In deze zaak gaat het om de schorsing van verzoekster als bestuurder van Stichting Administratiekantoor Castle Capital, een stichting die via subholdings aan het hoofd staat van circa 157 vennootschappen. Verzoekster was op 15 juli 2014 benoemd als enig bestuurder van Castle Capital, nadat betrokkene 1, haar levenspartner, uit die functie was getreden.
De curatoren in het faillissement van betrokkene 1 verzochten de rechtbank om verzoekster met onmiddellijke ingang te schorsen als bestuurder en een onafhankelijke bestuurder te benoemen. De rechtbank wees dit toe en benoemde mr. P.R. Zwart als bestuurder. Het hof Amsterdam bekrachtigde deze beschikking.
Verzoekster stelde in cassatie dat het hof ten onrechte oordeelde dat er geen grief was gericht tegen de benoeming van Zwart, terwijl zij in haar beroepschrift uitvoerige bezwaren had geuit. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had omtrent het begrip 'grief'. De overige klachten van verzoekster faalden. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Amsterdam en verwees de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.