Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:BY7753

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/02817
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 8 lid 1 Brussel II-bis Verordening (2201/2003)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid Nederlandse rechter bij ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing minderjarigen

De zaak betreft een geschil over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van minderjarige kinderen, waarbij de ouders woonachtig zijn in Duitsland en de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland als verweerder optreedt. De kern van het geschil is de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de kinderen en daarmee de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om te beslissen over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

In eerste aanleg en hoger beroep zijn beslissingen genomen door de kinderrechter te Groningen en het gerechtshof te Leeuwarden. De ouders hebben tegen de beschikking van het hof cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De Raad voor de Kinderbescherming heeft geen verweerschrift ingediend. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelt dat de in het cassatiemiddel aangevoerde klachten niet leiden tot cassatie en dat geen nadere motivering nodig is omdat de klachten niet tot rechtsvragen leiden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigt hiermee de bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van artikel 8 lid 1 van Pro de Brussel II-bis Verordening (2201/2003) en verwerpt het beroep van de ouders.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de ouders wordt verworpen en de bevoegdheid van de Nederlandse rechter bevestigd.

Uitspraak

4 januari 2013
Eerste Kamer
12/02817
EE/EP
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [Verzoeker 1],
2. [Verzoekster 2],
beiden wonende te [woonplaats], Duitsland,
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
zetelende te Groningen,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de ouders en de Raad.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikkingen in de zaak 130516/JE RK 11-907 en 130541/JE RK 11-909 van de kinderrechter te Groningen van 25 november 2011 en 14 december 2011;
b. de beschikking in de zaak 200.100.831 van het gerechtshof te Leeuwarden van 1 maart 2012.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof hebben de ouders beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.A. Streefkerk, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 4 januari 2013.