Conclusie
per dag) die, ingevolge het lange tijdsverloop tussen de oorspronkelijke oplevering en het voltooien van de tweede extra sanering, de koopprijs van het perceel vele malen overstijgt. Zowel de rechtbank als het hof veroordelen [verweersters] . tot betaling van de contractuele boete, maar matigen de boete vergaand. Het cassatieberoep komt op tegen de door het hof toegepaste matiging van de boete, niet tegen de beslissing om de boete te matigen als zodanig.
1.Feiten
Verontreiniging. Garantie van verkoper
21.Verzuim
2.Procesverloop
primairvordert dat [verweersters] ., ieder voor de helft, worden veroordeeld tot betaling van een contractuele boete van € 2.000.000,--, [4] te vermeerderen met de wettelijke rente en
subsidiairvordert dat [verweersters] ., ieder voor de helft, worden veroordeeld tot betaling van € 171.825,05 aan contractuele boete, althans wanprestatie, te vermeerderen met een in goede justitie te bepalen bedrag vanwege gedaan onrecht en gederfd genot c.q. aantasting in de persoon ex art. 6:106 BW Pro, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarnaast vordert de koper veroordeling van [verweersters] . in de proceskosten.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel IIuitsluitend op het eerste onderdeel voortbouwende klachten bevat.
Onderdeel Ibestaat uit twee subonderdelen.
Subonderdeel I onder a.betoogt, kort gezegd, dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door verder te matigen dan noodzakelijk.
Subonderdeel I onder b.betoogt, samengevat, dat het matigingsoordeel, waaronder het oordeel tot welk bedrag de boete moet worden gematigd, onvoldoende is gemotiveerd.
in hoeverrede rechter een contractueel verschuldigde boete mag matigen en welke motiveringseisen hierbij gelden. Het middel betwist niet het oordeel
dathet hof tot matiging kon overgaan. [10] De vragen
ofen zo ja,
in hoeverrede rechter tot matiging kan overgaan, zijn echter dusdanig met elkaar verweven dat zij zich lastig afzonderlijk laten beantwoorden.
Turan/Easystaffheb ik tot uitgangspunt genomen dat de feitenrechter dient te matigen tot een bedrag dat
niet klaarblijkelijk onbillijkis, en niet tot een bedrag dat de rechter
redelijktoekomt. [30] Voor dit standpunt valt ook enige steun te vinden in de literatuur. [31] Uw Raad heeft hierover in het bedoelde arrest niet met zoveel woorden een oordeel gegeven, zo veronderstelt althans het cassatiemiddel. [32]
niet klaarblijkelijk onbillijkeboete geen exacte wetenschap betreft, maar afhangt van een waardering van feiten en omstandigheden. Bovendien is het in de eerste plaats aan partijen om in hun overeenkomst een boeteregime op te nemen dat zo is ingericht dat het in het gegeven geval tot een
niet klaarblijkelijk onbillijkeboete leidt. [33] Het zou onwenselijk zijn als (met name) de boetecrediteur zich bij het overeenkomen en inrichten van een boeteregime in feite niet behoeft te bekommeren om de vraag welke modaliteiten in de gegeven omstandigheden en gelet op de wederzijdse belangen tot een niet onbillijke boete leiden, omdat hij erop zou kunnen vertrouwen dat de feitenrechter een in de overeenkomst opgenomen boetebepaling – indien deze tot een evident te hoge boete en daarmee onaanvaardbare uitkomst leidt – aan de hand van art. 6:94 BW Pro wel tot de maximaal nog aanvaardbare toepassing brengt. [34] Ook als tot uitgangspunt moet worden genomen dat de feitenrechter dient te matigen tot een bedrag dat
niet klaarblijkelijk onbillijkis, neemt dit derhalve niet weg dat aan de feitenrechter een zekere beoordelingsruimte toekomt. Partijen (met name: de boetecrediteur) die zich er niet om hebben bekommerd de boetebepaling zo in te richten dat de uitkomst bij toepassing daarvan, kort gezegd, niet klaarblijkelijk onbillijk is (althans daar niet in zijn geslaagd) nemen deze rechterlijke
margin of appreciationten aanzien van de vaststelling van de boete voor lief. [35]
Turan/Easystaffheb ik betoogd dat uit de rechterlijke beslissing voldoende dient te blijken hoe de rechter tot het gekozen bedrag is gekomen en waarom dat bedrag in de omstandigheden van het geval niet klaarblijkelijk onbillijk is. [36] In die zaak heb ik geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, mede omdat het hof naar mijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd hoe het tot het bedrag van de gematigde boete was gekomen. [37] Uw Raad heeft echter anders geoordeeld en het bestreden arrest in stand gelaten. Hieruit maak ik op dat Uw Raad een meer beperkte motiveringsplicht voorstaat ten aanzien van het oordeel van de feitenrechter tot welk bedrag een boete, waarvan de billijkheid matiging klaarblijkelijk eist, dient te worden gematigd. Een dergelijke lijn werd eerder al, voorzichtig, door Hijma aangewezen in zijn noot onder het arrest
Hauer/Monda II. [38] Mede gezien het feit dat het arrest
Turan/Easystaffeen beslissing uit 2018 betreft, lijkt het mij geraden ervan uit te gaan dat Uw Raad thans niet alsnog op een ander spoor zal gaan zitten. [39]
redelijkeboete, maar ‘slechts’ tot een bedrag dat
niet disproportioneel(met andere woorden: nog wel toelaatbaar) is. [41] Subonderdeel I onder a.faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Turan/Easystaffen
Hauer/Monda IIvoortvloeiende beperkte motiveringsplicht van de feitenrechter ten aanzien van de weging van de omstandigheden (randnummer 3.8 hiervoor) en de aan de feitenrechter toekomende
margin of appreciationten aanzien van het bepalen bij welke hoogte een boete niet langer klaarblijkelijk onbillijk is (randnummer 3.7 hiervoor), behoefde het hof niet nader te motiveren hoe het in het licht van de genoemde omstandigheden is gekomen tot een matiging tot € 75.000. Evenmin behoefde het hof een berekening op te nemen. In het kader van matiging van contractuele boetes is immers niet van doorslaggevend belang hoe de rechter mathematisch tot een bedrag is gekomen of kan zijn gekomen, maar of het eindresultaat in het licht van de relevante omstandigheden al dan niet klaarblijkelijk onbillijk is. Het voorgaande brengt met zich dat
subonderdeel I onder b.faalt.
onderdeel II. De conclusie strekt derhalve tot verwerping van het cassatieberoep.