Conclusie
onbepaaldetijd, in geval van opvolgend werkgeverschap, bij de berekening van de door de opvolgende werkgever in acht te nemen opzegtermijn (art. 7:672 lid 2 BW Pro) rekening worden gehouden met de voorgaande arbeidsovereenkomst(en) voor onbepaalde tijd (zoals het hof heeft aangenomen), of moet slechts worden gekeken naar de op het moment van ontslag geldende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (zoals het cassatiemiddel betoogt).”
onderdeel 2van het cassatiemiddel. Voor de bespreking van
onderdeel 1verwijs ik naar mijn conclusie van 6 juli 2018.
gebrokenmet de tot 1 januari 1999 geldende regel, dat voor de berekening van de opzegtermijn arbeidsovereenkomsten geacht worden eenzelfde, niet onderbroken arbeidsovereenkomst te vormen, indien de werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers, die redelijkerwijs geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkaar opvolger te zijn (art. 7:673 lid 1 onder Pro b (oud) BW). Vervolgens heb ik met betrekking tot de situatie onder de Wet werk en zekerheid (Wwz) onder de nrs. 3.20-3.21 het navolgende opgemerkt:
nietin een bepaling dat in geval van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd bij dezelfde werkgever, dan wel in geval van opvolgend werkgeverschap, voorgaande arbeidsovereenkomsten meetellen voor de berekening van
de opzegtermijn. In de totstandkomingsgeschiedenis van de Wwz is dit punt ook niet aan de orde geweest.
welbepalingen over de gevolgen van opvolgend werkgeverschap in de wet zijn opgenomen. Het zou voor de hand hebben gelegen om dan óók een regeling te geven over de gevolgen van opvolgend werkgeverschap voor de berekening van de opzegtermijn.”
nietwas voorzien in een bepaling dat bij opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd, in geval van opvolgend werkgeverschap, bij de berekening van de door de opvolgende werkgever in acht te nemen opzegtermijn rekening moet worden gehouden met de voorgaande arbeidsovereenkomst(en) voor onbepaalde tijd, moet bij nader inzien worden genuanceerd.
Artikel 668a
Onderdeel K
Onderdeel Q
als eenzelfde werknemer achtereenvolgens in dienst is geweest bij verschillende werkgevers die geacht moeten worden ten aanzien van de verrichte arbeid elkaars opvolger te zijn”, zou in het wetsvoorstel ten onrechte niet meer zijn terug te vinden. De FNV merkt in dit verband op dat de regeling in art. 7:673 (oud) BW zich niet beperkt tot arbeidsovereenkomsten voor
bepaaldetijd, maar spreekt van ‘arbeidsovereenkomsten’ in het algemeen. Art. 7:673 (oud) BW is evenmin beperkt tot situaties waarin is voldaan aan de 3-3-3-regeling van art. 7:668a lid 1 BW, maar heeft ook betrekking op twee opeenvolgende arbeidsovereenkomsten, aldus nog steeds de FNV. Eén van de knelpunten/leemtes die de FNV signaleert is dat art. 7:673 lid 1 onder Pro b (oud) BW in het wetsvoorstel ten onrechte is vervallen. De voorgestelde regeling van art. 7:668a lid 2 BW heeft immers slechts betrekking op art. 7:668a lid 1 BW (de 3-3-3-regeling), terwijl in het nieuwe lid 9 van artikel 672 BW Pro slechts de bepaling van art. 7:673 lid 1 onder Pro c (oud) BW is overgenomen.
bepaaldetijd. Volgens FNV ligt het voor de hand dat ook een arbeidsovereenkomst voor
onbepaaldetijd die voorafgaat aan een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ‘meetelt’ in de ketting (als bedoeld in art. 7:668a lid 1 BW).
- uit de voorgestelde tekst van art. 7:668a lid 2 BW zal in ieder geval de beperking tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moeten worden geschrapt; en
- de regeling van art. 673 lid 1 onder Pro b (oud) BW kan niet worden gemist. Deze zou kunnen worden toegevoegd aan het voorgestelde nieuwe lid 9 van art. 7:672 BW Pro.
gewenst, ter ondervanging van de zogenaamde draaideurconstructie. In samenhang met dit voorstel wordt (onder punt Q) aangekondigd dat artikel 673 vervalt Pro. In de toelichting hierbij wordt vermeld dat het vervallen van artikel 673 verband Pro houdt met de gewijzigde bepalingen voor de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en voor de opzegging, en wordt verwezen naar de voorgestelde artikelen 668, 668a en 672. Nadere beschouwing van een en ander in onderlinge samenhang maakt echter duidelijk dat het[
niet]
samenstel van regels enkele leemtes vertoond. Met name het huidige artikel 673 lid 1 sub b is Pro ten onrechte niet meer in de voorstellen terug te vinden.
“6. Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd
de regering in te gaan op de door de FNV geuite kritiek dat het samenstel van regels enkele leemtes vertoont, nu met name het huidige artikel 673 lid Pro, eerste lid, sub b, niet meer in de voorstellen is verwerkt.
(…)
tijd die voorafgaat aan een of meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd niet meetelt in de keten van 3 opeenvolgende arbeidsovereenkomsten? Ziet de regering mogelijkheden dit alsnog te ondervangen?”
bepaaldetijd – kort samengevat – heeft geantwoord dat het inderdaad de bedoeling is dat een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijddie wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor
bepaalde tijdin een situatie als bedoeld in art. 7:668a lid 2 BW, ook wordt meegeteld in de keten van art. 7:668a lid 1 BW. De regering heeft daarbij erkend dat de formulering van het voorgestelde lid 2 van art. 7:668a in dit opzicht niet duidelijk is. Voorgesteld wordt om in dit lid de zinsnede “
aangegaan voor bepaalde tijd” te schrappen (mijn onderstreping): [13]
De leden van de PvdA-fractie vroegen in te gaan op de kritiek van de FNV met betrekking tot de in artikel 668a lid 2 uitgewerkte draaideurconstructie. De leden van de GPV-fractie vroegen of een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die voorafgaat aan een of meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd meetelt in de keten van 3 opeenvolgende arbeidsovereenkomsten en de leden van de RPF-fractie vroegen, waarom artikel 668a lid 2 alleen van toepassing is op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
De leden van de GroenLinks-fractie vroegen of de regering overweegt om het huidige artikel 673, lid 1, onderdeel b, toe te voegen aan artikel 672, lid 9.Indien bij nota van wijziging de woorden «aangegaan voor bepaalde tijd» in lid 2 van artikel 668a zijn geschrapt, is opneming van artikel 673, lid 1, onderdeel b, niet meer nodig. Immers door de terugwerkende kracht (werking ex tunc) van het ontstaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt de duur van de opzegtermijn al bepaald door het totaal aan voorafgaande arbeidsovereenkomsten.”
dezelfde partijen. Lid 1 van art. 7:668a BW beperkt zich immers uitdrukkelijk tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Om dit gat te dichten stelt de FNV voor om artikel 7:668a BW te beperken tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in artikel 7:668a BW in een apart artikellid expliciet te verwijzen naar de situatie waarin een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd beschouwd moet worden als een van de schakels in de keten, en artikel 7:672 lid 9 BW Pro uit de breiden met de huidige regeling van artikel 7:673 lid 1 onder Pro a en b (oud) BW. Dit voorstel zou de terugwerkende kracht van de conversie van 7:668a overbodig maken: voor bepaling van de opzegtermijn worden immers alle arbeidsovereenkomsten die tussen partijen hebben bestaan bij elkaar opgeteld. Volgens de FNV stelt de voorgestelde regeling bovendien veilig dat ook arbeidsovereenkomsten voor
onbepaalde tijdbij
opvolgende werkgeversbij elkaar worden geteld. De relevante passages uit de brief van de FNV luiden als volgt: [16]
E. Opeenvolgende arbeidsovereenkomsten tussen dezelfde partijen en tussen verschillende partijen (draaideurconstructie), (artikel 668a io. 672)
Artikel 668a
Artikel 668a
Onderdeel M
artikel 673, eerste lid, onder b, is vervallen. Dit artikel regelt dat
(…)
Artikel 668a eerste en tweede lid
onbepaaldetijd wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde of
onbepaalde tijd. In dat geval telt de eerste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd mee in de keten als bedoeld in art. 7:668a lid 1 BW en zal de duur van die arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:668a lid 4 BW ook meetellen bij het berekenen van de opzegtermijn, aldus de regering.
De leden van de PvdA-fractie bleven van mening dat artikel 668a onduidelijk geformuleerd is en niet of onvoldoende elders gecreëerde lacunes (het schrappen van 673, lid 1b, en 668, lid 3) dicht.
termijn, die wordt voortgezet of overgenomen door de opvolgende werkgever (de
onbepaaldetijd, die wordt voortgezet of overgenomen door een opvolgende werkgever kan worden afgeleid (de veronderstelde lacune na schrapping van art. 7:673 lid 1 onder Pro b BW), in de memorie van antwoord bevestigend wordt beantwoord via “
waarlijk hersenverzwikkende gedachtensprongen”. Indien het inderdaad de bedoeling is geweest om in art. 7:668a leden 2 en 4 BW ook de opzegtermijn te regelen van een arbeidsovereenkomst voor
onbepaaldetijd die wordt overgenomen/voortgezet door een opvolgende werkgever, dan zou dit expliciet vermeld moeten worden in die wetsbepalingen (of elders), aldus de leden van de PvdA-fractie.
De leden van de PvdA-fractie vroegen of de lacune als gevolg van het schrappen van 673 lid 1b geheel wordt opgevuld door 668a leden 2 en 4.
onbepaalde tijdwordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijdbij een andere werkgever als bedoeld in art. 7:668a lid 2 BW (de veronderstelde lacune na schrapping van art. 7:673 lid 1 onder Pro b (oud) BW). Wel blijkt uit de nadere memorie van antwoord dat het de bedoeling is dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die is opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij een andere werkgever als bedoeld in art. 7:668a lid 2 BW, meetelt in de keten van art. 7:668a lid 1 BW en eveneens voor de berekening van de opzegtermijn. Dit geldt echter uitsluitend in het geval van
opvolgend werkgeverschapals bedoeld in art. 7:668a lid 2 BW, zo wordt in de nadere memorie van antwoord verduidelijkt. Dit betekent dat als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen
dezelfde partijen, de eerste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet meetelt in de keten van art. 7:668a lid 1 BW en evenmin voor de berekening van de opzegtermijn.
geenconcrete aanwijzingen dat het bedoeling was om te breken met de tot 1 januari 1999 geldende regel in art. 7:673 lid 1 onder Pro b (oud) BW.
onbepaaldetijd die elkaar hebben opgevolgd. In dit verband merkt hij op dat art. 7:668a lid 1, in verbinding met, lid 4 BW slechts een regeling bevat voor arbeidsovereenkomsten voor
bepaaldetijd die elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden zijn opgevolgd. Deze bepalingen gelden dus niet voor opvolgende arbeidsovereenkomsten voor
onbepaaldetijd, zo stelt Kuip. Uit zijn brief valt verder op te maken dat hij er vanuit gaat dat het wel de bedoeling is geweest de opzegtermijn niet alleen over de duur van de laatste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te berekenen, maar ook over de eerdere arbeidsovereenkomst voor onbepaalde en/of bepaalde tijd. Kuip stelt daarom voor om dit ook voor opvolgende arbeidsovereenkomsten voor
onbepaaldetijd in de wet vast te leggen. De brief van Kuip luidt, voor zover relevant, als volgt: [26]
dezelfde partijen. Kuip merkt in zijn brief immers op dat art. 7:673 lid Pro 1
onder a(oud) BW niet (volledig) is teruggekeerd in de wet, omdat art. 7:668a lid 1, in verbinding met, lid 4 BW slechts betrekking heeft op opvolgende arbeidsovereenkomsten voor
bepaaldetijd (tussen dezelfde partijen). En art. 7:673 onder Pro a (oud) BW gaat over arbeidsovereenkomsten ‘tussen dezelfde werkgevers die elkaar met tussenpozen van niet meer dan 31 dagen zijn opgevolgd’. Uit de reactie van de regering in de nota naar aanleiding van het verslag kan dan worden afgeleid dat onder de Wet Flexibiliteit en Zekerheid is gebroken met de regel in art. 7:673 lid 1 onder Pro a (oud) BW, voor zover deze inhield dat óók opvolgende arbeidsovereenkomsten voor
onbepaalde tijd, voor de berekening van de opzegtermijn, als één arbeidsrelatie worden beschouwd. Als uitzondering op de nieuwe regel dat een opvolgende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voor de berekening van de opzegtermijn in beginsel als een afzonderlijke op zichzelf staande arbeidsrelatie moet worden beschouwd, wordt echter nadrukkelijk genoemd de situatie dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd
krachtens een wetsbepalingwél moet worden meegerekend. Uit de verwijzing – tussen haakjes – naar art. 668a lid 2 BW leid ik af dat daarmee onder meer bedoeld is de situatie van opvolgende arbeidsovereenkomsten voor
onbepaaldetijd tussen een werknemer en
verschillende werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaars opvolger te zijn. Dit strookt met de uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid kenbare bedoeling, om de regel van art. 7:673 lid Pro 1
onder b(oud) BW (wel) volledig te handhaven in het samenstel van de leden 1, 2 en 4 van art. 7:668a BW. In zoverre zijn de opmerkingen in de nota naar aanleiding van het verslag dan ook verenigbaar met de parlementaire geschiedenis van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid.
Minister De Vries: (…)
lid 2, en in het voorgestelde artikel 667, lid 4. In de door die artikelen bestreken situaties dienen elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd wat de berekening van de opzegtermijn betreft als één arbeidsrelatie te worden beschouwd. Krachtens de nieuwe systematiek wordt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door opzegging, de opzegtermijn beschouwd te zijn verwerkt. Een nieuwe en opvolgende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd dient dan als een afzonderlijke, op zichzelf staande arbeidsrelatie te worden beschouwd. Het systeem van de wet is in dit opzicht dus heel strak en helder.
en de opzegtermijn. Het is mij niet geheel duidelijk wat de minister bedoelt. Hij heeft gerefereerd aan artikel 688, lid 2, dat volgens ons over iets heel anders gaat. Wil hij nog eens uitleggen wat hij precies bedoelt?
onbepaalde tijdtussen
dezelfde partijen. Dit leid ik om te beginnen af uit het door mevrouw Schimmel genoemde voorbeeld van de veelvoorkomende situatie dat een werknemer eerst bij de werkgever in dienst treedt op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die vervolgens – na het verstrijken van de bepaalde tijd – wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Verder valt de wijzen op de opmerking van de minister dat wettelijke uitzonderingen bestaan op de nieuwe regel dat elke arbeidsovereenkomst voor de berekening van de opzegtermijn als een zelfstandige arbeidsovereenkomst moet worden beschouwd. Daarbij wijst hij onder meer op art. 7:668a lid 2 BW en merkt hij op dat in de door dat artikel bestreken situatie elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd voor de berekening van de opzegtermijn (wel) als één arbeidsrelatie moeten worden beschouwd. Een andere indicatie dat het debat uitsluitend betrekking heeft gehad op opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd tussen dezelfde partijen, is het door mevrouw Schimmel genoemde voorbeeld van een werknemer die een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft en vervolgens een promotie maakt waarvoor een nieuwe arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt aangegaan. Tot slot valt nog te wijzen op de vraag van de minister aan mevrouw Schimmel “U denkt toch niet aan draaideurconstructies of zo?”, waarop zij heeft geantwoord “Daar denk ik helemaal niet aan”. Ook dit wijst erop dat het bepaalde in art. 7:668a lid 2 BW verder geen deel heeft uitgemaakt van de discussie.
[…]/[…]-arrest, [31] geldt het samenstel van de leden 1, 2 en 4 van art. 7:668a BW in principe nog steeds. Het huidige art. 7:668a luidt – voor zover van belang – als volgt:
arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd en een periode van 24 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd;
meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van ten hoogste zes maanden, geldt de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.
ESS/[verweerster], sprake is van een arbeidsovereenkomst voor
onbepaaldetijd die wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor
onbepaaldetijd bij een andere werkgever die als opvolgend werkgever moet worden beschouwd – een situatie door wordt bestreken door art. 7:668a lid 2 BW –, wordt immers niet toegekomen aan een overeenkomstige toepassing van de bepalingen in art. 7:668a lid 1 onder a en b BW. Die bepalingen regelen onder welke voorwaarden een arbeidsovereenkomst voor
bepaaldetijd converteert in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (de ketenregeling).
onbepaaldetijd valt er echter niets meer te converteren op grond van art. 7:668a lid 1 onder a en b BW. Aangezien art. 7:668a lid 4 BW uitsluitend verwijst naar art. 7:668a lid 1 onder a en b, en geen directe verwijzing bevat naar art. 7:668a lid 2, kan uit het samenstel van de leden 1, 2 en 4 BW, dan ook niet op een logische wijze worden afgeleid dat óók in het geval van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor
onbepaaldetijd, in het geval van opvolgend werkgeverschap (lid 2), de opzegtermijn wordt berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de eerste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd (lid 4).
onbepaalde tijd,voor de berekening van de fictieve opzegtermijn beroepen op art. 7:668a lid 2 BW. De CRvB ging echter niet mee in dit betoog van het UWV en overwoog daartoe het volgende (mijn onderstreping): [33]
onbepaaldetijd niet toekwam aan een toepassing van art. 7:668a lid 4 BW, omdat conversie van die opvolgende arbeidsovereenkomst op grond van de leden 2, in verbinding met, 1, niet aan de orde was.
onbepaaldetijd in het geval van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in art. 7:668a lid 2 BW.
Het bepaalde in artikel 673 lid 1 sub b oud Pro BW is naar de mening van de wetgever opgenomen in artikel 668a lid 2 BW, nu in dat artikellid de woorden ‘voor bepaalde tijd’ zijn geschrapt.
1998/2, p. 45). In het geval een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt voortgezet door een opvolgend werkgever, zonder dat er sprake is van een overgang van onderneming, zou de opzegtermijn vanaf de datum van het totstandkomen van de laatste arbeidsovereenkomst moeten worden berekend. In die zin ook: Bijlage bij Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II, 26 257, nr. 7, punt o (Parl. Gesch. Flexwet, p. 756).
Sociaal Rechtmerkt Verhulp op dat tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel Flexibiliteit en Zekerheid uitvoerig is gesproken over het handhaven van art. 7:673 lid 1 onder Pro b (oud) BW. Na een citaat uit de nota naar aanleiding van het verslag, constateert hij echter dat art. 7:673 lid 1 onder Pro b (oud) BW toch niet volledig is teruggekeerd in het wetsvoorstel: [35]
de regeling voor de opvolgende arbeidsovereenkomsten bij werkgevers die elkanders opvolgers moeten worden geacht te zijn, is geformuleerd overeenkomstig het huidige art. 673, eerste lid sub b BW.Naar mijn mening geldt dat slechts ten aanzien van tijdelijke arbeidsovereenkomsten, maar ziet ontwerp-art. 7:668a, tweede lid BW niet toe op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die wordt voortgezet of overgenomen door een opvolgende werkgever. Nu het tweede lid duidelijk naar het eerste lid verwijst, en het eerste lid alleen over arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd spreekt en het vierde lid spreekt van de eerste arbeidsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid, kan moeizaam anders worden geconcludeerd dan dat deze regeling slechts voor tijdelijke arbeidsovereenkomsten is geschreven. Hoewel het belang van art. 7:672, eerste lid sub b BW[bedoeld zal zijn art. 7:673, eerste lid sub b BW]
door de invoering van regeling inzake overgang van ondernemingen in 1981 (art. 7:662 e.v. BW) aanzienlijk is afgenomen, zijn er nog situaties denkbaar waarin de werking van een dergelijke bepaling ernstig wordt gemist, zoals ingeval van voortzetting van de arbeidsovereenkomst na faillissement. Daarom zou een bewuste keuze van de wetgever om de bepaling niet terug te laten komen aangewezen zijn. Wellicht kan van een dergelijke bewuste keuze alsnog blijk worden gegeven, of als die afwezig is, een soortgelijke bepaling alsnog worden opgenomen in het wetsvoorstel.”
In het vierde lid van art. 7:668a wordt specifiek bepaald dat de opzegtermijn dient te worden berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de eerste arbeidsovereenkomst als bedoeld onder a of b van lid 1. Dit is noodzakelijk geworden door het vervallen van art. 7:673 BW Pro.Merkwaardigerwijze komt art. 7:673 daarmee Pro toch ten dele te vervallen, omdat het vierde lid van art. 7:668 slechts Pro betrekking heeft op de regeling van voortgezette tijdelijke arbeidsovereenkomsten als bedoeld in dit artikel. Aangezien dit niet uitdrukkelijk door de wetgever is beoogd, zou verdedigd kunnen worden dat ook in geval op andere wijze arbeidsovereenkomsten als voortgezetmoeten worden beschouwd de opzegtermijnen bij elkaar dienen te worden opgeteld.”
geconverteerdearbeidsovereenkomst als bedoeld art. 7:668a lid 1 onder a en b BW. Veelal wordt dan onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Reparatiewet Flexibiliteit en Zekerheid aangenomen dat opvolgende arbeidsovereenkomsten voor
onbepaaldetijd voor de berekening van de opzegtermijn als afzonderlijke, op zichzelf staande arbeidsovereenkomsten moeten worden beschouwd.
geconverteerdearbeidsovereenkomst moet worden uitgegaan van de ingangsdatum van de eerste arbeidsovereenkomst van de reeks. [37] Zij stelt verder dat – in afwijking van art. 7:673 lid 1 onder Pro a en b (oud) BW – een arbeidsovereenkomst voor
onbepaaldetijd die met een tussenpoos van niet meer dan drie maanden voorafgaat aan een arbeidsovereenkomst voor
onbepaaldetijd, buiten beschouwing blijft voor de berekening van de opzegtermijn. In dat verband verwijst zij naar de hiervoor onder 3.3 en 3.6 genoemde passages uit de parlementaire geschiedenis van de Reparatiewet Flexibiliteit en Zekerheid, waaruit deze nieuwe systematiek zou blijken. [38]
Door het schrappen van art. 7:673 BW Pro is de systematiek gewijzigd. Dit geldt niet voor herstel van de arbeidsovereenkomst, want de oude regeling staat thans in art. 7:672 lid 9 BW Pro. Ten aanzien van opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen juridisch dezelfde partijen of bij opvolging van werkgevers tellen voorgaande arbeidsovereenkomsten alleen nog maar mee, als opzegging nodig is krachtens art. 7:667 lid 4 en Pro lid 5 BW of bij conversie krachtens art. 7:668a lid 1 en lid 2 BW. Deze regeling is ook van toepassing bij een doorstart na faillissement (HR 14 juli 2006, JAR 2006/190 (Boekenvoordeel/Isik). (…)”
Voorts worden ingevolge art. 668a lid 4 eerdere arbeidsovereenkomsten meegeteld in de gevallen bedoeld in lid 1 van dat wetsartikel. Het betreft gevallen, waarin, in een reeks van arbeidsovereenkomsten, de laatst gesloten arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd wettelijk wordt geconverteerd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd door verloop van twee jaar of doordat het de vierde overeenkomst is in de reeks.
onbepaaldetijd wordt opgevolgd door een arbeidsovereenkomst voor
onbepaalde tijdin het geval van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in art. 7:668a lid 2 BW. Voor dat geval valt uit het samenstel van de leden 2 en 4 van art. 7:668a BW immers niet op een logische wijze af te leiden dat voor de berekening van de opzegtermijn ook de eerste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet worden meegeteld.
onbepaaldetijd voor de berekening van de opzegtermijn moeten worden samengeteld. Vaak wordt daarbij verwezen naar de parlementaire geschiedenis van de Reparatiewet Flexibiliteit en Zekerheid, waaruit zou blijken dat opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd voor de berekening van de opzegtermijn in beginsel
afzonderlijkmoeten worden beschouwd. Bij nadere bestudering van die parlementaire geschiedenis, moet ik echter constateren dat deze geen betrekking heeft op de situatie van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd in het geval van
opvolgend werkgeverschap, maar uitsluitend op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd tussen
dezelfde partijen(een situatie die voorheen geregeld was in art. 673 lid Pro 1
onder a(oud) BW). In zoverre werpt de parlementaire geschiedenis van de Reparatiewet dus geen ander licht op de eerdere uitlatingen over het (volledig) handhaven van de regel in art. 673 lid Pro 1
onder b(oud) BW.
onbepaaldetijd rekening moet worden gehouden met opvolgend werkgeverschap en, als daarvan sprake is, ook de voorafgaande arbeidsovereenkomsten moeten worden meegenomen bij de berekening van de opzegtermijn (vgl. mijn conclusie van 6 juli 2018 onder nr. 3.25). De uit de parlementaire geschiedenis van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid kenbare bedoeling om de regel van art. 7:673 lid 1 onder Pro b (oud) BW inhoudelijk (volledig) te handhaven vormt een
extraargument vóór deze benadering. Verder wijs ik nog op de argumenten die ik reeds had aangedragen in mijn conclusie van 6 juli 2018 onder nr. 3.26:
- het is onlogisch dat voor veel ingrijpender gevolgen van opvolgend werkgeverschap, zoals de aanspraak op een transitievergoeding, wél gekeken wordt naar eerdere arbeidsovereenkomst(en), en bij een relatief bescheiden gevolg als de lengte van de opzegtermijn juist geabstraheerd wordt van die eerdere arbeidsovereenkomst(en);
- het draagt bij aan een overzichtelijk systeem, omdat niet gewerkt hoeft te worden met verschillende aanvangstermijnen van de arbeidsrelatie, afhankelijk van de vraag om welke rechtsgevolgen het gaat.
- het doet recht aan de strekking van de regeling van opvolgend werkgeverschap, namelijk behoud van anciënniteit van de werknemer. Met betrekking tot de lengte van de opzegtermijn is de ratio van behoud van anciënniteit niet alleen gelegen in de gedachte dat hoe langer de arbeidsrelatie heeft geduurd, hoe verder de morele verplichting van de werkgever jegens de werknemer strekt (‘beloning voor trouwe dienst’). Daarnaast is te wijzen op het praktische argument, dat bij een langere arbeidsrelatie de werknemer meer tijd nodig zal hebben om ander werk te binden, zeker als sprake is van eenzijdige werkervaring. Deze argumenten zijn ook terug te vinden in het arrest
onderdeel 3niet slagen (zie ook mijn conclusie van 6 juli 2018 onder nr. 3.32).