Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte die in hoger beroep was veroordeeld voor twee verkrachtingen en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het hof had de verklaringen van de aangeefsters, afgelegd tijdens het opsporingsonderzoek en in eerste aanleg, als bewijs gebruikt zonder hen ambtshalve te horen ter terechtzitting. De verdediging stelde dat dit in strijd was met het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro.
De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie en concludeerde dat het hof terecht oordeelde dat de verklaringen van de aangeefsters betrouwbaar en consistent waren en voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen, zoals getuigenverklaringen, medische rapporten en gedragingen van de verdachte. Het hof had ook gemotiveerd waarom de door de verdachte geschetste alternatieve scenario's niet aannemelijk waren.
De Hoge Raad stelde vast dat noch de verdachte noch zijn raadsman tijdens de terechtzitting hadden verzocht om de aangeefsters als getuigen op te roepen, en dat het hof ook niet ambtshalve tot oproeping was overgegaan. Het oordeel van het hof dat de verklaringen in het proces-verbaal bruikbaar waren voor bewijs, was niet onbegrijpelijk en niet onjuist juridisch.
Het cassatieberoep werd verworpen. Hiermee bleef de veroordeling van de verdachte in hoger beroep in stand voor de verkrachtingen en de wederrechtelijke vrijheidsberoving, waarbij het hof een uitgebreid bewijs heeft overwogen en de verdediging niet slaagde in haar bewijsverweren.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling verdachte voor twee verkrachtingen en wederrechtelijke vrijheidsberoving en verwerpt cassatieberoep.