Conclusie
mr. J. de Hoed
1.Feiten
2.Procesverloop
Care4Care-arrest van de Hoge Raad (rov. 5.4).
Greenpeace-arrest, waarop Taxi Dorenbos zich beroept, overweegt het hof dat het voor de werknemer in het
Greenpeace-arrest duidelijk was dat hij na de laatste schakel werkloos was. De werknemer kwam in een situatie terecht waarin hij zijn knopen moest tellen. Dit is bij Werknemer niet het geval, nu van een feitelijke onderbreking van de werkzaamheden van Werknemer geen sprake is. Werknemer kwam dus niet in de situatie terecht dat hij een bewuste keuze voor zijn arbeidsrechtelijke toekomst diende te maken. De vergelijking met het
Greenpeace-arrest gaat dan ook mank (rov. 5.9).
3.Het cassatiemiddel
4.Het juridisch kader
Ketenregeling
Greenpeace-arrest overwoog de Hoge Raad hierover het volgende: [8]
Deze onderdelen, die - gezien ook de parlementaire geschiedenis van de Wet van 14 mei 1998, Stb. 300 (Flexibiliteit en zekerheid) - terecht tot uitgangspunt nemen dat van een ongeoorloofde ontduiking of uitholling van art. 7:668a niet reeds sprake is door het enkele feit dat werkgever en werknemer overeenkomen dat de werknemer na het verstrijken van een tussenpoos van meer dan drie maanden als bedoeld in dat artikel weer in dienst van de werkgever zal treden, kunnen gezamenlijk worden behandeld.”
Greenpeace-arrest volgt dat de enkele omstandigheid dat de afspraak tussen werknemer en werkgever dat de werknemer na het verstrijken van een periode van meer dan drie maanden weer in dienst zal treden, niet betekent dat sprake is van ongeoorloofde ontduiking of uitholling (kortweg: misbruik). Daaruit is af te leiden dat bijkomende omstandigheden wél tot die conclusie kunnen leiden. [9]
Vervolgens bedenken omroepwerkgevers, als ik goed geïnformeerd ben, creatieve constructies om een vast dienstverband te vermijden. Zij bieden negenmaandscontracten aan en willen de medewerkers in de drie zomermaanden naar de WW afschuiven. Ik vind dat oneigenlijk gebruik. Ik vraag de minister, met mij na te denken hoe we hiermee moeten omgaan en wat we hieraan kunnen doen.”
Greenpeace-arrest het volgende over misbruik van de ketenregeling (mijn onderstreping): [13]
Campina-arrest, waarin de Hoge Raad oordeelde dat een zogenoemde draaideurconstructie niet toelaatbaar is (zie onder 4.15).
Campina-arrest uit 1991. [18] In die zaak ging het om werknemers die gedurende vijf jaar onafgebroken voor de werkgever werkzaam waren, afwisselend op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en als uitzendkracht. De Hoge Raad oordeelde hierover als volgt:
die zich naar haar aard ertoe leent om te ontkomen aan de werking van de dwingendrechtelijke wetsbepalingen die beogen de werknemer bescherming tegen hem verleend ontslag te bieden”, de rechter de werknemer bescherming moet bieden door aan te nemen dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen. Daardoor geniet de werknemer ontslagbescherming.
Boekenvoordeel/ […]oordeelde de Hoge Raad dat de bepaling ook geldt bij een doorstart na faillissement. [19]
Campina-arrest in de feitenrechtspraak is te vinden in een geval waarin de werknemer op basis van een reeks van uitzendovereenkomsten voor bepaalde tijd steeds werkzaam was voor dezelfde inlener, en op het moment dat hij aanspraak zou krijgen op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zijn werkzaamheden voor de inlener heeft voortgezet op basis van een uitzendovereenkomst voor bepaalde tijd met een ander uitzendbureau. Het hof Leeuwarden was van oordeel dat hier sprake was van ‘moedwillige wetsontduiking’, in die zin dat partijen “
een stelsel van samenhangende afspraken hebben gesloten die zich naar haar aard ertoe lenen om te ontkomen aan de werking van de dwingendrechtelijke wetsbepalingen die beogen de werknemer bescherming tegen hem verleend ontslag te bieden”.Dat de werknemer op de hoogte was van de constructie, maakte volgens het hof niet dat de werknemer zich niet op de wettelijke bescherming zou kunnen beroepen. Volgens het hof was met het tweede uitzendbureau dan ook een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. [20]
sommigeomstandigheden in de behoeften van zowel de werkgever als de werknemer kunnen voorzien. [30] Met het oog daarop, zo overweegt het HvJ, “
beoogt de raamovereenkomst het opeenvolgende gebruik te regelen van die laatste categorie van arbeidsverhoudingen, die wordt beschouwd als een mogelijke bron van misbruik ten nadele van de werknemers, door de vaststelling van een aantal minimale beschermende bepalingen om te vermijden dat werknemers in een precaire situatie zouden komen te verkeren.” [31]
Kücükvolgt dat bij de beoordeling of sprake is van een ‘objectieve reden’, ook het aantal en de duur van de opeenvolgende arbeidsovereenkomsten moet worden betrokken “
om uit te sluiten dat de werkgevers misbruik maken van arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd, zelfs indien deze overduidelijk worden gesloten om in een behoefte aan vervangend personeel te voorzien”. [33] Hieruit blijkt dat ook als het gaat om de uitleg van ‘objectieve redenen’ (en dus een maatregel aan de orde is als bedoeld onder a van clausule 5, lid 1, van de raamovereenkomst), omstandigheden die verband houden met maatregelen als bedoeld onder b of c van clausule 5, lid 1, van belang kunnen zijn. [34] Waar het steeds om gaat, is te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd.
De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.”
Care4Care-arrest heeft de Hoge Raad beslist dat ook sprake kan zijn van een uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW Pro als de werkgever geen allocatiefunctie vervult. [50] De Hoge Raad overwoog het volgende (rov. 3.3):
(…) Voor de toepassing van art. 7:690 BW Pro is niet vereist dat de werkgever een allocatiefunctie vervult, in die zin dat art. 7:690 BW Pro uitsluitend van toepassing is indien de werkgever zich met name bezighoudt met het bij elkaar brengen van vraag en aanbod van tijdelijke arbeid zoals vervanging van werknemers tijdens ziekte of andere afwezigheid, het opvangen van piekuren of soortgelijke plotselinge opkomende werkzaamheden. Uit de tekst van art. 7:690 BW Pro volgt dat alle arbeidsovereenkomsten waarbij de werknemer door de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van die derde, uitzendovereenkomsten zijn.(…)”
De payrollovereenkomst is de uitzendovereenkomst, waarbij de overeenkomst van opdracht tussen de werkgever en de derde niet tot stand is gekomen in het kader van het samenbrengen van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en waarbij de werkgever alleen met toestemming van de derde bevoegd is de werknemer aan een ander ter beschikking te stellen.”
een uitzendovereenkomst voor een payrollconstructie’ (rov. 5.7).
voldoende duidelijk was bij wie hij in dienst was na 30 juni 2015 (namelijk het payroll-bedrijf)’, terwijl uit de verklaringen van werknemer en werkgever voortvloeit ‘dat dit ook de bedoeling was van partijen, nu werkgever werknemer geen overeenkomst voor onbepaalde tijd wenste aan te bieden en werknemer wilde blijven werken en zodoende geen andere mogelijkheid had dan in dienst te treden bij het payroll-bedrijf’ (rov. 3.7.7).
voor het bestaan van een vooropgezet plan van Fontys om de ketenregeling te omzeilen’(rov. 3.7.5).
hoeftniet te betekenen dat sprake is van misbruik. Dat kán echter wel het geval zijn, als de enige reden voor deze gang van zaken is het omzeilen van de ketenregeling zodat de werknemer geen vast contract hoeft te krijgen. Het is aan de rechter om te beoordelen of sprake is van zo’n constructie.
Campina-arrest, zie onder 4.15)
‘een stelsel van samenhangende afspraken, die zich naar haar aard ertoe leent om te ontkomen aan de werking van de dwingendrechtelijke wetsbepalingen die beogen de werknemer bescherming tegen hem verleend ontslag te bieden.’Als dit laatste zich voordoet, zal sprake zijn van misbruik.
A fortiorilijkt mij ook van ondergeschikt belang of de werkgever de werknemer goed heeft geïnformeerd over inhoud en strekking van de uitzendovereenkomst of payrollconstructie. [59]
5.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Iaheeft het hof in rov. 5.10 miskend dat ook als ervan uit wordt gegaan dat de payrollconstructie is gebruikt voor het enkele doel om onder de bescherming van de ketenregeling uit te komen en hierin een reden kan worden gevonden de ketenregeling van toepassing te achten, dat dan een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou moeten worden aangenomen met de ‘nieuwe werkgever’, T4T. Werknemer was immers vanaf 4 september 2014 bij Taxi Dorenbos werkzaam op grond van een uitzendovereenkomst met T4T en niet op grond van een arbeidsovereenkomst met Taxi Dorenbos.
onderdeel Ib(procesinleiding onder 4.11), is het oordeel dat per 5 september 2014 tussen Werknemer en Taxi Dorenbos een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan worden aangenomen, niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
5.10. Omdat de payrollconstructie is gehanteerd voor het enkele doel om onder de bescherming van de ketenregeling uit te komen, kan deze constructie niet verhinderen dat vanaf de eerste dag waarop de werknemer via T4T bij Taxi Dorenbos ging werken, dus op 5 september 2014, tussen de werknemer en Taxi Dorenbos een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
Mede gelet op de toelichting op grief II is duidelijk dat Taxi Dorenbos haar pijlen mede gericht heeft op het oordeel van de kantonrechter dat de uitzendovereenkomst geen reële overeenkomst is (…)”). Ter onderbouwing van dat oordeel had de kantonrechter eerst overwogen dat T4T geen enkele allocatieve functie heeft vervuld richting Taxi Dorenbos of enig ander taxibedrijf (vonnis onder rov. 6). De kantonrechter vervolgt dat een allocatieve functie weliswaar geen constitutief vereiste is voor de totstandkoming van een uitzendovereenkomst, maar dat (toch) geen sprake is van een reële uitzendovereenkomst, omdat T4T niet een door Taxi Dorenbos in haar zoektocht naar geschikt personeel benaderde uitzendondernemer is (vonnis onder rov. 7). Volgens de kantonrechter was T4T alleen op papier werkgever geworden, en bestond de ‘arbeidsrelatie’ tussen T4T en Werknemer alleen uit het geplaatst zijn van Werknemer op de loonlijst van T4T. Feitelijk is er niets veranderd tussen Werknemer en Taxi Dorenbos (vonnis onder rov. 8). De kantonrechter is dan ook van oordeel dat die constructie alleen is opgezet om de ketenregeling van art. 7:668a BW te ontlopen (vonnis onder rov. 9) en dat door de constructie heen moet worden gekeken (vonnis onder rov. 10).
Care4Care– dat de kantonrechter heeft miskend dat voor een rechtsgeldige uitzendovereenkomst niet is vereist dat T4T een allocatiefunctie vervult (memorie van grieven onder 4.15-4.24). Verder werd betoogd dat aan alle wettelijke vereisten voor een uitzendovereenkomst is voldaan (memorie van grieven onder 4.26-4.29).
Care4Carevolgt immers dat dat vereiste niet geldt (zie ook hiervoor onder 4.37).
constructie,
met het enkele doel om onder de bescherming van de ketenregeling uit te komen.
geen reële uitzendovereenkomst(payrollconstructie) was, maar dat die overeenkomst slechts was opgetuigd om onder de bescherming van de ketenregeling uit te komen. Het hof had dit kunnen verduidelijken door in rov. 5.6 expliciet te overwegen dat weliswaar op papier sprake was van een uitzendovereenkomst, maar dat daarvan feitelijk geen sprake was. Gelet op de door het hof genoemde feiten en omstandigheden (vergelijk ook wat onder 4.52 van het juridisch kader is vermeld over in aanmerking te nemen gezichtspunten), kan het oordeel van het hof echter moeilijk anders worden begrepen, dan dat het hof onderschrijft dat geen sprake was van een reële uitzendovereenkomst of overeenkomst van payrolling.
ABN Amro/ […] . [63]
ABN Amro/ […]ging het om een werknemer die in dienst trad bij een schoonmaakbedrijf (De Gast) en bij ABN Amro tewerk werd gesteld als schoonmaker. In de loop der jaren werd zijn functie op verzoek van de bank gewijzigd, en vervulde hij ook chauffeurswerkzaamheden en installeerde hij pc’s. Op voorstel van de bank is hem een salarisverhoging toegekend overeenkomstig de CAO voor het bankbedrijf. Op enig moment heeft ABN Amro het schoonmaakbedrijf en later ook de werknemer laten weten dat de werkzaamheden van de werknemer zouden vervallen. De werknemer stelde dat er tussen hem en ABN Amro inmiddels een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan. In feitelijke instanties kreeg de werknemer gelijk. De Hoge Raad besliste echter anders (rov. 3.4, mijn onderstreping):
ABN Amro/ […]-arrest. Het oordeel van het hof moet zo worden begrepen, dat Taxi Dorenbos steeds werkgever is gebleven, omdat geen reële uitzendovereenkomst (payrollconstructie) met T4T tot stand is gekomen. [64]
subonderdeel Ie(procesinleiding onder 4.14) is het oordeel van het hof in rov. 5.10 onbegrijpelijk, nu de totstandkoming van een uitzendovereenkomst tussen T4T en Werknemer niet ter discussie staat.
Campina-arrest heeft de Hoge Raad immers overwogen dat sprake kan zijn van misbruik als de werkgever gebruik maakt van een constructie die ‘
zich naar haar aard ertoe leent om te ontkomen aan de werking van dwingendrechtelijke wetsbepalingen die beogen de werknemer bescherming tegen hem verleend ontslag te bieden’. In het oordeel van het hof ligt besloten dat in het onderhavige geval van een dergelijke constructie sprake is en dat daarmee sprake is van misbruik. In zo’n geval moet de rechter door die constructie heen kijken, en mag hij de werknemer niet de wettelijke ontslagbescherming onthouden. Concreet betekent dat dat de rechter ervan moet uitgaan dat sprake is van een voortgezette dienstbetrekking (vergelijk de laatste alinea van rov. 3.4 van het
Campina-arrest, dat is besproken onder 4.15).
Hiermee faalt de klacht.
onderdeel Ihgaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting, indien het hof in rov. 5.5 (A-G: bedoeld wordt rov 5.6) voor het antwoord op de vraag of per 5 september 2014 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, van belang acht op “welke wijze zij feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de arbeidsverhouding”. Dit omdat de manier waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun arbeidsovereenkomst, niet van (beslissende) betekenis is voor het antwoord op de vraag of op grond van art. 7:668a BW een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.
nietde conclusie dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Het hof leidt hieruit slechts af dat geen sprake is van een reële uitzendovereenkomst (payrolling), maar van een constructie die bedoeld is om de met art. 7:668a BW beoogde bescherming te ontduiken.
De klacht faalt.
Greenpeace-arrest mank zou gaan omdat Werknemer niet in staat zou zijn geweest om “zijn knopen te tellen”, ’s hofs oordeel niet voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Bovendien gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting, waar naar zijn oordeel op grond van het
Greenpeace-arrest voor het antwoord op de vraag of uitholling van art. 7:668a plaatsvindt, dan wel een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet worden aangenomen, beslissend is of de werknemer ‘zijn knopen dient te tellen’. In dit arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat van een uitholling van art. 7:668a BW niet reeds sprake is als een werkgever met een werknemer afspreekt om hem na een tussenpoos van meer dan drie maanden weer in dienst te nemen.
Greenpeace-arrest [65] geoordeeld dat van een ongeoorloofde ontduiking of uitholling van art. 7:668a niet reeds sprake is door het enkele feit dat werkgever en werknemer overeenkomen dat de werknemer na het verstrijken van een tussenpoos van meer dan drie maanden als bedoeld in dat artikel weer in dienst van de werkgever zal treden (zie onder 4.5). Uit de door de Hoge Raad gekozen formulering kan worden afgeleid dat bijkomende omstandigheden wel tot gevolg kunnen hebben dat sprake is van een ongeoorloofde ontduiking van de bescherming van de ketenregeling (zie onder 4.6). Ook het hof is daarvan uitgegaan, zoals blijkt uit ’s hofs overige overwegingen.
ervoor kiezen de onderbreking te accepteren en daarna aan een nieuwe keten te beginnen bij dezelfde werkgever (met risico op herhaling van het scenario), of een andere werkgever zoeken indien hij teleurgesteld is over de houding van de werkgever en/of meer zekerheid zoekt”. Dit zal voor veel mensen de realiteit van het arbeidsleven zijn.