Belanghebbende, behorend tot een concern in de olie- en gasindustrie, was aandeelhouder van [B] B.V., dat op zijn beurt 50% van de aandelen hield in [C]. De andere 50% werd gehouden door [I], wiens aandelen uiteindelijk via verschillende transacties in handen kwamen van [G] en later [K]. Volgens de aandeelhoudersovereenkomst en de 'Deed of Incorporation' bestond een voorkeursrecht bij overdracht van aandelen.
Na een geschil over de overdracht van aandelen heeft het Arbitration Institute of the Stockholm Chamber of Commerce (AISCC) bepaald dat [G] zijn aandelen aan [B] moest overdragen tegen een koopprijs. Omdat [G] niet aan deze uitspraak voldeed, werd een Canadese procedure gevoerd die resulteerde in een schikking waarbij [G] een schadevergoeding betaalde aan [B]. De Inspecteur nam deze vergoeding mee in de vennootschapsbelastingaanslag van belanghebbende.
Het geschil betrof de vraag of deze schadevergoeding onder de deelnemingsvrijstelling viel. De Hoge Raad bevestigde dat de vergoeding niet als voordeel uit hoofde van een deelneming kon worden aangemerkt, omdat er geen overeenkomst was gesloten waarbij de aandelen waren geleverd en de tegenprestatie was aanvaard. Ook was er geen sprake van een opsplitsing van het belang. De vergoeding had het karakter van een schadevergoeding wegens niet-nakoming van het voorkeursrecht en viel daarom niet onder de deelnemingsvrijstelling.