ECLI:NL:HR:2001:AB2741
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- R. Herrmann
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Beoordeling matiging contractuele boete wegens wanprestatie
In deze zaak stond de vraag centraal of de contractuele boete van ƒ 90.000,--, opgelegd wegens het niet tijdig betalen van ongeveer ƒ 15.000,--, gematigd moest worden door de rechter. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 13 februari 1998 waarin het Gerechtshof Amsterdam werd terugverwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens onvoldoende motivering omtrent matiging van de boete.
Het Hof te 's-Gravenhage oordeelde dat de redelijkheid en billijkheid niet vereisten dat de boete werd gematigd, ondanks de aanzienlijke disproportie tussen de boete en de betalingsachterstand. Het Hof nam verschillende omstandigheden in aanmerking, maar vond geen reden tot matiging.
De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de rechter niet verplicht is om de boete te differentiëren naar ernst van tekortkoming of schade, maar dat matiging alleen aan de orde is indien de billijkheid dat duidelijk eist. De Hoge Raad veroordeelt de eiser tot cassatie in de kosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de contractuele boete niet gematigd wordt.