Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde middel en het vierde middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Slotsom
3 februari 2015.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure heeft de verdachte beroep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin schadevergoedingsvorderingen van benadeelde partijen deels werden toegewezen en vermeerderd met wettelijke rente. De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte heeft beslist dat de wettelijke rente aan de benadeelde partijen moet worden vergoed, omdat deze rente niet was gevorderd. Dit oordeel volgt uit eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2000:AA4262).
Tegelijkertijd bevestigt de Hoge Raad dat het hof terecht heeft beslist dat de wettelijke rente verschuldigd is bij de op grond van artikel 36f Wetboek van Strafrecht opgelegde betalingsverplichtingen (schadevergoedingsmaatregelen). De strafrechter mag deze rente toepassen volgens de criteria van het Burgerlijk Wetboek (art. 6:83 BW Pro), ook zonder dat de benadeelde partijen dit expliciet vorderen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend voor zover het hof de wettelijke rente aan de benadeelde partijen toekent zonder vordering, en verwerpt het beroep voor het overige. Hiermee wordt verduidelijkt dat wettelijke rente niet automatisch aan benadeelde partijen wordt toegekend zonder vordering, maar wel onderdeel kan zijn van de strafrechtelijke schadevergoedingsmaatregel.
De zaak betreft een arrest van 3 februari 2015, waarin de Hoge Raad de rechtsvragen over de toepassing van wettelijke rente bij schadevergoedingsmaatregelen in strafzaken verduidelijkt en daarmee bijdraagt aan de rechtseenheid op dit punt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover het wettelijke rente toekent aan benadeelde partijen zonder vordering, maar bevestigt dat wettelijke rente verschuldigd is bij een schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr.