Uitspraak
[woonplaats].
12 januari 1999.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft het Hof de verdachte veroordeeld voor diefstal en onbetaalde arbeid opgelegd in plaats van gevangenisstraf. Tevens legde het Hof een betalingsverplichting op aan de verdachte ten behoeve van de benadeelde partij, zonder een expliciete beslissing te nemen over de vordering van de benadeelde partij zelf. De benadeelde partij had zich in het geding gevoegd en haar vordering van f 1.987,- was gegrond bevonden.
De Hoge Raad stelt vast dat de rechter op grond van de Wetboek van Strafvordering verplicht is om gelijktijdig met de einduitspraak een gemotiveerde beslissing te geven over de vordering van de benadeelde partij, tenzij deze niet-ontvankelijk is verklaard. Het achterwege laten van een beslissing over de vordering in combinatie met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel is niet toegestaan wanneer het belang van de benadeelde partij daarmee wordt gediend.
De Hoge Raad benadrukt dat de bedoeling van de Wet van 23 december 1992 is de positie van het slachtoffer in het strafproces te versterken. Dit wordt het best bereikt door zowel de vordering toe te wijzen als de schadevergoedingsmaatregel op te leggen in de vorm van een alternatieve vergoedingsplicht. Hierdoor wordt voorkomen dat de veroordeelde twee keer dezelfde schade moet vergoeden.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest voor zover het geen beslissing bevat over de vordering van de benadeelde partij, wijst de vordering alsnog toe en bevestigt dat betaling aan de Staat of rechtstreeks aan de benadeelde partij de verplichtingen jegens elkaar doet vervallen. Het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de vordering van de benadeelde partij toe en legt een alternatieve vergoedingsplicht op aan de verdachte.