Conclusie
1.Inleiding
V./Dexia), [1] het eerste waiver-arrest, worden behandeld. [2] Het middel betoogt verder dat op voet van art. 6:101 BW Pro de schade volledig ten laste van Dexia moet komen, omdat in deze zaak de tussenpersoon hetzij heeft gehandeld als een orderremisier, hetzij als cliëntenremisier heeft geadviseerd, steeds zonder de daartoe vereiste vergunning terwijl Dexia daarvan op de hoogte was. Dit bouwt voort op de schadeverdeling die aan de orde was in HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 (
B./Dexia) en HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935 (
T./Dexia) [3] en werpt wat betreft de orderremisier een punt op dat door de Hoge Raad nog niet in effectenleasezaken is beoordeeld en waarover de feitenrechtspraak thans verschillend oordeelt.
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen de door het hof in rov. 5.4-5.7 gestelde eisen aan het verweer tegen de ingestelde verklaring van recht.
Onderdeel 2klaagt dat het hof in rov. 5.13 ten onrechte niet beoordeeld heeft of Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de effectenorder van tussenpersoon Finans Verzekeringen (hierna: Finans) te aanvaarden.
Onderdeel 3richt zich subsidiair tegen het oordeel van het hof in rov. 5.13, dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij is geadviseerd door Finans en dat Dexia daarvan wist.
Onderdeel 4klaagt ten slotte dat het hof in rov. 5.20 ten onterechte heeft geoordeeld dat [eiser] zijn vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten onvoldoende heeft gesubstantieerd.
V./Dexia) kunnen worden behandeld.
V./Dexia), en de klachten van onderdeel 1 in de onderhavige zaak komen overeen met de klachten van onderdeel 2 van het cassatiemiddel
V./Dexia. [5] In
V./Dexiaheeft de Hoge Raad deze klachten verworpen met de volgende overwegingen:
V./Dexia. Onderdeel 1 faalt daarom.
V./Dexia), rov. 4.4.3-4.4.4, blijkt immers dat ten aanzien van de kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder Pro b BW en ten aanzien van de kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als bedoeld in art. 6:96 lid 2 onder Pro c BW, niet de eis kan worden gesteld dat uiteindelijk komt vast te staan dat schade [6] is geleden. [7]
V./Dexia), rov. 4.5.3.
B./Dexia) is, voor zover thans van belang, geoordeeld dat de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995) aldus moet worden uitgelegd dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken.
T./Dexia) heeft de reden voor dit verschil met de schadeverdeling volgens het hofmodel nader toegelicht. Een afnemer die door een tussenpersoon die niet over een vergunning beschikt, is geadviseerd om een effectenleaseovereenkomst aan te gaan met Dexia, bevindt zich in een wezenlijk andere positie dan een afnemer die zonder een zodanig advies een leaseovereenkomst met Dexia is aangegaan. De afnemer mag afgaan op zijn adviseur; hij behoeft bij een door de dienstverlener geadviseerde constructie minder snel bedacht te zijn op, en zich minder snel eigener beweging te verdiepen in, niet vermelde risico’s dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct (rov. 3.4.3 en 3.6.2). Maar de kern van het arrest
B./Dexiais dat Dexia in het daarin bedoelde geval contracteerde in weerwil van een wettelijk verbod (art. 41 Nadere Pro regeling toezicht effectenverkeer 1999 (NR 1999)) [10] dat juist ertoe strekt om de afnemer te beschermen tegen het aangaan van een beleggingsovereenkomst na advies door een adviseur zonder de benodigde vergunning. In zo’n geval staat niet voorop dat Dexia ten aanzien van de hier bedoelde afnemer tekortschoot in haar zorgplicht, maar dat zij contracteerde in weerwil van een wettelijk verbod dat juist ertoe strekt om de afnemer te beschermen tegen het aangaan van een beleggingsovereenkomst na advies door een adviseur zonder de benodigde vergunning. Het is deze laatste omstandigheid – het contracteren in weerwil van dit verbod – die Dexia bij de toepassing van art. 6:101 BW Pro zwaar moet worden aangerekend (rov. 3.6.3).
V./Dexia) betrof een geval waarin de belegger was benaderd door Dexia (althans Legio-Lease, een onderdeel van Dexia) [11] door middel van zogeheten
cold calling. Uit rov. 4.3.4 van dit arrest volgt, kort gezegd, dat de schadeverdeling volgens het arrest
B./Dexianiet ziet op het geval dat de belegger jegens de aanbieder van de effectenleaseovereenkomst belangstelling heeft getoond voor het aangaan van een dergelijke overeenkomst waarna adviseurs van Dexia hem hebben geadviseerd om effectenleaseproducten van Dexia af te nemen. Hier is immers niet sprake van de situatie waarin particuliere beleggers zich wenden tot een onafhankelijke beleggingsadviseur voor het verkrijgen van een op hun specifieke situatie toegesneden advies.
onderdeel 2over de overweging dat ook grief 2 van [eiser] strandt. Het hof is niet ingegaan op het betoog in grief 2, dat Finans optrad als
orderremisier, dat zij daartoe geen vergunning had, dat Dexia dit wist althans geacht kan worden te weten, dat Dexia daarom op grond van art. 41 NR Pro 1999 de order (het aanvraagformulier) van [eiser] had dienen te weigeren, en dat Dexia daarom volledig aansprakelijk is voor alle door [eiser] geleden schade. Daarbij kan in het midden blijven of Finans [eiser] heeft geadviseerd. In ieder geval heeft het hof zijn verwerping van grief 2 onvoldoende gemotiveerd door niet op dit betoog in te gaan, aldus het onderdeel.
onderdeel 3over de verwerping in rov. 5.13 van grief 1, waarmee door [eiser] werd betoogd dat Finans, een
cliëntenremisier, die bij gebreke van een daartoe strekkende vergunning geen beleggingsadvies mocht geven, hem had geadviseerd om de overeenkomst aan te gaan.
B./Dexia. Onderdeel 2 stelt aan de orde of een dergelijke regel ook moet worden toegepast indien de tussenpersoon niet heeft geadviseerd, maar zonder vergunning als orderremisier is opgetreden. Hoewel onderdeel 3 subsidiair is voorgedragen, namelijk voor het geval onderdeel 2 ongegrond is, zal ik dit als eerste bespreken.
eerste klachtheeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onbegrijpelijk oordeel gegeven, door het verweer van [eiser] te verwerpen dat hij nog een vordering op Dexia heeft omdat Finans hem de overeenkomst met Dexia heeft geadviseerd.
tweede klachtheeft het hof (i) ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, geoordeeld dat onvoldoende blijkt dat Finans [eiser] een op zijn persoonlijke situatie toegesneden advies heeft verstrekt en ten onrechte overwogen dat sprake moet zijn van persoonlijke advisering en dat inzicht in de inhoud van het advies vereist is, (ii) heeft het hof ten onrechte overwogen dat [eiser] zijn verweer onvoldoende heeft onderbouwd en (iii) heeft het hof ten onrechte overwogen dat [eiser] ten onrechte geen bewijs heeft aangeboden.
tweede klacht onder (i)van onderdeel 3 − dat irrelevant is of het advies op de cliënt is toegesneden dan wel een algemenere strekking heeft (procesinleiding onder 10, voorlaatste alinea), dat daarom onjuist is dat het hof vereist dat sprake is van “persoonlijke advisering” en “persoonlijke benadering en advisering” (procesinleiding onder 11) en dat het hof daarom ten onrechte vereist dat uit de stellingen van [eiser] moet blijken dat Finans een op zijn specifieke situatie toegesneden advies heeft verstrekt (procesinleiding onder 12).
V./Dexia), rov. 4.2.2, volgt dat [eiser] ter betwisting van de vordering van Dexia voldoende onderbouwd dient te stellen dat hij nog een vordering op Dexia heeft omdat hij geadviseerd is door Finans, die daarvoor geen vergunning had, en dat Dexia ervan op de hoogte was of behoorde te zijn dat Finans als financieel adviseur is opgetreden zoals bedoeld in HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 (
B./Dexia).
V./Dexia), rov. 4.3.3, blijkt verder dat het in verband met de schadeverdeling op de voet van HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 (
B./Dexia) moet gaan om de situatie waarin particuliere beleggers zich wenden tot een onafhankelijke beleggingsadviseur voor het verkrijgen van een op hun specifieke situatie toegesneden advies.
B./Dexia) is vereist, dat de wederpartij van Dexia voldoende onderbouwd stelt dat sprake was van een op zijn specifieke situatie toegesneden advies. Gezien de hiervoor genoemde rechtspraak van de Hoge Raad heeft het hof daarmee zijn oordeel gebaseerd op de juiste uitgangspunten. Het oordeel van het hof wordt daarom vergeefs bestreden door de bij 4.20 bedoelde kernklacht van onderdeel 3.
de eerste klacht respectievelijk de tweede klacht onder (ii)van onderdeel 3, wordt in de procesinleiding onder 9 gewezen op door [eiser] in feitelijke instanties ingenomen stellingen en ingebrachte producties die in de ogen van [eiser] , tezamen genomen, ertoe leiden dat hij voldoende heeft gesteld voor het oordeel dat sprake is van advies.
de tweede klacht onder (iii)en in de procesinleiding onder 12 (slot), dat het hof ten onrechte geoordeeld heeft dat [eiser] geen bewijs heeft aangeboden van de persoonlijke advisering respectievelijk de inhoud van het advies. Deze overweging is volgens de klacht in het licht van het in appel gehandhaafde bewijsaanbod van [eiser] (conclusie van dupliek onder 120) onjuist en onbegrijpelijk. Als het hof heeft gemeend dat het bewijsaanbod onvoldoende was gespecificeerd, heeft het hof miskend dat aan een aanbod om tegenbewijs te leveren niet de eis mag worden gesteld dat het is gespecificeerd. Als het hof heeft geoordeeld dat het bewijsaanbod in eerste aanleg niet zag op het leveren van tegenbewijs of dat [eiser] zijn bewijsaanbod in appel niet heeft herhaald, dan had dit oordeel nader moeten zijn gemotiveerd, omdat [eiser] zijn stellingen in eerste aanleg, waaronder dus zijn bewijsaanbod, in appel heeft herhaald. Het onderdeel wijst op HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6212.
cliëntenremisieris een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling (arrest
B./Dexia, rov. 4.5.2).
orderremisieris de tussenpersoon die ten behoeve van cliënten orders met betrekking tot financiële instrumenten ontvangt en doorgeeft aan financiële ondernemingen die deze orders uitvoeren. [25]
uitvoeren. [29]
B./Dexia), rov. 4.6.4, geciteerde beleidsbrief van 5 februari 2002 van de STE, waarin onder meer wordt opgemerkt:
B./Dexia.
B./Dexia) is gemaakt voor de cliëntenremisier.
De Richtlijn Beleggingsdiensten
1. "beleggingsdienst": iedere in deel A van de bijlage genoemde dienst die betrekking heeft op een van de in deel B van de bijlage genoemde instrumenten en verricht wordt voor derden;
Elke Lid-Staat stelt de toegang tot de werkzaamheden van beleggingsondernemingen waarvoor hij de Lid-Staat van herkomst is, afhankelijk van een vergunning. Deze vergunning wordt verleend door de overeenkomstig art. 22 aangewezen Pro bevoegde autoriteiten van deze Lid-Staat. In de vergunning worden de in deel A van de bijlage bedoelde beleggingsdiensten vermeld die de onderneming mag verrichten. De vergunning kan tevens een of meer nevendiensten als bedoeld in deel C van de bijlage bestrijken. Een vergunning in de zin van deze richtlijn mag onder geen beding worden afgegeven voor diensten die alleen tot deel C van de bijlage behoren.”
DEEL A
dat de Lid–Staat van herkomst in het algemeen strengere regels dan in deze richtlijn zijn vastgesteld, van toepassing kan verklaren, inzonderheid op het stuk van de vergunningsvoorwaarden (…)”.
beleggingsonderneming" als bedoeld in art. 1 onder Pro 2 indien deze een beleggingsdienst verricht als bedoeld in artikel 1 onder Pro 1, zoals bijvoorbeeld het in Bijlage Deel A onder 1.a) bedoelde “
ontvangen en doorgeven voor rekening van beleggers, van orders met betrekking tot een of meer van de in deel B genoemde instrumenten”, waarbij instrumenten onder meer omvat de in Bijlage Deel B onder 1. a) bedoelde “
effecten”.
B./Dexiais het volgende overwogen over de Wte 1995:
Het is verboden zonder vergunning als effectenbemiddelaar of vermogensbeheerder in of vanuit Nederland diensten aan te bieden of te verrichten.”
degene die als tussenpersoon, anders dan op grond van een overeenkomst als bedoeld onder c, beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming van transacties in effecten.”
1. Onze minister kan vrijstelling verlenen van artikel 7, eerste lid.
B./Dexia, rov. 4.6.2 en 4.7.
et als effectenbemiddelaar aanbieden of verrichten van dienstenorders met betrekking tot niet in deel B van de bijlage bij de richtlijn beleggingsdiensten genoemde effecten als bedoeld in de wet of
orders met betrekking tot de instrumenten, genoemd onder 1 van deel B van die bijlage, voor rekening van cliënten aanbrengen bij een effecteninstelling die is aangesloten bij een organisatie als bedoeld in artikel 9 van Pro de wet, op grond van een met die effecteninstelling gesloten overeenkomst.
B./Dexiagenoemde cliëntenremisier die zonder vergunning handelde (omdat hij door te adviseren buiten het bereik van de voor hem geldende vrijstelling viel) en de orderremisier die zonder vergunning handelde. Ten aanzien van beiden gold voor Dexia namelijk het verbod op grond van art. 41 NR Pro 1999, aanhef en onder d, om de aangebrachte cliënten of cliëntenorders te accepteren. Art. 41 NR Pro 1999 luidde:
B./Dexia(rov. 4.3) is in het algemeen overwogen dat de Wte 1995 niet alleen strekt tot een adequate regeling van het functioneren van de effectenmarkten, maar ook - en in samenhang daarmee - ter bescherming van de positie van de beleggers op de effectenmarkten. De NR 1999 geeft nadere uitvoering aan het op de Wte 1995 gebaseerde Besluit toezicht effectenverkeer 1995, en de bepalingen van de NR 1999 kunnen daarom, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, geacht worden dezelfde ‘dubbele’ strekking te hebben als de Wte 1995.
B./Dexia(rov. 5.6.1) waarin is overwogen dat schending van art. 41 NR Pro 1999 door Dexia beschouwd moet worden als een onrechtmatige handeling jegens de cliënt, ook al ging het in dat arrest om een cliëntenremisier die zonder vergunning had geadviseerd en niet om het handelen als orderremisier. Uit de NR 1999 blijkt dat ook bij het optreden van een orderremisier de betrokken niet professionele cliënt “onverkort recht [heeft] op de toepasselijkheid van alle gedragsregels. De intermediaire (uitvoerende) effecteninstelling zal er dan ook zorg voor moeten dragen dat deze gedragsregels naar de particuliere cliënt toe worden nageleefd. Dit beoogt mede er voor te zorgen dat de bescherming die de gedragsregels bieden niet verloren gaat voor de cliënt indien een professionele tussenpersoon voor hem de opdracht geeft voor het verrichten van de transacties.” [44]
kankomen. In deze opvatting is dus nog niet vereist dat met het ‘doorgeven van de order’ ook al daadwerkelijk een effectentransactie door de uitvoerende instelling tot stand wordt gebracht. Voldoende is het aanvraagformulier dat erop is gericht een overeenkomst tussen Dexia en [eiser] tot stand te brengen die strekt tot aankoop van een of meer effecten voor rekening van [eiser] . [47]
Khorassani/Pflanz), blijkt dat het ‘ontvangen en doorgeven van orders’ een beperkte betekenis heeft (onderstrepingen toegevoegd):
de frase „met betrekking tot één of meer financiële instrumenten” niet meer doet dan nader bepalen om welke soort orders het gaat, namelijk orders die zien op de aan- of verkoop van dergelijke financiële instrumenten.
is er een nauw verband tussen de beleggingsdienst die is bedoeld in punt 1 van bijlage I, deel A, namelijk „[h]et ontvangen en doorgeven van orders”, en die in punt 2 van dat deel, namelijk „[h]et uitvoeren van orders”: verlening van de eerste beleggingsdienst gaat vooraf aan en leidt in beginsel tot verlening van de tweede, hetzij door dezelfde hetzij door een andere beleggingsonderneming.
dat de orders die het voorwerp zijn van de in bijlage I, deel A, punt 1, van deze richtlijn genoemde beleggingsdienst aan- en verkooporders van één of meer financiële instrumenten zijn.
ziet deze overweging louter op het met elkaar in contact brengen van twee of meer beleggers in het kader van het ontvangen en doorgeven van orders. Deze overweging dekt dus de gevallen van met elkaar in contract brengen met het oog op de verwezenlijking van transacties met betrekking tot één of meer financiële instrumenten,hetgeen bemiddeling bij het sluiten van een vermogensbeheerovereenkomst uitsluit.
de idee van concretiseringin zich draagt. (…)
In die gevallen onderscheidt het „ontvangen en doorgeven van orders” zich van de „uitvoering”, maar blijven de orders onveranderd.
een uitvoerbare order met betrekking tot een specifiek financieel instrument ertoe gerekend worden.”
Khorassani/Pflanzblijkt dus dat er een nauw verband is tussen de beleggingsdienst die bestaat uit het doorgeven van een order en de beleggingsdienst die bestaat uit het uitvoeren van de order: verlening van de eerste beleggingsdienst gaat vooraf aan en leidt in beginsel tot verlening van de tweede, hetzij door dezelfde hetzij door een andere beleggingsonderneming. De doorgegeven order betreft een aan- of verkooporder van één of meer financiële instrumenten, die kan worden uitgevoerd. [55]
Khorassani/Pflanz: [61]
Khorassani/Pflanzover de MiFID is overwogen, ook geldt voor de uitleg van de Richtlijn Beleggingsdiensten.
Koop voor mij een pakket aandelen Ahold, ING Groep, Koninklijke Olie en Unilever”, een maandbedrag en “
Stuur mij zo spoedig mogelijk de overeenkomst”. [63]
Khorassani/Pflanz. In punt 35 overwoog het HvJ, kort gezegd, (i) dat bemiddeling bij het sluiten van een vermogensbeheerovereenkomst niet door de dienst ‘ontvangen en doorgeven van orders’ wordt gedekt en (ii) dat zelfs als het sluiten van die vermogensbeheersovereenkomst in een later stadium ertoe leidt dat de beheerder van de portefeuille in het kader van zijn beheeractiviteiten orders voor de aan- of verkoop van financiële instrumenten ontvangt en doorgeeft, die overeenkomst op zich niet het ontvangen of doorgeven van orders tot voorwerp heeft.
het op naam en voor rekeningvan die cliënten doorgeven van die orders aan een andere effecteninstelling;
het op naam en voor rekeningvan die cliënten doorgeven van die orders aan een beleggingsonderneming”.