Conclusie
2.Het procesverloop
ex partete beslissen gehoor gegeven en op 5 september 2014 (onder meer) het volgende beslist:
rechtermede:
3.De bespreking van het cassatiemiddel
klacht 2gaat over het begrip belanghebbende. Gesteld wordt dat het hof een onjuiste rechts- dan wel taakopvatting heeft gehanteerd ten aanzien van dit begrip. Klacht 2 is onderverdeeld in drie subklachten.
klacht 2.1heeft het hof, door te overwegen dat de rechtbank de curatoren voorshands als belanghebbenden heeft kunnen aanmerken, miskend dat de rechtbank ten volle had moeten toetsen of de curatoren belanghebbenden zijn.
klacht 2.2is het hof kennelijk van de onjuiste rechts- of taakopvatting uitgegaan dat de verplichting voor de rechter, die een
ex parte-verzoek als het onderhavige heeft toegewezen, de zaak verder te behandelen om te beoordelen of de gronden tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de noodzaak tot het handhaven nog steeds bestaan, meebrengt dat de appelrechter ook gronden, feiten dan wel omstandigheden in zijn beoordeling mag betrekken, die na indiening van het verzoek zijn opgekomen.
ten grondemoet beslissen over de vraag of de verzoeker belanghebbende is in de zin van dit artikel. Dit uitgangspunt lijkt mij niet juist. Ook deze voorvraag zal voorlopig kunnen worden beantwoord. Voorlopige voorzieningen moeten immers met spoed kunnen worden getroffen. Dit neemt overigens niet weg dat de rechter in zijn voorlopige beoordeling wel zo zorgvuldig mogelijk te werk dient te gaan.
ex partegenomen beslissing, de appelrechter
ex tuncover de vordering of het verzoek van de oorspronkelijk eiser of verzoeker moet oordelen. Dat uitgangspunt lijkt mij niet juist. Conform de hoofdregel dient de appelrechter zich in deze gevallen niet te beperken tot het beoordelen van de in eerste aanleg genomen beslissing, maar dient hij tevens – ex nunc – te beoordelen of er voldoende grond is voor toewijzing van de vordering of het verzoek. [10]
de rechtbankde genoemde partijen niet als belanghebbenden heeft opgeroepen of gehoord is daarom ongegrond voor wat betreft de beschikking van 5 september 2014.
klacht 4.1heeft het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven door de ontslaggrond “wanbeheer” gelijk te stellen aan de term “wanbeleid”.
vrees voorwanbeheer (wanbeleid), ook al is deze gegrond, rechtens geen toegestane of wenselijke norm is om te beoordelen of een bestuurder van een stichting jegens wie bij wijze van voorlopige voorziening op grond van art. 2:298 BW Pro om schorsing is verzocht, daadwerkelijk te schorsen.
klacht 4.5heeft het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke, althans onvoldoende gemotiveerde wijze, vastgesteld dat hier gegronde vrees voor wanbeheer (wanbeleid) bestaat.
vrees voorwanbeheer, maar ik zou op grond van een redelijke wetsuitleg willen aannemen dat dit niettemin mogelijk is. Er zijn omstandigheden denkbaar waarin de rechter ook preventief moet kunnen ingrijpen. Het ligt wel voor de hand dat de rechter terughoudend moet zijn in het gebruikmaken van deze bevoegdheid.
klacht 4.3heeft het hof, door te onderzoeken of vrees voor wanbeheer (“wanbeleid”) bestaat, de grenzen van de rechtsstrijd overschreden, althans ten onrechte een verrassingsbeslissing gegeven. In de toelichting op de klacht is onder meer aangevoerd dat de curatoren alleen hebben gesteld dat er sprake is van vermoedelijk
gepleegd wanbeheer (“wanbeleid”)en niet dat er sprake is van
vrees voor wanbeleid (“wanbeleid”).
klacht 5heeft het hof ten onrechte de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en [verzoekster] in de proceskosten veroordeeld. Klacht 5 is onderverdeeld in zes subklachten. Ik bespreek de subklachten achtereenvolgens.
de beschikking van de rechtbankgegrond was. Zoals ook uit het voorgaande blijkt (zie onder 3.11), is dat niet het geval. Het hof diende te beoordelen of er ten tijde van het hoger beroep voldoende grond was voor het treffen van de door de curatoren verzochte voorlopige voorzieningen. Het hof was daarbij niet gebonden aan de door de rechtbank gevolgde redenering.
ex parteheeft beslist, herhaal ik dat in cassatie wordt opgenomen tegen de beschikking van
het hofen dat het hof, anders dan de rechtbank,
niet ex parteheeft beslist.
ex parteop het verzoek van de curatoren heeft beslist (de grieven 2 en 4). Dat de rechtbank dat heeft gedaan, heeft het hof kunnen billijken, gelet op de gerechtvaardigde vrees voor wanbeleid, de ernst en de spoedeisendheid van de situatie nu het gaat om een omvangrijke groep vennootschappen in financiële moeilijkheden (zie de tweede volzin van rov. 3.8). Het hof heeft in zijn motivering verwezen naar zijn overwegingen in rov. 3.6. Tegen dit oordeel richt klacht 5.2 zich overigens niet.
ex parteheeft beslist.
klacht 5.5heeft het hof onder rov. 3.10 ten onrechte, althans op onbegrijpelijke althans onvoldoende gemotiveerde wijze, overwogen dat de door [verzoekster] en [betrokkene 1] naar voren gebrachte bezwaren tegen de benoeming van de heer Zwart, onbesproken kunnen blijven, nu geen grief tegen de benoeming van de heer Zwart is gericht. Hiertegen is volgens de klacht wel gegriefd.
klacht 5.6heeft het hof miskend dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de in de statuten van Castle Capital opgenomen regeling die mr. [betrokkene 2] bevoegd maakt een bestuurder te benoemen in het geval Castle Capital geen bestuurder heeft en niet is voorzien in de benoeming van een opvolgend bestuurder zoals bedoeld in die statuten.