Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
4.Beslissing
J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op
Gerechtshof Amsterdam
Dexia Nederland B.V. ging in hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter waarin haar vordering tot verklaring voor recht dat zij aan al haar verplichtingen had voldaan en tot terugbetaling van een bedrag van € 2.902,02 werd afgewezen. De feiten betreffen een effectenleaseovereenkomst die in 2000 werd gesloten en in 2010 werd beëindigd, waarbij de cliënt een restschuld betaalde.
Dexia stelde dat er geen sprake was van onverschuldigde betaling omdat de cliënt de aandelen had overgenomen en dat waardedaling geen schade was. De cliënt verweerde zich met een brief van Dexia waarin Dexia een vergoeding van € 2.902,02 erkende en uitbetaalde zonder voorbehoud. Het hof oordeelde dat Dexia aan deze erkenning gebonden is en niet kan terugkomen op de betaling.
De cliënt voerde aan dat Dexia haar niet onafhankelijk had geadviseerd, maar het hof stelde vast dat er geen onafhankelijke tussenpersoon was betrokken, waardoor geen aanspraak op hogere schadevergoeding bestaat. Dexia bracht een te laat verweer in over fiscaal voordeel, dat het hof niet ontvankelijk achtte. Het hof verwierp de grief van Dexia en bekrachtigde het bestreden vonnis, waarbij Dexia werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van Dexia af, waarbij Dexia in de proceskosten wordt veroordeeld.