Conclusie
de erfgrens, zoals deze tot op de dag van vandaag bestaat,
de erfgrens is zoals ik die heb aangetroffen toen ik in 1976 bij mijn schoonouders de familie [naam 1] over de vloer kwam. Toenmalig wonend op [b-straat 2] . Tevens woon ik zelf sinds 1979 op [b-straat 3] en heb sindsdien de erfgrenzen niet zien wijzigen."[betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) heeft gewoond op de [c-straat 1] (perceel [004] op de kadastrale kaart, grenzend aan zowel perceel [001] (thans het perceel van [eisers] ) als perceel [002] (het perceel van [verweerder] )). Hij heeft onder meer het volgende verklaard: “(...)
Als oud bewoner van de [c-straat 1] , verklaar ik dat de erfgrens zoals deze tot op de dag van vandaag bestaat, de erfgrens is zoals wij die hebben aangetroffen toen wij in oktober 1988 het betreffende pand gingen bewonen. Onze tuin eindigde exact op de plek waar de tuin van [c-straat] heden ten dage nog steeds eindigt en ook de muur van de schuur van het perceel [b-straat 1] staat exact op de plek zoals deze in de vorm van een hek aanwezig was toen de Familie [naam 2] het pand bewoonde. Na verhuizing van de Familie [naam 2] , heeft de huidige bewoner de huidige schuur exact op de plaats van de schutting geplaatst, die daar was aangelegd door de toenmalige bewoonster [betrokkene 1] . De situatie zoals deze nu wordt aangetroffen is sinds oktober 1988 niet veranderd.”[betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ), die al meer dan 60 jaar woont op de [c-straat 2] , naast het huis waarin vroeger [betrokkene 3] woonde, heeft verklaard dat de schutting er zeker 25 jaar staat. De laatste verklaring is van [betrokkene 5] (hierna: [betrokkene 5] ), die sinds 1943 woont op [b-straat 4] . Hij heeft onder meer verklaard:
“(…) In de loop der jaren dat ik contact had met zowel de familie [naam 2] (voormalig bewoners [b-straat 1] ) en de familie [naam 1] (voormalig bewoners [b-straat 2] ) heeft het hek zoals heden ten dage nog zichtbaar op [b-straat 2] altijd op deze plaats gestaan."
2.Juridisch kader
allerechters die zullen beslissen. Het is een fundamenteel beginsel van burgerlijk procesrecht, maar het is niet onbeperkt. [9] Het doel is te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing.
doelvan de zitting centraal staat. Dat is te begrijpen, omdat de regels vooral betrekking hebben op de aanloop naar de mondelinge behandeling. Overigens kunnen gerechten ook bij procesreglement regelen dat partijen kunnen verzoeken dat de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen.
doelenhet beproeven van een schikking, het inwinnen van inlichtingen (en het maken van regie-afspraken) en dus niet het gelegenheid bieden aan partijen hun standpunten toe te lichten.
Feitelijkis de mondelinge behandeling echter anders verlopen, zo betoogt [eisers] Er is, zo is de strekking van hun standpunt in cassatie, wel sprake geweest van toelichting van standpunten door partijen. Vraag is welke regels gelden wanneer een zitting op deze manier ‘ontspoort’. Voor zover mij bekend, is dat niet eerder op deze wijze aan de orde geweest.
Huidige jurisprudentie
SIPOR [23] en
de Stichting [24] heeft uw Raad duidelijk gemaakt dat en hoe de regels uit het voormelde arrest
[…] /Staatuit 2014 van belang zijn voor de unus-behandeling. In een reeks uitspraken [25] is de leer bevestigd en uitgewerkt. In een beschikking van 22 februari 2019, wel aangeduid met de cryptische naam
Werkgever/Werknemer, [26] heeft uw Raad de regels als volgt samengevat (met mijn onderstreping, A-G):
Indien in een meervoudig te beslissen zaak in hoger beroep wordt bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden ten overstaan van een raadsheer-commissaris, en die mondelinge behandeling mede tot doel heeft partijen de gelegenheid te geven hun stellingen toe te lichten, zal uiterlijk bij de oproeping van partijen voor de mondelinge behandeling aan hen moeten worden meegedeeld dat is bepaald dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Aan partijen dient (in een procesreglement of op andere wijze, zie HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976) de gelegenheid te worden gegeven om te verzoeken dat de mondelinge behandeling zal worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Zodanig verzoek zal in beginsel moeten worden ingewilligd, en kan alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de uitspraak moeten worden vermeld.”
de Stichtingop dat uit de jurisprudentie zes regels afgeleid kunnen worden en dat uw Raad daarnaast nog twee opmerkingen heeft gemaakt:
Doelen van een mondelinge behandeling
de Stichtingen
SIPORals volgt uitgewerkt en toegelicht:
Doel(en) van een mondelinge behandeling
De Stichtingheeft Van Rijssen in dat kader het volgende opgemerkt:
Alleen doel van belang, niet feitelijk verloop?
doelvan een mondelinge behandeling. Van Rijssen heeft opgemerkt [29] dat het er kennelijk niet om gaat wat er daadwerkelijk ter zitting gebeurt. Dat heeft mijns inziens te maken met het feit dat uw Raad in de betreffende zaken een toetsingskader voorafgaand aan de zitting heeft geformuleerd.
FNV/ […]en
Werkgever/Werknemerook verwezen naar het feitelijke verloop ter zitting, onder verwijzing naar het proces-verbaal c.q. de stukken van het geding. Zie ik het goed, dan was dat in beide gevallen vooral ter versterking van het oordeel dat het doel van de zittingen vooraf al niet beperkt was tot het geven van inlichtingen en het beproeven van een schikking. Zo overwoog uw Raad in
FNV/ […]:
Niet snel afstand van recht
FNV/ […]en
Verzekerings Unie.
FNV/ […]is, na de hierboven geciteerde rechtsoverwegingen, als volgt overwogen:
Werkgever/Werknemerhad al een mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer plaatsgevonden. Vervolgens is een comparitie (voortgezette behandeling) ten overstaan van een raadsheer-commissaris gepland. Nadat die was gehouden, is de eindbeschikking gewezen. In een tussenbeschikking had het hof het verzoek van één van partijen om een nadere mondelinge behandeling voor de meervoudige kamer afgewezen. Uw Raad heeft dit afgestraft, omdat het doel van de gelaste comparitie mede was dat partijen hun standpunt konden toelichten. In die zaak was dus daadwerkelijk een verzoek gedaan door één van de partijen.
Comparitie na aanbrengen categorisch uitgesloten?
[…] /Gemeente Amsterdamheeft uw Raad, in het kader van de rechterswisseling, het volgende overwogen:
Ad (c) De comparitie na aanbrengen in hoger beroep
de Stichtingen
SIPORbij de bespreking van de doelen van verschillende soorten mondelinge behandelingen overwogen dat (bijvoorbeeld) de comparitie na aanbrengen een ander doel heeft dan partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunten toe te lichten. Daaruit volgt dan dat de regels niet van toepassing zouden zijn.
[…] /Gemeente Amsterdamspreekt Van Rijssen twijfels uit over de algemene overweging daarin dat de regels niet van toepassing zijn op de comparitie na aanbrengen:
De comparitie na aanbrengen
FNV/ […]en
Werkgever/Werknemerde regels wel van toepassing zijn. Dat is niet anders als naast het ruimere doel de aanduiding comparitie na aanbrengen wordt gebruikt. De overwegingen voorafgaand aan de uitsluiting van de comparitie na aanbrengen, met bewoordingen als ‘veelal’, ‘met name’ laten die ruimte mijns inziens. Ik kan mij daarom wel vinden in de benadering van uw Raad.
Regels voor een ‘ontspoorde’ comparitie na aanbrengen
doelhad dat partijen hun standpunten zouden kunnen toelichten, maar dat feitelijk wel gebeurt? Het is mogelijk dat de rechter partijen daar onverwacht toe uitnodigt, maar ook dat (één van) partijen zijn/hun kans grijpt/en.
doelvan de zitting partijen toch de gelegenheid hebben gekregen hun standpunten toe te lichten. Zij zijn daarvan uiteraard op de hoogte. Het is denkbaar dat zij menen dat er aanleiding bestaat om een mondelinge behandeling ten overstaan van de volledige zetel te verzoeken. Het onmiddellijkheidsbeginsel zelf is dan aan de orde. Daarnaast is denkbaar dat partijen menen dat hun toelichting onvoldoende uit de verf kwam. Zij waren immers niet voorbereid op een mondelinge behandeling die tot doel had dat zij hun standpunten zouden toelichten. Ik meen dat er op grond daarvan veel voor te zeggen is dat van partijen in een dergelijke situatie verwacht mag worden dat zij zelf aan de bel trekken.
doelvan de mondelinge behandeling blijkens de aankondiging was. Bij een comparitie na aanbrengen is dat doel duidelijk in het tussenarrest omschreven. Deze comparitie vindt ook plaats in een stadium van de procedure, waarbij in beginsel de rechtsstrijd in hoger beroep nog niet is afgebakend. Als in afwijking van het doel bij de mondelinge behandeling door de raadsheer-commissaris feitelijk toch gelegenheid wordt geboden om standpunten toe te lichten, dan is het aan partijen om desgewenst nadien een verzoek te doen om een mondelinge behandeling ten overstaan van de meervoudige kamer. Dit verzoek kan alleen worden afgewezen op zwaarwegende gronden, die in de beslissing worden vermeld. Er zal dan een proces-verbaal van de zitting aan partijen en de meervoudige kamer moeten worden gezonden, voordat de (eind)beslissing wordt genomen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
voorafgaandaan een mondelinge behandeling waarbij het doel (mede) is partijen gelegenheid te geven hun standpunten toe te lichten. De gehouden mondelinge behandeling had, bij het inplannen daarvan niet (kenbaar) tot
doelpartijen de gelegenheid te geven hun standpunten toe te lichten. De betreffende regels waren in zoverre niet van toepassing. Het onderdeel zoekt, zo meen ik te begrijpen, met de woorden ‘mede is benut’ aansluiting bij de uitspraak in
FNV/ […], waar uw Raad in rov. 4.1.4 [31] ook overweegt dat de mondelinge behandeling mede
is benutom partijen in gelegenheid te stellen hun standpunten toe te lichten. Ik zie dit vooral in onderling verband met rechtsoverweging 4.1.3 daarvoor, waar uw Raad overweegt dat in de
aankondigingin het tussenarrest niet is bepaald dat de comparitie uitsluitend strekte tot het beproeven van een schikking dan wel het verkrijgen van inlichtingen anders dan in deze zaak. Mede daarom meen ik (zie ro. 2.21) dat daar het doel en niet het feitelijke verloop het centrale criterium was.
feitelijkwel ruimte is geweest om standpunten toe te lichten, althans dat het proces-verbaal die indruk wekt, zonder dat dit al uit het geformuleerde doel bleek. De regels uit de jurisprudentie over de unus-behandeling voorzien daar niet in.
doel, zoals dat voorafgaand aan de zitting was geformuleerd, niet inhield dat partijen hun standpunten zouden mogen toelichten.
Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, omdat Van Staten c.s. geen voldoende specifiek bewijsaanbod heeft gedaan dat als het succes heeft, tot een ander oordeel zou kunnen leiden.[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.”
A-G):
en door [eisers] onvoldoende (gemotiveerd) zijn betwist, vast staat dat de achtermuur van de schuur staat op de plaats waar vóór 2001 de schutting heeft gestaan. Daarom falen grieven 1 en 2 van [eiser 1] . (…)”
A-G):
maaktonder de omstandigheden van dit concrete geval daarom
niet dat geen sprake was van bezit.
heeft [eisers] ook in hoger beroep niet onderbouwd.
Het feit dat de schutting door [betrokkene 1] zelf is gebouwd maakt dat niet anders. De stelling van [eisers] dat [betrokkene 1] het gebruik van de strook grond door [verweerder] en zijn rechtsvoorgang(st)ers slechts heeft gedoogd zonder de eigendom ervan prijs te geven,
heeft [eisers] niet onderbouwd. In het bijzonder heeft [eisers] geen enkele omstandigheid genoemd die erop wijst dat[betrokkene 1] haar eigendomsrechten zeker heeft gesteld nadat de schutting is geplaatst en [verweerder] en zijn rechtsvoorgang(st)ers exclusief gebruik van de strook grond zijn gaan maken.
Integendeel, uit het verzoek van [betrokkene 1] om de schutting op precies dezelfde plek terug te plaatsen, kan worden afgeleid dat ook [betrokkene 1] deze schutting als erfgrens beschouwde(zie rov. 4 van dit arrest onder c)).”
ofwelonvoldoende onderbouwd heeft geacht,
ofwelals niet ter zake doende heeft aangemerkt (dus als stellingen die – als daarvan zou worden uitgegaan – niet tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, en dus in feite geen betwisting van de relevante stellingen van [verweerder] inhielden). Het resultaat van beide kwalificaties is dat er volgens het hof sprake is van een onvoldoende onderbouwde betwisting van de stellingen van [verweerder] . In dat geval wordt aan bewijslevering niet toegekomen. [33] De conclusie van het hof om het bewijsaanbod van [eisers] af te wijzen, is hiervan dan enkel nog een logisch uitvloeisel.
geen voldoende specifiek bewijsaanbod” en “
dat als het succes heeft, tot een ander oordeel zou kunnen leiden”) niet erg helder is op dit punt, maar uit het daaraan voorafgaande kan mijns inziens toch geen andere conclusie worden getrokken dan dat het hof het bewijsaanbod niet heeft gepasseerd omdat het aanbod zelf niet voldoende specifiek of ter zake doende was, maar omdat de betwisting van [eisers] onvoldoende (onderbouwd) was met zich voor bewijslevering lenende stellingen of zich op niet ter zake doende feiten richtte en dus geen daadwerkelijke (relevante) betwisting inhield. De argumentatie van het hof wordt – in deze zin begrepen – bestreden met de delen van het onderdeel die ik hierboven met (iii) en (iv) heb aangeduid (daarover de volgende paragrafen). Het hof heeft daarmee dus ook geen prognose gegeven over het resultaat van de bewijslevering (ii). De punten (i) en (ii) missen derhalve feitelijke grondslag.
onbegrijpelijkis. Het onderdeel valt daarmee niet de (juiste) rechtsopvatting aan dat een bewijsaanbod kan (en moet) worden gepasseerd indien en voor zover de stellingen waarop een bewijsaanbod betrekking heeft – in het licht van het partijdebat en de (onderbouwde) stellingen en betwistingen daarin door de partijen over en weer – onvoldoende zijn onderbouwd, en dat dit eveneens geldt voor een tegenbewijsaanbod indien en voor zover de stellingen van de wederpartij van degene die het aanbod doet, onvoldoende (onderbouwd) worden betwist. Ook bevat het onderdeel in punt (iii), en ook in punt (iv), geen andere rechtsklachten.
waaromdit zo zou zijn, maar vermeldt slechts dat de stellingen van [eisers] wél voldoende feitelijk waren onderbouwd. De enige toelichting op dit standpunt is te vinden in voetnoot 2 van de procesinleiding in cassatie, waarin, als gezegd, staat dat het hof in rov. 12, 15, 17-20, 22, 24 en 26 een samenvatting geeft en dat reeds uit deze samenvatting blijkt dat [eisers] een voldoende onderbouwd verweer heeft gevoerd, en in het algemeen verwezen wordt naar (grote delen uit) de memorie van grieven. Waarom hieruit blijkt dat het hof begrijpelijkerwijs niet heeft kunnen concluderen dat de betwisting van [eisers] onvoldoende onderbouwd is, vermeldt het onderdeel niet. Het onderdeel geeft bijvoorbeeld niet aan dat er nog andere, niet door het hof in aanmerking genomen stellingen door [eisers] zijn betrokken, waarmee zijn betwistingen werden onderbouwd (en welke dat dan zijn). Mij wordt in de meeste gevallen ook niet zonder meer duidelijk dat het hof daartoe niet heeft kunnen concluderen, hoewel dat – gelet op het feit dat het onderdeel hierop verder geen toelichting geeft – volgens het onderdeel kennelijk direct duidelijk zou moeten zijn.
niet. In dat geval staat tegenbewijs (door middel van getuigenverhoor) wel degelijk nog open als daartoe een (algemeen) aanbod is gedaan, zoals hier het geval was. Pas na toelating tot deze bewijslevering kan de (definitieve) balans van de bewijswaardering worden opgemaakt. Mocht het hof hier toch al een definitieve bewijswaardering (en geen voorshands bewezenverklaring) hebben willen geven, dan zou dat een ongeoorloofde prognose over het resultaat van de bewijslevering hebben ingehouden. De rechter mag immers niet op grond van zijn waardering van de reeds afgelegde verklaringen of de inhoud van de schriftelijke verklaringen aan een bewijsaanbod voorbijgaan, omdat hij daarmee ten onrechte vooruit zou lopen op het resultaat van de bewijsvoering die nog moet plaatsvinden. [34]