Conclusie
1.De feiten
2.Het procesverloop
3.De bespreking van de cassatiemiddelen
Leonhard Woltjer Stichting) volgt:
Scheipar) overweegt de Hoge Raad:
Stichting IHD) luidt:
Stichting IHD) van overeenkomstige toepassing is op het begrip belanghebbende in art. 2:21 BW Pro. Met die maatstaven kan de kring van belanghebbenden mijns inziens voldoende worden afgegrensd in het licht van de doelstelling van de wettelijke bepaling met aandacht voor het belang van de bescherming van de rechtspersoon. [17] Het hof verwijst in rov. 2.8.2 overigens ten onrechte naar HR 25 oktober 1991, ter onderbouwing van zijn oordeel dat de in HR 10 november 2006 geformuleerde maatstaf van overeenkomstige toepassing is ter zake van het belanghebbende-begrip in art. 2:21 BW Pro. Die onjuiste verwijzing is in cassatie niet van belang. In het cassatieverzoekschrift wordt het oordeel van het hof dat de maatstaf uit de Stichting IHD-beschikking van overeenkomstige toepassing is op de belanghebbende in de zin van art. 2:21 BW Pro terecht geacht. [18]
actio popularis [20] en moet dat ook niet worden. Het begrip belanghebbende vereist een zekere mate van, zelfs nauwe, betrokkenheid bij het onderwerp van geschil. Anderzijds moet door een te beperkte uitleg van het begrip worden voorkomen dat het met art. 2:298 BW Pro beoogde rechterlijke toezicht op het bestuur (nr. 3.1) “een papieren tijger” [21] wordt. De reikwijdte van de tweede kring zoals geformuleerd in HR 6 juni 2003 en HR 10 november 2006 – kort gezegd: anderszins nauw betrokken zijn of zijn geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld – is ontegenzeggelijk ruimer dan de benadering in HR 25 oktober 1991 die er kort gezegd in bestond dat om aangemerkt te kunnen worden als tweede kring-belanghebbende het besluit van de stichting waartegen wordt opgekomen moet leiden tot een specifiek en concreet nadeel voor de persoon in zijn verhouding tot de rechtspersoon. In de toepassing die de Hoge Raad in rov. 3.4.3 van de Stichting IHD-beschikking aan de maatstaf voor tweede kring-belanghebbende geeft, komt die middenweg tussen
actio popularisen ‘papieren tijger’ mijns inziens duidelijk tot uiting. Volgens de Hoge Raad is in die zaak van belang dat:
hoedanigheidwaarin de verzoeker optreedt, is een belangrijke omstandigheid bij het beoordelen of een persoon als belanghebbende heeft te kwalificeren. In de literatuur wordt onderkend dat een persoon die niet een aantoonbare relatie met de stichting heeft – dus niet als bijv. oprichter of bestuurder – minder snel door de rechter als belanghebbende wordt aangemerkt. [22] Een formele relatie tot de stichting hoeft echter niet (meer) te bestaan. [23] In de Stichting IHD-beschikking ging het om een gewezen bestuurder. De omstandigheid dat de gewezen bestuurder handelde uit principieel belang doet volgens de Hoge Raad niet af aan het zijn van belanghebbende. In de literatuur wordt in dit verband gesproken over een rol als “klokkenluider”. [24] Die term onderstreept mijns inziens dat de verzoeker geen eigen belang bij zijn verzoek hoeft te hebben om als belanghebbende te kunnen kwalificeren. Met Overes zou ik willen aannemen dat de verzoeker moet aantonen dat “de nauwe betrokkenheid direct in verband staat met het onderwerp waarop het verzoek betrekking heeft.” [25]
eigen belangen, terwijl bij sommige bepalingen in Boek 2 BW, in het bijzonder bij de bepalingen in het stichtingenrecht, het beschermen van de
belangen van de rechtspersoon(mede) van belang is of zelfs voorop staat. [27] De aard van de wetsbepalingen – het gegeven dat de bepalingen (mede) dienen ter bescherming van de belangen van de rechtspersoon – kan meebrengen dat de kringenleer in een geval waarin het belang van de rechtspersoon aan de orde is,
ruimerwordt toegepast. In deze zaak gaat het om het bestedingsbeleid van de Stichting. Het is in het belang van de Stichting dat het bestedingsbeleid overeenkomstig het statutaire doel en in overeenstemming met de wettelijke voorschriften is.
Stichting IHD) sterk casuïstisch van aard. [33] In de onderhavige zaak legt het hof de Stichting IHD-criteria streng uit, nu volgens het hof onvoldoende is gebleken van een “specifiek en concreet belang van [verzoeker] ” (rov. 2.11). Hof Den Bosch is in 2008 soepeler in zijn oordeel dat de Staat als subsidiegever van een stichting “toereikend belang” heeft om als belanghebbende in de zin van art, 2:298 lid 1 BW toegelaten te worden en de rechtbank te verzoeken de bestuursleden van de stichting te ontslaan. [34] Hof Amsterdam heeft in 2015, overigens zonder nadrukkelijk te toetsen aan de criteria uit HR 10 november 2006, curatoren als belanghebbenden in de zin van art. 2:298 lid 1 BW Pro aangemerkt. [35] Er zijn meer voorbeelden te noemen. [36]
actio popularisen anderzijds een ‘papieren tijger’. In mijn conclusie voor HR 8 juli 2016 drukte ik het aldus uit:
actio popularisdreigt (nr. 3.8). In de literatuur is dit spanningsveld onderkend. [43] In het verweerschrift zijdens de Stichting wordt eveneens uitgebreid ingegaan op (maatschappelijke) effecten van een (te) ruim belanghebbende-begrip.
proportionaliteit. Bij de vraag of een belanghebbende kan worden ontvangen in zijn verzoek dient de proportionaliteit naar mijn mening niet dan wel minder zwaar mee te wegen.
inhoudelijkevraag of de gevraagde voorziening, het ontslag van de stichtingsbestuurders, moet worden toegewezen, kan mijns inziens wel relevant zijn of een alternatieve toezichtstructuur aanwezig is. Als bijvoorbeeld een (onafhankelijke) raad van toezicht is ingesteld die op grond van de statuten de bevoegdheid heeft het bestuur te ontslaan, ligt ingrijpen door de rechter minder voor de hand. Als de inrichting van de stichting voorziet in een adequate vorm van intern toezicht, wat naar mijn idee meer behelst dan collegiaal bestuurlijk toezicht (vgl. nr. 3.1) of, zoals de rechtbank in onderhavige zaak overwoog, indirecte controle door de algemene vergadering van het ANV, kan de rechter zich bij toewijzing van het verzoek tot extern toezicht wat terughoudender opstellen.
bescherming van de rechtspersoon(nr. 3.9). Ik zie een parallel met het voorschrift van art. 2:349 lid 1 BW Pro uit het enquêterecht. Op grond van die bepaling is een verzoeker niet-ontvankelijk in zijn enquêteverzoek indien niet blijkt dat hij schriftelijk zijn bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken kenbaar heeft gemaakt aan het bestuur en de raad van commissarissen en sindsdien een zodanige termijn is verstreken dat de rechtspersoon redelijkerwijze de gelegenheid heeft gehad de bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen. De ratio van die bepaling is de rechtspersoon te beschermen tegen onverhoeds of onnodig ingediende enquêteverzoeken. [44] Aldus begrepen is het eerst intern uiten van kritiek een factor die kan meewegen bij de ontvankelijkheidsvraag voor het indienen van een verzoek tot extern toezicht door de rechtbank.
Overige rechtspersonenopmerkt dat de rechtbank hier “ten onrechte betekenis toe[kende] aan de omstandigheid dat er een (andere) structuur aanwezig is die tegenwicht kan bieden tegen het zelfstandig en/of eigenmachtig optreden van het bestuur van de stichting.” Rensen ziet “[v]oor een dergelijke benadering (…) geen ruimte binnen de lijn zoals uitgezet door de Hoge Raad.” [47] Ik sluit mij bij die opvatting aan (zie ook nr. 3.18 hiervoor).
Overige rechtspersonenbij de meer neutrale constatering dat het hof “na een uitgebreide toetsing aan beide (…) ‘IHD-criteria’, [oordeelt] dat een voormalig bestuurder van een nauw aan de stichting gelieerde vereniging geen belanghebbende is.” Rensen besluit: “Het hof legt de lat bewust hoog, omdat art. 2:298 BW Pro ‘buitengewoon zwaar’ ingrijpt in (de governance van) de stichting; er is het hof onvoldoende gebleken van een specifiek en concreet belang van verzoeker.” [49] Mijns inziens dient de omstandigheid dat zwaar wordt ingegrepen in (de governance van) de stichting niet mee te wegen in de ontvankelijkheidsvraag (zie nr. 3.17 hiervoor).
subonderdelen 1.1-1.5komen erop neer dat het hof te strenge eisen heeft gesteld aan de vereiste betrokkenheid in de zin van de in de Stichting IHD-beschikking van de Hoge Raad vermelde maatstaf, door de feiten en omstandigheden van het geval, hetzij afzonderlijk hetzij in combinatie, onvoldoende te achten om [verzoeker] aan te merken als belanghebbende in de zin van art. 2:298, 2:299 en/of 2:21 BW.
een belangis gelegen om in de procedure te verschijnen. Deze ruimere uitleg wordt in de literatuur breed onderkend (nr. 3.12).
Subonderdeel 2.2klaagt dat het hof bij dat oordeel bovendien heeft miskend dat het bij de beantwoording van de vraag of [verzoeker] zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, ook alle bijzondere feiten en omstandigheden van het onderhavige geval in aanmerking had moeten nemen, waaronder in ieder geval dat [verzoeker] zich sterk heeft gemaakt voor de ongedaanmaking van de statutenwijziging van 2002 en dat hij na die ongedaanmaking in 2008 kritiek is blijven uiten op het bestedingsbeleid van de Stichting.
Subonderdeel 2.3bevat een voortbouwende klacht gericht tegen het oordeel van het hof dat hetzelfde heeft te gelden voor de door [verzoeker] verzochte ontbinding van de Stichting op grond van art. 2:21 BW Pro. Bij het slagen van de klachten in subonderdelen 2.1-2.2 kan ook dat oordeel van het hof niet in stand blijven.
bestedingsbeleid van de Stichtingin deze procedure aan de orde heeft willen stellen (vgl. nr. 2.1-2.2). Ik verwijs voorts naar de (slagende) klachten van de subonderdelen 3.4-3.6.
ondanks het schrappen van het desbetreffende onderdeel van het statutaire doel(nog steeds) te veel kosten van het ANV voor rekening van de Stichting worden gebracht.
ontvangen. De mate van ingrijpen in (de governance van) de Stichting is een proportionaliteitsvraag die wel meeweegt bij de
inhoudelijkebeoordeling van de verzoeken tot ontslag van de stichtingsbestuurders en/of ontbinding van de Stichting. De bestuurders kunnen dingen fout hebben gedaan, maar dat hoeft de zware ingreep van een ontslag niet rechtvaardigen. Ik verwijs ter toelichting naar nr. 3.17 en nr. 3.21 van deze conclusie.