Conclusie
eerste middelklaagt dat het hof het verzoek tot aanhouding op ontoereikende gronden heeft afgewezen, en zo dit anders zou zijn, dat het hof ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom het de ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring voor het bewijs heeft gebezigd.
tweede middelhoudt in dat de artikelen 6 EVRM en 359 en 415 Sv zijn geschonden doordat het gerechtshof zonder het horen van aangeefsters en/of getuigen is gekomen tot een veroordeling in de zaken I en II-A hoewel de verdachte in eerste aanleg in die beide zaken werd vrijgesproken.
derde middelklaagt dat het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen in de zaak II-B op ontoereikende gronden is afgewezen.
vierde middelklaagt dat het hof bij bewezenverklaring van de diefstal van de auto van [betrokkene 2] (zaak II-A onder 1) het bepaalde in art. 342 lid 2 Sv Pro heeft geschonden, omdat de bewezenverklaring in essentie alleen berust op de verklaringen van [betrokkene 2] .
Het door de verdachte geschetste scenario
vijfde middelklaagt dat het hof heeft verzuimd te responderen op het voorwaardelijk verzoek [betrokkene 2] als getuige te horen.
zesde middelhoudt in dat het hof het bepaalde in art. 57 Sr Pro jo. 359 en 415 Sv heeft geschonden, omdat het in zaak I de verkrachting en vrijheidsberoving van [betrokkene 1] heeft gekwalificeerd als meerdaadse samenloop, terwijl sprake is van eendaadse samenloop en om die reden enkelvoudig gekwalificeerd had moeten worden.