: de causa blijft ook dan een schadevergoeding uit wanprestatie en niet nakoming van de verkoopovereenkomst. (…) De wijze van schadebegroting verandert het karakter van de schadevergoeding niet en een recht op vergoeding van onrechtmatig onthouden voordeel is niet hetzelfde als dat voordeel. (…) (N)iets weerhoudt de gelaedeerde om ook de belastingschade veroorzaakt door de wanprestatie (schadevergoeding ex wanprestatie is belast terwijl nakoming niet belast zou zijn geweest) in de schadestaatprocedure in te brengen als te vergoeden schade en uiteen te zetten dat de schadevergoeding naar Nederlands belastingrecht bij de laedens aftrekbaar is, dus op grond van de evenwichtsgedachte hoger dan nominaal moet zijn.”
BNB 1985/200*?
BNB 1985/200*voorliggende feiten thans anders zou beslechten. Er is een perfecte overeenkomst (prijs en onderwerp van de overeenkomst zijn alleszins bepaalbaar). Daarmee is de precontractuele fase afgesloten en bij de koper een bedrijfsmiddel deelneming ontstaan. Het onderhavige arrest betekent, lijkt mij, dat de schadevergoeding (bij beide partijen) onder de deelnemingsvrijstelling valt.
BNB 1985/200* lijkt daarmee verleden tijd. Nu maakt de Hoge Raad er een goede gewoonte van om in voorkomende gevallen duidelijk te vermelden dat en waarom hij terugkomt van eerdere jurisprudentie. Het is mij dan ook een raadsel waarom hij in het onderhavige arrest in alle talen zwijgt over
BNB 1985/200*, te meer nu A-G Wattel op basis van juist dat arrest oordeelt dat de onderhavige schadevergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling valt omdat geen sprake is van een voordeel uit hoofde van een deelneming. Wat betekent het dat de Hoge Raad
BNB 1985/200* in het onderhavige arrest onvermeld laat? [23] Ik kan geen goede verklaring bedenken en koester daarom de (ijdele?) hoop dat de Hoge Raad de causaliteitsgedachte niet ten grave heeft willen dragen….”
V-N2016/47.10 merkte daarover op:
BNB1985/200.” Zie ook Knops in
FED2016/125: “Daarbij vind ik het toch betreurenswaardig dat de Hoge Raad met geen woord rept over
BNB1985/200. Het kan hem toch moeilijk ontgaan zijn dat dat arrest tot op heden als leidend werd beschouwd wanneer het aankwam op schadevergoedingen en de deelnemingsvrijstelling. Het hof achtte
BNB1985/200 niet achterhaald (r.o. 4.2.10 van de hofuitspraak), en belanghebbende betoogde het tegenovergestelde in zijn cassatieschriftuur. A-G Wattel ging in zijn conclusie bij onderhavig arrest uitgebreid op
BNB1985/200 in, en overwoog dat zijns inziens het arrest nog steeds gold. Ook in de literatuur is het arrest alles behalve onbesproken geweest. Dat de Hoge Raad niet het verlossende woord wil geven ten aanzien van dat arrest is dan toch jammer, zo niet opmerkelijk.”
Martens [24] als
[L] [25] gaan in op de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op een schadevergoeding gebaseerd op een Bilateraal Investerings(beschermings)verdrag (BIT) voor met name onteigening van activa van een dochtervennootschap. Omdat beide auteurs vooral ingaan op de situatie waarin een deelneming bestaat (een bestaande dochtermaatschappij wordt onteigend, of van haar worden activa onteigend, of zij wordt anderszins in haar investeringen geschaad) en onze zaak de vraag betreft of er wel een deelneming is, volsta ik met verwijzing naar hun in de voetnoten genoemde publicaties.
Ruigeen
Bagci [26] concluderen naar aanleiding van HR
BNB2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht zie 4.11 hierboven) dat u (i) de grens tussen ‘deelneming’ en ‘geen deelneming’ bij gesplitste belangen trekt bij het al dan niet bestaan van een leveringsrecht op de aandelen die een deelneming kunnen vormen, en (ii) u het gesplitste belang bij een deelneming onder hetzelfde fiscale regime wil doen vallen bij de koper en de verkoper (evenwichtsleer) en dat u daarmee wellicht de causaliteitseis heeft vergen c.q. ingevuld door die evenwichtsleer:
5 Het begrip belang als bedoeld in de Falcons-jurisprudentie
BNB2017/11 blijkt dat een voorkeursrecht op aandelen niet leidt tot een gesplitst belang als bedoeld in het Falconsarrest. Dit is (…) kennelijk ook niet het geval op het moment dat de joint-venture partner van belanghebbende de aandelen daadwerkelijk aan een derde wenst te vervreemden, waarmee het recht van belanghebbende op aanbieding van de betreffende aandelen tegen een vaststaande prijs wordt gematerialiseerd. [27] Omdat een voorkeursrecht onder dergelijke omstandigheden zeer vergelijkbaar is met een calloptie (die volgens de Hoge Raad wel resulteert in de bedoelde afsplitsing), kan een vergelijking tussen beide rechten nuttig zijn om te bepalen waar de Hoge Raad de gesplitstbelangscheidslijn heeft getrokken.
leveringvan de betreffende aandelen. [28]
BNB2017/11 — vallen bij beide partijen onder de deelnemingsvrijstelling. Dit oordeel bevat onzes inziens twee elementen. De Hoge Raad overweegt enerzijds dat met het afronden van de precontractuele fase een voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling kwalificerend belang kan ontstaan [32] , terwijl het oordeel anderzijds ook inhoudt dat een causaal verband bestaat tussen de betaalde schadevergoeding en het ontstane belang. Indien wij dit oordeel toepassen op het feitencomplex in HR 6 maart 1985, nr. 22 572,
BNB1985/200, dan ontkomen wij niet aan de conclusie dat de in dat arrest aan de orde zijnde schadevergoeding thans onder de deelnemingsvrijstelling zou worden afgewikkeld. Het voorgaande onderscheid is onzes inziens van belang, omdat ter zake van het eerste oordeel (het verkrijgen dan wel vervreemden van een kwalificerende deelneming: de verwervingsfase) geen nadere vereisten gelden om een voordeel onder de deelnemingsvrijstelling te brengen, terwijl ter zake van het tweede oordeel (de causaliteit) de evenwichtsgedachte voor de Hoge Raad leidend lijkt te zijn.
BNB2006/7. De leer is bevestigd in
BNB2017/11, waarin wordt overwogen dat het met de doelstelling van de deelnemingsvrijstelling strookt ‘‘dat bij de koper en de verkoper een schadevergoeding fiscaal op dezelfde wijze wordt behandeld. Indien derhalve de beoogde verkoper een vergoeding verschuldigd wordt die bij de beoogde koper niet aan een deelneming kan worden toegerekend en mitsdien bij hem niet onder de deelnemingsvrijstelling valt, zal de vergoeding bij die verkoper evenmin onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Hetzelfde heeft te gelden ingeval de beoogde koper een vergoeding verschuldigd wordt.” [33]
BNB 2006/7op dat deze leer met behulp van een dubbele fictie dient te worden toegepast: de wederpartij wordt geacht én in Nederland te zijn gevestigd én belastingplichtig te zijn voor de vennootschapsbelasting (in casu was sprake van een buitenlandse vereniging). De Hoge Raad overweegt namelijk dat: ‘‘(…) Alsdan brengt de deelnemingsvrijstelling met zich dat het uit hoofde van dat recht door de verkoper ontvangen bedrag,
indien hij als belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting kan worden aangemerkt [cursivering; auteurs], onder de deelnemingsvrijstelling valt’’ (r.o. 3.4.2).
art. 13Wet VPB 1969 en ook overigens niet voldoet aan de in
BNB 2017/11gestelde voorwaarden om te kunnen spreken van een gesplitst of volwaardig belang. Omdat (…) (daar)voor ten minste een leveringsrecht vereist is, komen wij tot de voorzichtige conclusie dat de evenwichtsleer onder omstandigheden kan worden gezien als een nadere causaliteitsinvulling bij een vervreemding. Dit strookt met een strikt causaliteitsvereiste, waar voordelen rechtstreeks moeten opkomen uit het bezit of de vervreemding van de aandelen. [34] ”
Hofman [35] schrijven het volgende over de vraag of de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op resultaten op optiecontracten afhangt van het evenwicht tussen de fiscale posities van de twee bij het optiecontract betrokken partijen:
Falcons-arrest maakt de Hoge Raad niet duidelijk of de fiscale posities van de bij het optiecontract betrokken partijen van elkaar afhankelijk zijn. Het arrest van 23 september 2016, [36] betreffende de fiscale behandeling van een schadevergoeding wegens schending van een voorkeursrecht (…) werpt wel licht op deze vraag. In dit arrest geeft de Hoge Raad aan dat het past bij de doelstelling van de deelnemingsvrijstelling om een schadevergoeding bij de (beoogde) koper en verkoper op dezelfde wijze te behandelen. De toepasselijkheid van de deelnemingsvrijstelling bij de verkoper is afhankelijk van de vraag of de deelnemingsvrijstelling bij de koper van toepassing is. Het ligt voor de hand dat dit uitgangspunt ook geldt in een ‘Falcons-context’. Nieuw is in elk geval in het
Falcons-arrest dat voor de calloptiehouder of putoptieschrijver de deelnemingsvrijstelling kan gelden zonder dat hij ooit aandelen heeft verworven die een deelneming vormen (als hij die maar had kunnen verwerven bij uitoefening). Het
Falcons-arrest past onzes inziens logisch in het rijtje met
BNB2001/160 en 161, waarin de Hoge Raad besliste dat een houder van aandelenopties beschouw moet worden als een quasi-aandeelhouder en daarom als aandeelhouder behandeld wordt (in die arresten voor de winstberekening van de optieverlenende en potentieel aandelenuitgevende vennootschap). De met deze arresten en het
Falcons-arrest ingeslagen weg blijft door de Hoge Raad gevolgd worden, zoals blijkt uit zijn arresten gepubliceerd in
BNB2005/254 [37] , 2005/260 [38] en 2006/7. [39] ”
Falcons-arrest heeft de vraag opgeroepen of de Hoge Raad wellicht ook in andere gevallen waarin er een sterke causaliteit met de deelneming is, de reikwijdte van de deelnemingsvrijstelling zou willen uitbreiden. In literatuur is betoogd dat het arrest uit 1985 is achterhaald door de Falcons-jurisprudentie. [42] Een schadevergoeding die is gerelateerd aan de waardeontwikkeling van de deelneming zou dan onder de deelnemingsvrijstelling vallen. In het arrest van 23 september 2016 [43] heeft de Hoge Raad echter niet gekozen voor een dergelijke ruime benadering. Voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling is, aldus de Hoge Raad, allereerst vereist dat de belastingplichtige een (belang bij) een deelneming houdt. In de precontractuele fase van de aankoop van een deelneming is daarvan nog geen sprake, ook niet als de onderhandelingen in een zodanig stadium zijn geraakt dat partijen zich niet zonder meer daaruit kunnen terugtrekken. Een schadevergoeding die wordt betaald wegens de schending van een voorkeursrecht valt dus niet onder de deelnemingsvrijstelling. In
BNB1996/366 besliste de Hoge Raad dat een schadeloosstelling die een moedermaatschappij betaalde omdat zij zich ook als afnemer van diensten van de dochtermaatschappij terugtrok na verkoop van de aandelen aan de overige aandeelhouders niet aftrekbaar is, maar ‘gewoon’ opgaat in de deelnemingsvrijstelling. Cruciaal was daarbij dat de ‘schadeloosstelling’ niet apart werd verrekend maar via de prijs van de aandelen. De staatssecretaris heeft medegedeeld dat een uitkering uit een verzekering tegen de nadelen van het confisqueren van een dochtermaatschappij naar zijn mening niet onder de deelnemingsvrijstelling valt wegens onvoldoende causaliteit met het aandeelhouderschap in de deelneming. [44] , [45]
Stevens [46] schrijven het volgende over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op schadevergoedingen:
BNB1985/200 dat het geen voordeel uit hoofde van de deelneming is. [47] Het
Falcons-arrest (…) roept de vraag op of de Hoge Raad wellicht ook in andere gevallen waarin er een sterke causaliteit met de deelneming is, de reikwijdte van de deelnemingsvrijstelling zal willen uitbreiden. Vooralsnog lijkt ons dat de reikwijdte van het
Falcons-arrest is beperkt tot aandelenopties en de hiervoor genoemde rechtspraak inzake schadevergoedingen nog onverkort van kracht is. [48] De problematiek rondom schadevergoeding en toepassing van de deelnemingsvrijstelling kwam ook aan de orde in
BNB2017/11. In dat arrest beslist de Hoge Raad dat ontvangen schadevergoedingen voor het niet doorgaan van de koop of verkoop van een deelneming, in principe niet onder de deelnemingsvrijstelling vallen als er geen sprake is van een gesplitst belang. [49] (…).
Stcrt. 2017, 5003; PJW] het standpunt inneemt dat de afkoopsom van een voorkeursrecht van de medeaandeelhouders kwalificeert als een verhoging van de kostprijs van de deelneming. Dat standpunt lijkt in
BNB2017/11 door de Hoge Raad expliciet verworpen. Op basis van het arrest lijkt de betaling voor een afkoopsom namelijk niet onder de deelnemingsvrijstelling te vallen. Het is sowieso opmerkelijk dat de staatssecretaris in het besluit niet ingaat op het arrest
BNB2017/11. De Vries geeft aan dat dit te maken zou kunnen hebben met het feit dat het besluit door Financiën al deels was geschreven voordat het arrest op 23 september 2016 is gewezen. [51] Wij hopen dat dit niet de reden is geweest, (…).”
Knops [52] zetten uiteen wanneer volgens hen een belang bij een deelnemingsbelang gesplitst is (ik laat voetnoten weg):
2.1.3 Juridisch afdwingbaar recht
juridisch afdwingbaarrecht dat bij uitoefening zou leiden tot een kwalificerende deelneming. Het maakt daarbij niet uit of het recht ook daadwerkelijk is of wordt uitgeoefend. Dat volgt enerzijds uit het woord “belang” — een recht dat niet kan worden afgedwongen vertegenwoordigt in dit verband geen belang. Anderzijds volgt dit uit het feit dat in het Falcons-arrest (en in de daarop geënte jurisprudentie) consequent over “een bedongen recht” wordt gesproken. Ook dat wijst op juridische afdwingbaarheid.
BNB 1997/286. Het betrof in dat arrest de verkrijging van nieuw uit te geven aandelen, vergelijkbaar met
BNB 2005/254. Echter, belanghebbende had in deze casus geen enkel juridisch afdwingbaar recht tot deze uitgifte, slechts de “
terechte verwachting”. Wij zien dit (…) ook terug in Hof Amsterdam 1 juni 2005, waarin het hof overweegt dat een schadevergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling valt omdat, zo begrijpen wij, deze verband houdt met de
intentieovereenkomstin plaats van met de definitieve koopovereenkomst.
2.2 De causaliteitseis
5.Buitenlands recht bij de feitenrechter en in cassatie
De wet
NJ1990/427: [54]
BNB2009/93; PJW]. (…).”
Aegis Wisdom(verwerping omdat op de betrokken rechtsregel in feitelijke instantie geen beroep was gedaan) of zoals in de
Srebrenica-zaak (behandeling van de klacht vergt een oordeel over de inhoud van het buitenlandse recht). Een dergelijke bejegening van art. 25 Rv Pro-klachten en een meer indringende motiveringscontrole stroken met het in art. 10:2 BW Pro verankerde belang van een juiste (ambtshalve) toepassing van het buitenlandse recht, een belang dat een meerderheid van de vaste Commissie van Justitie in 1957 onderschreef, in de Nederlandse literatuur brede steun vindt en waarover ook internationaal een grote mate van consensus lijkt te bestaan. Met het huidige zeer terughoudende beleid lijkt de Hoge Raad internationaal geen “middenkoers” (meer) te varen, maar de inmiddels internationaal vrij geïsoleerde restrictieve Frans-Duitse lijn te volgen. En dat, terwijl de ‘middenkoers’ al niet blijk gaf van een al te grote internationale judiciële ambitie, terwijl, gelet op de reputatie van het Nederlandse recht en van de Hoge Raad in het buitenland en de open Nederlandse economie, juist méér zou mogen worden verwacht, dan wat sommige omringende landen verkiezen te doen.”
3. Conclusie A-G Strikwerda voor HR 17 maart 1989,NJ1990/427 (Aegis Wisdom)
iederebeslissing inzicht geven in zijn gedachtegang en daarbij duidelijk en concludent zijn. Pas enkele jaren later heeft de Hoge Raad dit ook programmatisch zo geformuleerd in
Vredo/Venhuisvan 1993. (…).
7. Samenvatting
6.Het onderzoek naar het Poolse recht; ’s Hofs vragen aan het IJI
De wet
Art. 5One may not use his right in a manner which would be contrary to its social and economic purpose or to the principles of social coexistence. Any such act or refraining from acting by the rightholder shall not be treated as the exercise of the right and shall not be protected.
De Vechtlanden/Otter c.s. [65] geoordeeld dat de rechter vragen aan een deskundige opnieuw mag formuleren en dat in haar algemeenheid onjuist is de opvatting dat de rechter, als de deskundige verzuimt de partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken, diens bericht niet aan zijn beslissing ten grondslag mag leggen:
4.13 Deskundigenverslag
2. Opgave van het verzoek door de rechter aan partijen (lid 1)
Rutgers [69] is dat de burgerlijke rechter bij een ‘gewoon’ deskundigenbericht vrij te bepalen welke vragen hij de deskundige stelt. De partijen moeten wel de gelegenheid krijgen om opmerkingen tot de deskundige te richten:
Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 319, 330). Zie in dit verband ook art. 197, aant. 2. De rechter is mitsdien vrij gelaten te bepalen of en in hoeverre hij in verband met (de formulering van) de opdracht aan deskundigen behoefte heeft aan overleg; anders gezegd: de formulering van de aan de deskundige voor te leggen vragen is aan de rechter overgelaten. In de praktijk worden partijen echter wel vaak in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de aan de deskundige voor te leggen vragen.
NJ1994/320 (
Waterschap ‘De Vechtlanden’/Otter)).
Parl. Gesch. Bewijsrecht, p. 344). De wettelijke regeling gaat dan ook niet zover dat een deskundige gehouden is tot het honoreren van elk in enige fase van het onderzoek door een der partijen gedaan verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld van de voorlopige bevindingen van de deskundigen kennis te nemen en daarop commentaar te leveren (HR 20 september 1996,
NJ1997/328; (
Upjohn/Van O.)). Wel mogen partijen opmerkingen maken en verzoeken doen bij onderzoek waarbij partijen aanwezig mogen zijn, zoals een plaatsopneming (vgl. HR 7 maart 1980,
NJ1980/441 (
Lassche/Blanken)). In de praktijk komt het verder vaak voor dat de deskundige die een schriftelijk bericht dient te vervaardigen (al dan niet op instigatie van de rechter) een ‘concept’ van het schriftelijk bericht toestuurt aan partijen ter fine van commentaar. Een verzuim van (een) deskundige(n) om partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken, staat in zijn algemeenheid aan het gebruik van het deskundigenbericht voor het bewijs niet in de weg (HR 7 januari 1994,
NJ1994/320 (
De Vechtlanden/Otter c.s.)). Het is aan het beleid van de (feiten)rechter gelaten om te beoordelen of de bezwaren van partijen aanleiding geven tot nadere voorlichting door (een) deskundige(n) (HR 25 november 2005,
JOL2005/676).”
4.7.3 Inhoud en reikwijdte van het deskundigenonderzoek volgens de opdracht
equality of arms) en moet een partij voldoende gelegenheid hebben gekregen om kennis te nemen van het standpunt en bewijsmateriaal van de wederpartij en daarop te reageren (
adversarial principle). Als partijen onvoldoende hebben kunnen participeren in het deskundigenonderzoek, kan een combinatie van omstandigheden meebrengen dat het deskundigenadvies niet voor het bewijs mag worden gebruikt, tenzij gelegenheid is geboden voor herstel. (…).”
Keltjens [71] schrijven het volgende over het vinden van vreemd recht door de (feiten)rechter en het gebruik daarbij van kenniscentra zoals het IJI. Zij menen dat advies vragen aan het IJI eigen onderzoek van de rechter is, en niet het benoemen van een deskundige (ik laat voetnoten weg):
a fortiori(…) – ook ten aanzien van vreemd recht. Ambtshalve toepassing betekent dat de rechter zich in ieder geval voldoende inspanningen getroost om de inhoud van het buitenlandse recht vast te stellen. Hoeveel moeite hij zich dient te getroosten, hangt – uiteraard– af van het partijdebat. Verrassingsbeslissingen moeten worden voorkomen. Anderzijds mag de rechter in elk geval niet zonder meer afgaan op wat partijen aandragen met betrekking tot buitenlands recht. (…).
vetin het origineel): [72]
Condition
a conditionis stipulated in Article 89 of the Civil Code, which is above all understood as
a reservation (provision) whereunder commencement or cessation of the effect of an act in law may be made by the parties in the act in law contingent on a specified (i) future and (ii) uncertain event.
onlyon the intent of the parties or of one of the parties
cannot be classified to be a conditionwithin the meaning of Article 89 of the Civil Code. The so-called mixed conditions are admissible however, and these are conditions which consist in combination of a wilful action of a party with an element that lays beyond the party’s control, e.g. operations of third parties or other external factors.
legal condition (condition juris), which is not a contractual reservation as to when effects of acts in law commence or cease, but which makes the validity or effectiveness of an act contingent upon a prerequisite stipulated directly in the provisions of law.
The fundamental difference between a condition and a legal condition is the source thereof.A legal condition has its source directly in the provisions of law. The essence of a legal condition is not affected by the fact that the parties made the effectiveness of an act in law contingent upon fulfilment of the conditions required under the law. Such provisions are only a repetition of what is applicable either way. The most common example of a legal condition is the obligation to obtain a consent of a particular public authority for performance of a given act, if such consent is required directly under the provisions of law and indispensable for performance of a given act. Pursuant to the views prevailing in the legal literature, the provisions on conditions, i.e. Articles 89-94 of the Civil Code, do not apply to legal conditions. Nonetheless, some authors find it possible, by way of an exception, to cautiously apply Article 93 of the Civil Code to legal conditions, if a given entity, in violation of the rules of social coexistence, causes fulfilment of a legal condition or prevents fulfilment thereof.
The fundamental difference between reservation of an initial time limit and an end time limit and reservation of a condition is that a time limit, unlike a condition, makes effects of an act in law contingent upon an event of (i) future and (ii) certain character.
to immediately create an obligation, of which the not yet mature receivable is a component. The above interpretational directive results from the assumption that people strive at achievement of goals they have planned in a surer and more determined way.
vetin origineel;
curs. PJW):
is a condition for a preliminary agreement to have the stronger effect. This standpoint may be understood twofold – either (i) that a relevant permit, consent or approval must exist already at the time of a conclusion of the preliminary agreement (without it the preliminary agreement will only have the weaker effect), irrespective of obtaining thereof later, or (ii) that a preliminary agreement originally having the weaker effect only, upon issue of the permit, consent or approval is converted into an agreement with the stronger effect.
cannot be treated as a condition of validity of the promised agreement. Thus, obtaining of such a permit, consent or approval is not necessary to guarantee the stronger effect already at the stage of conclusion of the preliminary agreement,
although undoubtedly it is a necessary at a later stage for the parties to be able to effectively demand conclusion of the promised agreement.The abovementioned permit, consent or approval should be treated as a legal event (legal condition) separate from the agreement, which directly affect the effects of the promised agreement on the basis of the provisions of law.”
condition iuris). There is no doubt that a number of “legal conditions must have been fulfilled in order to conduct the IPO. However, failure to implement the IPO was caused not by non-fulfilment of “legal conditions”, but by the RoP’s blocking the IPO through actions/omissions which were entirely under het RoP’s control acting as a party to a civil-law agreement (in the sphere of “dominium”), and not as the RoP’s exercising the powers of the State (in the sphere of “imperium”). The frustration (as the Arbitration Tribunal concluded: by the RoP) of conditions of a civil-law nature was a core motive of the ruling against the RoP issued within the BIT proceedings.
bona mores) by a party interested in non-fulfilment of such condition, Art. 93 § 1 CC provides that the condition is deemed fulfilled. In the case at hand, the sale of [D] shares to [X] was conditional upon the implementation of the IPO procedure; however, as the latter process was frustrated by the RoP, the “IPO condition” should be deemed fulfilled, and the RoP should be found obligated to execute, with [X] , the agreement for the sale of [D] shares outside the framework of the IPO.
uncertainevent) and a time limit (future and
certainevent), the Expert Opinion is unclear in explaining the nature of the “deadline for conclusion of the promised agreement” (page 30). Prior to 2003, such deadline served two purposes: it was a requirement of validity of the preliminary agreement, but it also determined the date of maturity of the claim which accrued in favour of the creditor if no promised agreement was made by such deadline (end-date). Therefore, if by the end of the year 2001 no IPO had been completed (due to the frustration of the IPO condition by the RoP), and, in effect, [X] had not purchased its 21% of [D] shares, than, starting from the year 2002, [X] ’s claims against the RoP became mature (enforceable in accordance with the terms of the FA).”
SPAen het
FAonder meer het volgende (ik laat voetnoten weg): [74]
7.Deelneming of geen deelneming
BNB2017/11 (zie 4.11 hierboven), aldus dat een deelneming bestaat zodra (i) de belastingplichtige een recht verkrijgt op levering van een (voldoende) pakket aandelen en de plicht heeft haar daarop gerichte tegenprestatie te leveren en (ii) die rechtsverkrijging op haar doen overgaan het risico op waardeverandering en tenietgaan, (iii) zodanig dat zij fiscaalrechtelijk een te activeren bedrijfsmiddel heeft verkregen.
BNB2017/11 in 4.11 hierboven) niet optioneel is).
State Treasury) publiekrechtelijk een contractueel recht van de belanghebbende jegens de RoP kon frustreren en dat ook heeft gedaan, hetzij door goedkeuring aan de/het beursgang(prospectus) te onthouden (frustratie van het FA), hetzij door de verlopen toestemming voor aankoop niet te hernieuwen (frustratie van het FA), hetzij door niet mee te werken aan onderhandse verkoop (frustratie van het SA), hetzij door een combinatie. Deze schending, door de RoP, van belanghebbendes contractuele rechten, ook al waren die wellicht alweer verlopen door het vóór beursgang verlopen van de kooptoestemming van de (oude) minister van Financiën, welk verlopen kennelijk een gevolg was van het frustreren van tijdige beursgang door de (nieuwe) minister van
State Treasury, heeft geleid tot arbitrage en uiteindelijk tot schikking. Civielrechtelijk waren de partijen de precontractuele fase mogelijk voorbij (het Hof meent van niet omdat de
preliminary agreementnog geen final agreement was, c.q. omdat de partijen na het verloop van de ministeriële aankooptoestemming voor de aankoop weer terug waren in een precontractuele fase), maar niet in geschil is – aldus verklaren ook belanghebbendes deskundigen – dat het ontbreken van ministeriële toestemming in de weg stond aan levering van de aandelen.
BNB2017/11 stelde. Dat de voor de aankoop vereiste toestemming van de minister van Financiën op een gegeven moment weer verliep doordat de beoogde beursgang niet tijdig plaatsvond, doet daar volgens haar niet aan af: er is in elk geval enige maanden een recht op levering (een ‘
strong’preliminary agreement) en daarmee een deelneming geweest waaraan de vergoeding moet worden toegerekend. Dat de RoP uiteindelijk (publiekrechtelijk) weigerde om zijn plicht tot levering gestand te doen, doet daar volgens de belanghebbende evenmin aan af. De fiscus stelt daartegenover dat mogelijke contractuele rechten goed en wel zijn -
alsze er al zijn - maar dat zij geen recht op levering van het 21%-belang inhouden als daarvoor essentiële vereisten (ministeriële goedkeuring) niet (meer) zijn vervuld en niet vervuld zullen worden. De fiscus stelt wezenlijk dat, hoe
stronghet
preliminary agreementook geweest moge zijn, de partijen in de precontractuele fase zijn gebleven doordat er nooit een
final agreementtot stand is gekomen, wat daarvan ook de oorzaak geweest moge zijn.
BNB2017/11 (zie 4.11) te specificeren, waarin u dergelijke Pools-publiekrechtelijke, dubbele-pet- en Pools-contractenrechtelijke complicaties bij een aandelenkoopovereenkomst uiteraard niet kon voorzien. De vraag is wat rechtens is als (i) de partijen bij een
preliminaryaandelenoverdracht het eens zijn en essentialia bepaald hebben, inclusief de wijze van prijsbepaling, maar noch de
final agreement, noch de benodigde beursgang tot stand komt als gevolg van een politieke ommezwaai van een nieuwe regering die publiekrechtelijk vereiste medewerking weigert c.q. wier medewerking onverrichterzake verloopt (in casu is beide gebeurd), waardoor vast staat dat, welke privaatrechtelijke posities de belanghebbende ook gehad moge hebben, de aandelen nooit op punt van leveren hebben gestaan en haar nooit geleverd zullen worden, en (ii) die regering bovendien een van de twee contractpartijen is. Ik meen dat deelvraag (ii) niet ter zake doet voor de hamvraag of bij de belanghebbende een te activeren bedrijfsmiddel ‘deelneming’ is ontstaan, nu het hoe dan ook de publiekrechtelijke (dus de buitencontractuele) bevoegdheid tot niet-vernieuwen of tot weigering is (de publiekrechtelijke hoedanigheid) die in de weg staat aan de uitoefening van een eventueel privaatrechtelijk leveringsrecht.
final agreementniet via de burgerlijke rechter tot stand kan komen, althans deze de RoP niet kan dwingen tot levering. Dat oordeel lijkt mij juist, althans geenszins onbegrijpelijk: uit niets blijkt dat de minister van
State Treasurydoor die civiele rechter had kunnen worden veroordeeld tot medewerking aan beursgang én tot het opnieuw verlenen van de vereiste publiekrechtelijke toestemming. Het Hof heeft vastgesteld dat de rechtsmiddelverwijzing bij de verlopen ministeriële toestemming verwijst naar de Poolse bestuursrechter, die door de belanghebbende evenmin is geadieerd als de burgerlijke rechter. Zelfs privaatrechtelijke veroordeling tot nakoming van het FA – dat volgens het Hof slechts een (naar Nederlands recht precontractueel)
preliminary agreementis, hetgeen mij evenmin een onbegrijpelijk oordeel lijkt – kan niet het gebrek helen dat de publiekrechtelijk vereiste ministeriële toestemming ontbreekt en kan daarom de RoP niet tot levering dwingen. Met het Hof (r.o. 4.19) meen ik dat dat ontbreken zodanig in de weg staat aan de realiseerbaarheid van mogelijke privaatrechtelijke aanspraken op levering dat daardoor naar Nederlands belastingrecht geen te activeren bedrijfsmiddel ‘deelneming’ is ontstaan, hoe
stronghet
preliminary agreementook geweest moge zijn.
final agreement(wat het Hof niet doet), hoe dan ook het ontbreken van de publiekrechtelijk vereiste ministeriële toestemming tot levering zodanig in de weg staat aan effectuering van een eventueel privaatrechtelijk leveringsrecht, dat naar Nederlands belastingrecht belanghebbendes aanspraak op het 21%-belang geen te activeren bedrijfsmiddel ‘deelneming’ werd. Ik merk daar bij op dat zo’n veroordeling noodzakelijkerwijs pas ná 2001 zou kunnen zijn verkregen, toen de eerder verleende toestemming verlopen was. Interessant zou dus zijn belanghebbende Nederlands-fiscaalrechtelijke positie als zij vóór 2002 een voorlopige voorziening van de Poolse rechter had kunnen verkrijgen die de RoP c.q. de minister van
State Treasuryzou hebben veroordeeld tot goedkeuring van het prospectus en medewerking aan de beursgang vóór 1 januari 2002, maar die situatie heeft zich niet voorgedaan en ik vermoed dat het alsdan ongetwijfeld door de RoP ingestelde hogere beroep voldoende zou zijn geweest om de op 31 december 2001 verlopende toestemming van de vorige regering te doen verlopen.
weakof
strongkarakter van de
preliminary agreement, noch op de kwalificatie van vereisten en contractbepalingen als (opschortende of ontbindende) voorwaarde of als tijdbepaling of als
legal condition. Ik acht overigens evenmin onvoldoend gemotiveerd of onnavolgbaar ’s Hofs dragende oordeel dat zonder een
final agreementnaar Pools recht, de precontractuele fase zoals bedoeld in HR
BNB2017/11 nog niet is verlaten.
datde belanghebbende de waardestijging van de aandelen heeft misgelopen en dat die haar daarom uit anderen hoofde (onrechtmatige daad; verdragsschending) en bovendien maar gedeeltelijk is vergoed, volgt dat het belang bij het waardeverloop van de aandelen onvoldoende op haar was overgegaan om te nopen tot activering van een bedrijfsmiddel ‘deelneming.’
BNB2017/11 een ongelukkig effect heeft: het noopt belastingplichtigen in een positie zoals de belanghebbende in HR
BNB2017/11 en zoals de huidige belanghebbende tot doorprocederen in plaats van schikken als zij hun (kans op) toepassing van de deelnemingsvrijstelling veilig willen stellen. Als onze belanghebbende, in plaats van een S&DA te sluiten, de arbitrage had doorgezet tot een
final awardof bij de Poolse bestuursrechter en civiele rechter had doorgeprocedeerd en een executabel leveringsvonnis had verkregen, zou haar de deelnemingsvrijstelling denkelijk wel deelachtig zijn geworden. Dat verschil doet willekeurig aan.
8.‘Uit hoofde van’ een deelneming; causaliteitsvervangende evenwichtsdoctrine?
claimop het 21%-pakket mijns inziens geen deelneming was, kom ik niet toe aan de causaliteitsvraag waarop de Rechtbank de zaak heeft afgedaan: als er geen deelneming is, is er immers ook niets ‘uit hoofde van’ die deelneming genoten of verloren. De Rechtbank redeneerde andersom: als de verklarende
causavoor de vergoeding verdragschending/onrechtmatige overheidsdaad is, kan de kwalificatie van belanghebbendes verhouding tot het niet-verkregen 21%-belang in het midden blijven.
BNB1985/200 (zie 4.2 hierboven) leidt tot ontkennende beantwoording van die vraag. HR
BNB2017/11, met name r.o. 2.4.7 (zie 4.11 hierboven) suggereert echter dat als een recht op levering een bedrijfsmiddel ‘deelneming’ heeft doen ontstaan, niet meer wordt bezien of een schadevergoeding wegens sabotage van dat recht wordt genoten ‘uit hoofde van’ die deelneming of uit hoofde van sabotage (contractbreuk/onrechtmatige daad/BIT-schending). U overwoog immers zonder slagen om de arm (r.o. 2.4.3
junctor.o. 2.4.7) dat bij een belastingplichtige een als bedrijfsmiddel aan te merken deelneming ontstaat door een overeenkomst waarbij de overdrager zich verplicht de aandelen aan de belastingplichtige te leveren en de laatste zich verplicht de op verwerving daarvan gerichte tegenprestatie(s) te leveren, en dat een schadevergoeding wegens niet-naleving van die leveringsplicht [75] vanaf dat moment bij beide partijen onder de deelnemingsvrijstelling valt.
activavan de dochter of wegens andersoortige belemmering van het bedrijf van de dochter, zoals intrekking van vergunningen van de dochter of excessieve heffingen ten laste van de dochter, al dan niet leidende tot haar faillissement. Die activa, vergunningen en liquiditeiten staan immers niet op de balans van de moeder en de vergoeding ervoor wordt niet betaald voor het verlies van een deelneming of een daarvan afgesplitst belang. Dat probleem valt overigens op te lossen door de vergoeding te laten betalen aan de (wellicht inmiddels lege) dochter, hetgeen civielrechtelijk ook meer voor de hand ligt, om daarna die (kasgeld)dochter te verkopen of leeg te laten lopen.
Ruigeen
Bagci(zie 4.16 hierboven) suggereren dat u in HR
BNB2017/11 de causaliteitseis heeft vervangen door de evenwichtseis: als de betaler – indien hij in Nederland gevestigd en aldaar vennootschapsbelastingplichtig zou zijn - géén deelneming zou hebben en de betaling naar Nederlands recht dus aftrekbaar zou zijn, is de vergoeding bij de ontvanger niet vrijgesteld, en andersom: zou de betaler wél een deelneming hebben en de betaling dus niet aftrekbaar zijn, dan is de vergoeding bij de ontvanger vrijgesteld. In dit systeem is inderdaad de vergoeding voor een aandelenonteigening vrijgesteld (want de onteigenende overheid verkrijgt de deelneming) en de vergoeding voor een onteigening van activa of voor intrekking van vergunningen van de dochter niet vrijgesteld, want daardoor verkrijgt de onteigenende/intrekkende overheid geen deelneming in de dochter.
BNB1985/200 (zie 4.2 hierboven). De belanghebbende in die zaak had haar 25%-belang in A BV verkocht aan B voor f 250.000. Afname en betaling bleven uit en in 1971 verkocht zij A BV voor f 1 aan D. Na onderhandelingen ontving zij in 1972 van B f 182.000 als schadevergoeding wegens niet-afname (wanprestatie). Met het Hof Amsterdam meende u dat die vergoeding geen voordeel uit hoofde van een deelneming was omdat zij betaald/ontvangen was uit hoofde van wanprestatie. Laten wij daarop de evenwichtsgedachte en de rest van HR
BNB2017/11 los, dan zou de uitkomst nog steeds dezelfde zijn. B had weliswaar volgens HR
BNB2017/11 een deelneming als gevolg van haar recht op levering, maar op het moment waarop zij de schadevergoeding betaalde, kon de belanghebbende al lang niet meer leveren. Zij had immers de deelneming al geleverd aan D. Eigenlijk verkeerde B dus in positie vergelijkbaar met onze belanghebbende, want als B alsnog nakoming en levering had gewenst, was dat feitelijk en rechtens onmogelijk geweest door een buitencontractuele verhinderende omstandigheid, nl. de onherroepelijke levering aan een derde.
BNB1985/200 is dus niet achterhaald, maar door HR
BNB2017/11 rijst wel de vraag of u er stiekem een nieuwe dogmatische bodem onder heeft geschoven die in andere gevallen dan dat van HR
BNB1985/200 wél tot andere uitkomsten leidt. Daarover zou u de praktijk duidelijkheid kunnen geven, want ook in casu lijkt duidelijk dat áls er een deelneming is, de vergoeding niet genoten is uit hoofde van die deelneming, maar uit onrechtmatige overheidsdaad/BIT-schending: zoals de belanghebbende stelt (pleitnota, randnummer 6):
BNB2017/11 en het Netwerkorganisatie-arrest dus naar het resultaat te voeren dat de vergoeding onder de deelnemingsvrijstelling valt. Komt u niet aan deze causaliteits/evenwichtsvraag toe omdat ook u meent dat bij de belangbebbende geen te activeren bedrijfsmiddel ‘deelneming’ is ontstaan, dan zou u niettemin kunnen overwegen de praktijk hieromtrent uitsluitsel te verschaffen.
9.De middelen
SPAen het
FAvolgt naar ‘s Hofs oordeel dat de partijen beoogden het volle 21%-belang aan de belanghebbende over te dragen. Dat wordt volgens hem niet anders als de afzonderlijke verbintenissen zouden kunnen worden uitgelegd als een
putoptierecht van de RoP om de aandelen à PLN 116,50 te verkopen aan de belanghebbende en een
calloptierecht van de belanghebbende om de aandelen tegen de hoogste van PLN 116,50 of de beursintroductieprijs te kopen. Dat is dus niet zijn opvatting. Hij overweegt slechts ten overvloede dat
alsde verbintenissen aldus zouden kunnen worden uitgelegd, dat niet zou uitmaken voor zijn oordeel dat het 21%-belang niet is gesplitst. Of dat laatste oordeel juist is, doet niet ter zake, nu het ten overvloede wordt gegeven (ik denk dat het onjuist is).
calloptierecht heeft verkregen en de RoP een
putoptierecht. Het één (koopcontract) sluit het ander (optiecontracten) inderdaad niet uit, maar dat heeft het Hof ook niet gedaan. Hij heeft slechts geoordeeld dat de partijen het ene (koop) hebben gedaan en het andere (opties) niet. Dat zij iets (anders) hadden kunnen doen, betekent niet dat zij dat ook gedaan hebben. Wie stelt, bewijst. ’s Hofs feitelijke oordeel dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de partijen naast een koopcontract tevens daaraan voorafgaande optiecontracten hebben beoogd en bewerkstelligd, lijkt mij geenszins onvoldoende gemotiveerd of onbegrijpelijk, gegeven dat uit niets volgt dat de belanghebbende enig kooprecht heeft gehad
zonderafnameplicht of de RoP enig verkooprecht heeft gehad
zonderleveringsplicht (behoudens goedkeuringsvereisten).
preliminary agreementgeen nakoming kon worden gevorderd omdat de ministeriële toestemming voor koop alweer verlopen was. Er was daarom volgens het Hof geen overeenkomst (meer) waarbij de RoP zich heeft verplicht het 21%-pakket aan de belanghebbende te leveren en waarbij de belanghebbende zich heeft verplicht de op de verwerving daarvan gerichte tegenprestatie te leveren. Daarmee heeft het Hof correct de maatstaf van HR
BNB2017/11 toegepast, zulks op basis van zijn uitleg van Pools recht. Mede gegeven de vele adviezen over de uitleg van het Poolse recht, lijkt mij dat recht niet onvoldoende onderzocht door het Hof. Zijn uitleg ervan lijkt mij evenmin onbegrijpelijk, want heel wel pleitbaar in het licht van die vele adviezen, die geen verlossende concludente rechtspraak van de hoogste Poolse rechter omvatten, maar vooral onoverzichtelijk uiteenlopende opvattingen in de Poole rechtskundige literatuur waarvan (mij) niet steeds helder is of zij wel relevant zijn voor de specifieke situatie van de belanghebbende.
State Treasurydoor de Poolse burgerlijke rechter had kunnen worden veroordeeld, of zou zijn veroordeeld, tot het verlenen van de publiekwettelijk vereiste toestemming voor de levering van de aandelen, en ik acht dat ook onaannemelijk, omdat het de zin aan zo’n publiekrechtelijke c.q. politieke noodrem/veiligheidsklep zou ontnemen. Zoals eveneens al opgemerkt, meen ik met het Hof (r.o. 4.19) dat een privaatrechtelijke veroordeling tot nakoming het ontbreken van de publiekrechtelijk vereiste ministeriële toestemming niet kan helen en dus niet tot levering kan leiden. Dat ontbreken staat mijns inziens zodanig in de weg aan effectuering van een eventueel privaatrechtelijk leveringsrecht dat daardoor naar Nederlands belastingrecht geen te activeren bedrijfsmiddel ‘deelneming’ is ontstaan.
omdatdoor zijn toedoen ten onrechte geen deelneming is ontstaan een schadevergoeding heeft moeten betalen.
control premiumad € 255 mio. De componenten (ii) en (iii) (153 + 255 = 408) zijn volgens het Hof toe te rekenen aan belanghebbendes vooraf bestaande deelneming en component (i) is volgens hem niet aan enige deelneming toerekenbaar. 408/1908ste deel van de vergoeding is dus vrijgesteld en 1500/1908ste deel is belast. Het Hof plaatst aldus de gemiste waardestijging van het niet-verkregen 21%-belang buiten de deelnemingsvrijstelling juist
omdathij oordeelt dat belanghebbendes gerechtvaardigde verwachtingen of zelfs eventuele contractuele rechten op levering van dat belang als gevolg van de (onrechtmatige: BIT-schendende) onthouding van ministeriële goedkeuring(en) zozeer publiekrechtelijk werd gefrustreerd dat geen te activeren bedrijfsmiddel ‘deelneming’ is ontstaan met betrekking tot dat belang. Zelfs als privaatrechtelijk al een recht op levering zou zijn ontstaan – behoudens het publiekrechtelijke vereiste - lijkt mij dit oordeel geheel consistent en geenszins innerlijk tegenstrijdig.
lock updie na de beursintroductie gold voor haar niet-verkochte aandelen [D] .
lock upperiode voor belanghebbendes na de beursintroductie resterende deelneming in [D] . De belanghebbende stelt dat – gezien het partijdebat, met name het niet-reageren van de Inspecteur op het uitvoerig onderbouwde standpunt van de belanghebbende – het Hof zonder nadere motivering niet aldus kon oordelen.
lock upex art. 15.16 van de S&DA. Nu het S&DA haar slechts verplichtte een 15%-pakket te verkopen, acht ik ’s Hofs oordeel dat een vergoeding ex het S&DA voor gemis van IPO-discount alleen op dat 15%-belang kan worden betrokken, geenszins onvoldoende gemotiveerd, laat staan onbegrijpelijk.
lock upzou omvatten, lijkt mij geenszins onbegrijpelijk (wie stelt, bewijst) en in cassatie onaantastbaar.
expert opinionheeft afgegeven. Het Hof heeft zijn vragen voorgelegd aan de partijen, maar heeft later onder meer de volgende vraag toegevoegd zonder de partijen opnieuw te raadplegen:
expert opinionvanwege het IJI (daardoor) gebaseerd op onjuiste en onvolledige informatie en (iv) heeft het Hof een ontoelaatbare verrassingsbeslissing genomen.
kanstellen om hun wensen ter zake van het onderzoek kenbaar te maken. Zoals boven (onderdeel 6) eveneens bleek, kent het civiele recht wel een verplichting om de vragen aan partijen voor te leggen (art. 67 Rv Pro.; zie 6.5 hierboven), maar die geldt alleen voor de ‘Londonse’ weg, waarmee de belastingrechter niet te maken heeft. Maar ook de burgerlijke rechter is denkelijk niet verplicht elke extra vraag of herformulering aan de partijen voor te leggen; u zie de literatuur in 6.9 e.v. hierboven genoemd. Art. 67(4) Rv. bepaalt in elk geval dat voor zover het om de inhoud van de te stellen vragen gaat, tegen de tussenbeslissing waarbij die vragen worden gesteld, geen voorziening openstaat.
expert opinionte reageren en zij heeft dat ook gedaan, onder meer door inbreng van commentaren op die
expert opinionvan twee door haar benaderde Poolse advocaten. Bovendien heeft het Hof een tweede zitting gehouden waarin over de drie opinies en over de inhoud en implicaties van het Poolse recht is gesproken. Van onvoldoende wederhoor kan in deze omstandigheden niet gesproken worden. Dat het Hof een rechtsopvatting kiest die de belanghebbende niet convenieert, is geen schending van enig beginsel van procesrecht, noch een motiveringsgebrek.
civielerecht onderscheid maakt tussen opschortende voorwaarden en opschortende tijdsbepalingen. De vraag bevat aldus geen kwalificatie van het een of van het ander, noch veronderstelt de vraag iets over de civielrechtelijke effecten van het Poolse
publiekerecht waardoor de ministeriële toestemming wordt beheerst, zoals volgt uit de rechtsmiddelverwijzing op de verlopen beschikking van de (vorige) minister van financiën.
legal condition). Dat lijkt mij niet alleen hoogst speculatief, maar ook hoogst onwaarschijnlijk, nu ik mij slecht kan voorstellen dat het IJI als
legal experteen Poolse advocaat zou raadplegen die zonder daarop uitdrukkelijk door een Nederlandse rechter gewezen te worden niet bij machte zou zijn om een contractuele afspraak naar Pools recht te onderscheiden van een Pools-wettelijk vereiste. De IJI
expert opiniongaat overigens helemaal niet in op de eigenaardigheden van belanghebbendes zaak. De belanghebbende schrijft daarover zelf aan haar eigen expert: [76]
legal conditions) (zie de citaten in 6.15 en 6.16 hierboven) en heeft dus wel degelijk dat onderscheid op het netvlies en gaat wel degelijk in op het punt dat volgens de belanghebbende aan de orde moest worden gesteld. Op het door mij gecursiveerde deel van zijn antwoord op de wél tevoren aan de partijen voorgelegde vraag (e) (zie 6.16 hierboven) kon het Hof zonder enig procesrechtelijk bezwaar baseren dat de belanghebbende niet het voor activering als deelneming vereiste (rechtstreekse) recht op levering had verworven. In het advies van de door belanghebbende ingeschakelde expert [AA] (zie 6.18 hierboven) lees ik ook niet hetgeen de belanghebbende betoogt, nl. dat het advies van de IJI-
expertonjuist zou zijn, noch wat het antwoord op ’s Hofs vraag (g) dan wél zou hebben moeten zijn. Belanghebbendes advocaat [B] verklaart vooral dat zijns inziens de precontractuele fase was afgesloten, maar dat is een Nederlandsrechtelijk begrip, waarover Poolse deskundigen niet gaan, en dat een perfecte
preliminary agreementis gesloten, ontkent het Hof geenszins. Zoals boven bleek, levert zelfs een
strong preliminary agreementen zelfs een civielrechtelijke veroordeling tot nakoming en tot sluiten van een
final agreementnaar Nederlands belastingrecht nog geen als bedrijfsmiddel te activeren deelneming op.
State Treasury, waarvan vast stond, ook vóór 1 januari 2002 – gezien diens verijdeling van prospectus en beursgang – dat die niet verkregen zou worden. Dat staat mijns inziens hoe dan ook aan activering als bedrijfsmiddel in de weg.