Conclusie
2.Ontvankelijkheid
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdelen 1 en 2zijn gericht tegen rov. 15 van het tussenarrest, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:
Intrahof/Bart Smit [20] heeft de Hoge Raad met betrekking tot de in art. 6:94 BW Pro opgenomen maatstaf om een boete te matigen het volgende overwogen:
Intrahof/Bart Smitvoorop gesteld en de van hem vereiste terughoudendheid dan ook onderkend. Het hof heeft namelijk in rov. 15 van het bestreden tussenarrest overwogen dat de billijkheid klaarblijkelijk matiging eist van de boete, omdat deze zoals gevorderd, gelet op alle omstandigheden, buitensporig is en tot een onaanvaardbaar resultaat leidt dat ook in geen enkele verhouding staat tot de prestaties, de gestelde tekortkoming daarbij en de mogelijk daardoor geleden schade. In lijn hiermee heeft het hof in rov. 5 van het eindarrest geoordeeld dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat het gevorderde boetebedrag wordt gematigd tot € 20.000. De klacht uit subonderdeel 1.1, dat het hof heeft miskend dat de rechter slechts mag matigen tot een niveau dat de boete niet langer buitensporig te noemen is in de gegeven omstandigheden, faalt dan ook.
Intrahof/Bart Smit, één van de relevante gezichtspunten is geweest die het hof in zijn beoordeling heeft betrokken, maar niet het enige gezichtspunt. Bovendien heeft het hof de boete gematigd tot een bedrag van € 20.000, terwijl het hof – in cassatie onbestreden – heeft geoordeeld dat er geen enkele aanwijzing is dat Rijnhoek Vastgoed schade heeft geleden. Het hof heeft de boete dus niet geheel ‘weg gematigd’.
een groot deel- ongeveer 65 m - van de kabels en leidingen zelf heeft verlegd. Er resteerde dus ongeveer 20 m.
conform de staffel BIK” gevorderd. Omdat het door Rijnhoek Vastgoed gevorderde boetebedrag klaarblijkelijk moest worden gematigd, zal het hof de buitengerechtelijke kosten slechts toewijzen tot het bedrag dat volgens de staffel van de buitengerechtelijke incasso kosten behoort bij een hoofdsom van