ECLI:NL:PHR:2019:1126
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vonnis Hoge Raad over feitelijke leiding en bedrieglijke bankbreuk bij faillissement A BV
In deze zaak stond verdachte terecht voor bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrift met betrekking tot de failliete vennootschap A BV. Het hof had vastgesteld dat verdachte als aandeelhouder, accountant en financier feitelijke leiding gaf aan het niet of onvoldoende voeren van de administratie en het niet volledig overhandigen daarvan aan de curator, waardoor de rechten van schuldeisers werden verkort. Ondanks herhaalde verzoeken van de curator leverde verdachte niet de volledige debiteurenadministratie aan en bleef hij vorderingen innen via de Stichting B, waarvan hij bestuursvoorzitter was.
De Hoge Raad bevestigde dat het niet of onvoldoende voeren van een administratie niet zonder meer leidt tot bedrieglijke verkorting van schuldeisersrechten, maar dat in deze zaak voldoende bewijs was dat verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans op verkorting en dit opzet had. Ook oordeelde de Hoge Raad dat feitelijke leidinggeven niet afhankelijk is van formele functies, maar kan worden aangenomen bij effectief en actief beleid binnen de organisatie. De stellingen van verdachte dat hij niet bevoegd was maatregelen te treffen werden verworpen.
Verder werd het cassatieberoep verworpen behalve voor de strafoplegging vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad vernietigde het vonnis daarom deels en beperkte de strafoplegging, maar bevestigde de bewezenverklaring en het oordeel over feitelijke leiding. De zaak betreft toepassing van het oude artikel 341 Sr Pro, sub a, onderdeel 4, en de Hoge Raad verduidelijkte de vereisten voor bewijs en opzet bij bedrieglijke bankbreuk.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bewezenverklaring en het oordeel over feitelijke leiding, vernietigt het arrest slechts voor de strafoplegging wegens termijnoverschrijding en beperkt de straf.