Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vijfde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
17 december 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor feitelijke leiding geven aan bedrieglijke bankbreuk en valsheid in geschrift, gepleegd door een rechtspersoon. In cassatie werd onder meer geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad oordeelde dat deze klacht gegrond was en dat dit aanleiding gaf tot vermindering van de opgelegde taakstraf. De overige middelen van cassatie werden verworpen, omdat deze geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uiteindelijk vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de taakstraf van 150 uren naar 142 uren, met een subsidiaire hechtenis van 71 dagen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Taakstraf verminderd van 150 naar 142 uren wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.