Conclusie
1.Feiten en procesverloop
voorlopigeondertoezichtstelling en tot het verlenen van een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van drie maanden [1] .
Jugendamten een kinderrechter te Groningen (mr. Flinterman). Deze kinderrechter heeft contact gehad met de heer Arlinghaus, rechter in de rechtbank Papenburg (Duitsland), en met het Bureau Liaisonrechter Internationale Kinderbescherming.
Jugendamtvanuit hun verblijfplaats te Esterwegen ondergebracht in een kindertehuis. Op 27 december 2011 zijn de minderjarigen aan de Nederlandse grens door het
Jugendamtovergedragen aan BJZ in aanwezigheid van de Nederlandse politie. De ouders hebben in Duitsland aangifte gedaan tegen medewerkers van het
Jugendamt.
Jugendamtom alle opsporingsactiviteiten naar de ouders en kinderen en (verdere) bemoeienis te staken;
bis, Haags Kinderontvoeringsverdrag en de schendingen van het IRVK etc. voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie.
Jugendamtom alle opsporingsactiviteiten naar appellanten en naar de kinderen en iedere bemoeienis met de kinderen en appellanten te staken. Zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- voor iedere overtreding van het te geven bevel na betekening van het ten dezen te wijzen bevel.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
equality of armsin “diverse rechterlijke uitspraken” [15] . In het bijzonder klagen de ouders over het niet toestaan en niet mogelijk maken door de rechterlijke instanties van onafhankelijk onderzoek naar de geschiktheid van de ouders. Aan het slot van dit middelonderdeel klagen de ouders dat het hof zich heeft beperkt tot twee beschikkingen van de kinderrechter: die van 25 november 2011 en van 14 december 2011.
equality of armsin zaken van kinderbescherming is in het middelonderdeel toegelicht met een verwijzing naar het arrest Korošec/Slovenië van het EHRM [16] . Volgens de ouders blijkt uit dat arrest dat de nationale rechter vanuit het oogpunt van
equality of armserop dient toe te zien dat de rapportage wordt uitgebracht door een onafhankelijke deskundige althans de mogelijkheid van een tegenonderzoek door zodanige deskundige. Volgens de klacht is de ‘bron van ellende’ in dit geval het onjuiste rapport van de Raad voor de kinderbescherming waarin staat dat de ouders niet geschikt zouden zijn om voor deze kinderen te zorgen.
repeat player, die vertrouwd is met de eisen die door de rechterlijke instanties aan bewijsstukken worden gesteld en beschikt over de middelen om (aanvullende) bewijsstukken te laten vervaardigen. Een particulier die wederpartij is, heeft deze schaalvoordelen niet en beschikt niet altijd over de financiële middelen om een
contra-expertisete bekostigen [18] . Ter compensatie hiervan, kunnen ouders die het niet eens zijn met het resultaat of met de wijze van totstandkoming van een door de Raad voor de kinderbescherming in het geding gebracht rapport, de rechter verzoeken een nader onderzoek te laten instellen door een onafhankelijke deskundige (zie art. 810a lid 2 Rv). In dit geval hebben de ouders een dergelijk verzoek kunnen richten tot de kinderrechter en in hoger beroep tot het gerechtshof. Nadat bij genoemde beschikking van 1 maart 2012 de beschikking van de kinderrechter van 14 december 2011 was bekrachtigd, heeft de Hoge Raad op 4 januari 2013 [19] het daartegen ingestelde cassatieberoep verworpen.
bis [20] .
bis). Zoals A-G Vlas in alinea 2.5 van zijn conclusie voor HR 4 januari 2013 heeft opgemerkt, is de invulling van het begrip ‘gewone verblijfplaats’ in art. 8 lid 1 van Pro deze verordening nauw verweven met beoordelingen van feitelijke aard [22] en heeft het hof tot het oordeel kunnen komen dat de uitschrijving van de ouders en hun kinderen uit de gemeentelijke basisadministratie in Nederland en hun inschrijving op dezelfde dag in een bevolkingsregister in Duitsland niet doorslaggevend kunnen zijn als het gaat om de vraag of de ‘gewone verblijfplaats’ van de kinderen als bedoeld in de verordening Brussel II-
bisis gewijzigd. Tegen deze achtergrond heeft het hof in rov. 6.8 van het thans bestreden arrest de gevolgtrekking kunnen maken dat de kinderen op 25 november 2011 hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Onderdeel 4 faalt.
bis.Hoewel het slot van onderdeel 5 hierover anders denkt, is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk: het hof is kennelijk ervan uitgegaan dat het optreden van de Duitse autoriteiten strekte ter uitvoering van de Duitse nationale regelgeving op het gebied van de kinderbescherming en dat het niet aan het hof was, om de activiteit van de Duitse instanties te toetsen aan de Duitse regelgeving.
feitelijkesamenwerking tussen de Nederlandse en de Duitse autoriteiten niet heeft meegewogen. In dit verband is ter toelichting op de klacht gesteld dat het hof ervan uitgaat dat het betekeningsvoorschrift in art. 28 Brussel Pro II-
bisniet is nageleefd met betrekking tot de beschikkingen van de kinderrechter van 25 november 2011 en 14 december 2011.
Jugendamt, dat verwees naar de rechter Alinghaus. Ook stuurde deze rechter een mail naar het Bureau Liaisonrechter te Den Haag. Dit bureau liet weten dat er een Handleiding uitvoerbaarheid kinderbeschermingsmaatregelen van de Nederlandse kinderrechter in EU-lidstaten [24] is, waarin beschreven staat wat de mogelijkheden voor BJZ zijn. In deze handleiding staat beschreven wat een BJZ kan doen om een beschikking van een Nederlandse kinderrechter in het buitenland ten uitvoer te leggen. Op de laatste pagina is, als alternatief, de zorgmelding genoemd. Het doel van een zorgmelding is dat de autoriteiten in het bestemmingsland op de hoogte worden gesteld van het feit dat het kind zich in dat land bevindt en dat er een aanleiding is om maatregelen te treffen op grond van het recht van dat land. Een zorgmelding kan geschieden langs de formele weg via de Centrale Autoriteit van het land of informeel door contact op te nemen met de terzake bevoegde organisatie in het desbetreffende land [25] . In de onderhavige zaak lijkt de informele weg gekozen te zijn. Of daarvan sprake is geweest, staat slechts ter beoordeling van de rechter die over de feiten oordeelt. Hoe dan ook, het hof heeft tot het oordeel kunnen komen dat van een (formele of
de facto) tenuitvoerlegging van een beschikking van de Nederlandse kinderrechter in Duitsland in strijd met de bepalingen van de Verordening Brussel II-
bisgeen sprake is geweest. In rov. 10 – in cassatie onbestreden − heeft het hof ook de overige vorderingen, gebaseerd op een onrechtmatig optreden van de Duitse autoriteiten waarvoor de ouders de Staat en/of BJZ aansprakelijk houden, afgewezen. De slotsom is dat onderdeel 6 faalt.