Conclusie
‘medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd’,
‘medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd’en
‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’tot een gevangenisstraf van 29 maanden met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de schadevergoedingen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd als in het arrest omschreven.
eerste middelklaagt dat het hof de verklaring van de getuige [getuige 1] in strijd met art. 6, eerste lid onder d, EVRM, dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, tot het bewijs heeft gebezigd.
“WOD traject/ [getuige 1].
‘sole or decisive’kan worden aangemerkt. Het hof had die verklaring niet tot het bewijs mogen bezigen, aldus het middel.
gelegenheidgecreëerd. [12] In het licht van de uitputtende pogingen die zijn gedaan om de getuige [getuige 1] te laten verklaren, bij welke gelegenheden zij echter, zelfs na gijzeling [13] , weigerde om antwoord te geven op (essentiële) vragen, en de omstandigheid dat zij zich daarbij op haar verschoningsrecht heeft beroepen, was er een goede reden voor het niet ondervragen van de getuige, en acht ik ’s hofs overweging hieromtrent niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof is m.i. op goede gronden overgegaan naar de vraag of de verklaring al dan niet als
‘sole or decisive’voor de bewezenverklaring moet worden aangemerkt; stap (ii) van het genoemde ‘driestappenplan’.
‘sole or decisive rule’is reeds te vinden in EHRM 24 november 1986 (Unterpertinger). [14] De regel is voor het eerst in die woorden gestipuleerd in EHRM 27 februari 2001 (Lucà). [15] Ruim twintig jaar geleden introduceerde de Hoge Raad de Nederlandse tegenhanger van dit uitgangspunt: het criterium van voldoende steunbewijs. Sindsdien geldt dat art. 6 EVRM Pro niet in de weg staat aan het gebruik voor het bewijs van een de verdachte belastende verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige indien “
die verklaring in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen". [16] Het steunbewijs dient daarbij betrekking te hebben op die onderdelen van de belastende verklaring die de verdachte betwist. [17]
‘sole or decisive rule’ uiteengezet:
‘decisive’méér betekent dan alleen dat de getuigenverklaring bewijzende waarde heeft. Het gaat om de doorslaggevende betekenis of het beslissende belang van die verklaring voor de uitkomst van een strafzaak. Of een dergelijke verklaring ook daadwerkelijk aangemerkt moet worden als
‘decisive’voor die bewezenverklaring, hangt weer af van de kracht van het eventuele steunbewijs. In het licht van deze overweging blijft de vaststelling of een getuigenverklaring van beslissende betekenis is dan ook een casuïstische aangelegenheid. [18]
kunnenoordelen dat er, naast de verklaring van de getuige [getuige 1], voldoende steunbewijs is voor verdachte’s aanwezigheid in de Volkswagen Transporter. Het steunbewijs moet immers betrekking hebben op de door de verdachte betwiste onderdelen van de belastende verklaring. Het hof heeft hieromtrent vastgesteld dat de verklaring van de getuige [getuige 1]
“in belangrijke mate steun (vindt) in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen”. Hij overweegt daartoe dat de aanwezigheid van de verdachte in de bus onder meer blijkt uit het in die bus op verschillende zaken aangetroffen DNA-materiaal van de verdachte en zijn medeverdachten en de daarin aangetroffen hennepplanten, tiewraps, een vuurwapen en een politie-uniformjasje. Voorts is er DNA van de verdachte aangetroffen in de woning gelegen aan de vluchtroute van de personen die de Volkswagen Transporter hebben verlaten. Hoewel de verklaring van de getuige [getuige 1] door het hof van zwaarwegende betekenis wordt geacht, kan derhalve niet gezegd worden dat de bewezenverklaring in
beslissendemate steunt op die verklaring. Ik acht het oordeel van het hof dat de verklaring van de getuige [getuige 1]
“niet (kan) worden aangemerkt als een “sole or decisive” bewijsmiddel”, in het licht van het voorgaande en de omstandigheden van het geval, dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
tweede middelklaagt over de bewezenverklaring van (opzet op) het medeplegen.
Ten overvloede ten aanzien van feit 2
bewustesamenwerking. De bewuste samenwerking komt in de rechtspraak minder aan bod dan de vereiste nauwe samenwerking, met name doordat met het bewijs van die objectieve zijde van de samenwerking het bewijs voor de bewuste samenwerking doorgaans ook wel is geleverd. Bewuste samenwerking zal vaak op afspraken en (eventueel kortstondig) overleg zijn gebaseerd, maar kan ook stilzwijgend geschieden. [25]
heeft deelgenomen aan een beroving waarbij voorafgaand, blijkens de aanwezige wapens en andere attributen, werd geanticipeerd op een mogelijk gebruik van geweld of dreiging met geweld” besloten dat hij (voorwaardelijk) opzet bij de verdachte op het medeplegen van de bewezenverklaarde feiten aanwezig acht. Dit oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.