Conclusie
1.Feiten
due diligence-onderzoek dat Albert Heijn had uitgevoerd de werkelijke weekomzet van [eiseres] (dat wil zeggen als C1000, A-G) bekend. Vervolgens zijn de prognoses in fase 5 en 6 (mede) gebaseerd op de werkelijke weekomzet van € 300.000,--. [eiseres] heeft op enig moment vóór 4 juli 2012 een lange termijn-prognose, ook wel aangeduid als LTP (hierna ook: de prognose) van Albert Heijn ontvangen. [2] Volgens deze prognose, die is gedateerd 21 juni 2012, zou de weekomzet in het eerste jaar na de overgang van C1000 naar Albert Heijn € 280.000,-- bedragen, in het tweede jaar € 295.800,-- en in het derde jaar € 315.200,--.
2.Procesverloop
als C1000was de
inschattingin deze fase een omzet van
€ 275.000,- per week.
derde jaarna overname zou draaien
onder de Albert Heijn formule. De winkel van [eiseres] is toen geplaatst in de omzetrange
€ 200.000,- tot € 250.000,- per week. Deze indeling heeft plaatsgevonden op basis van de volgende gegevens: waar ligt de winkel, wat zijn de voornaamste concurrenten, hoe past de winkel in het Albert Heijn netwerk, hoeveel mensen wonen er in de kern, welke inkomensindex heeft de kern, hoe ziet de buurtstructuur eruit, zijn er plannen die spelen voor de omgeving (versterking/verandering van het speelveld), welke omzet en welk marktaandeel wordt gehaald door vergelijkbare Albert Heijn winkels (de zgn. referentiewinkels).
onder de Albert Heijn formulein deze fase in het
derde jaarna overname gesteld op
€ 250.000,-- per week.
onder de Albert Heijn formulein het
eerste jaargezet op
€ 280.000,--en het
derde jaarop € 300.000,- per week.
verbintenisrust om een franchisenemer in te lichten over de te verwachten omzet of winst. Van bijzondere afspraken over het verstrekken van inlichtingen zoals omzetprognoses gedurende de precontractuele fase is in dit geval niet gebleken. Nu derhalve geen sprake is van een verbintenis tot het verschaffen van inlichtingen, kan er ook geen sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van die verbintenis en evenmin van een daaruit voortvloeiende verplichting tot schadevergoeding.”
€ 250.000,-, is geen rekening gehouden met de toenmalige werkelijke omzet. Op basis van de werkelijke weekomzet van [eiseres] van € 300.000,- heeft LS in fase 5 van haar onderzoek een hogere prognose vastgesteld dan de initiële prognose. Verder is in het eerste jaar rekening gehouden met een omzetdaling van 7% in plaats van de 2% waarmee Albert Heijn in 2008 bij een wisseling van de C1000-formule naar de Albert Heijn formule in het eerste jaar te maken kreeg. Op basis van deze gegevens is een geprognotiseerde weekomzet berekend van € 280.000,- in het eerste jaar, € 295.800,- voor het tweede jaar en € 315.200,- voor het derde jaar. In de Ondernemersnotitie is de omzetpotentie in het derde jaar geschat op € 300.000,- per week. Voor de geprognosticeerde omzet voor de jaren 4 t/m 8 is Albert Heijn uitgegaan van een jaarlijkse omzetgroei van 3%.”
De verwachting is dat de huidige C1000 onder AH-vlag, dankzij een goede match met het marktgebied, uiteindelijk het huidige omzetniveau moet kunnen evenaren. In eerste instantie moet echter rekening gehouden worden met een lichte daling van de omzet, doordat meer prijsgeoriënteerd publiek op zoek gaat naar alternatieven en vanwege assortimentsverschillen tussen de C1000 en AH formule.
Paalman/Lampeniervolgt dat de franchisegever onder omstandigheden onrechtmatig zal handelen, indien hij weet dat de prognose ernstige fouten bevat en hij zijn wederpartij niet op deze fouten opmerkzaam maakt. Nu is komen vast te staan dat de omzetprognose deugdelijk was, faalt de grief, ook voor zover [eiseres] een beroep doet op een specialis van de onrechtmatige daad, zoals misleidende reclame, aldus het hof.
3.Inleidende opmerkingen
Paalman/Lampenieren
Street-One;
goodwillen de uitkoopregeling), en zijn zij, als gezegd, ook van belang voor het aantrekken van externe financiering. Juist tegen deze achtergrond krijgt het tweede aspect reliëf: bij franchising is niet zonder meer sprake van gelijke verhoudingen. Hoewel er ‘grote’ en/of ‘machtige’ franchisenemers bestaan, zijn het in het algemeen de franchisegevers die het heft in handen hebben. Niet voor niets staat de discussie (vooral) in het teken van de vraag of en zo ja in welke mate en vorm bescherming van de (aspirant)franchisenemer, ook al is hij net als de franchisegever ondernemer, [25] in verband met informatieachterstand, verschil in deskundigheid, tijdsdruk en machtspositie van de franchisegever, aangewezen is. [26]
inkleuringdoor een regeling als de NFC plaatsvindt,
directomdat deze eventueel door betrokkenen van toepassing is verklaard, maar mogelijk ook
indirectvia art. 6:2 jo Pro. 3:12 BW of langs de weg van het ongeschreven recht in art. 6:162 BW Pro (de zorgvuldigheidsnorm). [27] Daarmee is overigens weer niet gezegd dat een enkel schenden van hetgeen in de NFC staat, meteen ook onzorgvuldig en onrechtmatig is of anderszins beslissend is; het legt dan wel gewicht in de schaal. [28]
Paalman/Lampenier [29] en
Street-Onedie weliswaar qua feitelijke context aansluiten bij het leerstuk van dwaling, maar in cassatie vooral de schadevergoedingsproblematiek betreffen.
Paalman/Lampenier [30] aan de orde. Lampenier als franchisegever en Paalman als franchisenemer hebben op 3 februari 1994 een franchiseovereenkomst gesloten met betrekking tot een Lampeniervestiging in Apeldoorn. Vóór het aangaan van de franchiseovereenkomst heeft Lampenier een op 29 december 1993 gedateerd rapport van onderzoeksbureau B & O Management BV (verder: B & O) aan Paalman verschaft. Dit rapport betrof een vestigingsplaatsonderzoek. De omzet van de Lampeniervestiging is van meet af aan sterk achtergebleven bij de prognose. Partijen hebben hierop in onderling overleg de franchiseovereenkomst tussentijds beëindigd. Paalman heeft Lampenier vervolgens aangesproken tot vergoeding van de schade. Hij is daarbij voor een tweetal ankers gaan liggen: (1) toerekenbaar tekortschieten door Lampenier in de nakoming van haar verplichtingen jegens Paalman uit de franchiseovereenkomst en (2) onrechtmatig handelen van Lampenier door aan Paalman, in het overleg dat aan het aangaan van de franchiseovereenkomst is voorafgegaan, een onjuiste voorstelling van zaken te geven in de vorm van een onvolledig en onjuist vestigingsplaatsonderzoek en daarop gebaseerde winstverwachtingen. Het hof heeft de vordering van Paalman alsnog, nadat de rechtbank de vordering aanvankelijk had toegewezen, afgewezen. Daartoe heeft het hof, samengevat, geoordeeld dat de fouten die de rechtbank in het rapport van B & O heeft aangetroffen, niet aan Lampenier zijn toe te rekenen zodat een door het rapport veroorzaakte verkeerde voorstelling van zaken niet als een tekortkoming van Lampenier kan worden aangemerkt. Daaraan heeft het hof toegevoegd dat het voorshands niet het oordeel van de rechtbank deelt dat het rapport van B & O fouten bevat.
caveat: wanneer een franchisegever een rapport verstrekt, kan daaruit niet worden afgeleid dat op de franchisegever een dergelijke verplichting rustte (rov. 3.4.).
Paalman/Lampenierbrengt dat echter geen soelaas, omdat de vraag of Lampenier op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is, in cassatie niet aan de orde was. In de eerste plaats was niet gesteld dat het door Lampenier aan Paalman verschaffen van het door B & O opgemaakte rapport als onrechtmatige daad van Lampenier zelf moest worden aangemerkt. Evenmin was aangevoerd dat zich in het aan de orde zijnde geval een aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:172 BW Pro voordoet en het oordeel van het hof dat Lampenier niet op grond van art. 6:170 dan Pro wel 6:171 BW voor de gevolgen van, eventuele, ondeugdelijkheid van het B & O-rapport jegens Paalman aansprakelijk kan worden gehouden, werd in cassatie niet bestreden.
Paalman/Lampenieris naar mijn indruk nog steeds leidend althans richtinggevend zowel in de literatuur als in de feitenrechtspraak, ondanks de kritiek van onder meer Vranken in zijn
NJ-noot die, (te) kort gezegd, meent dat in het arrest niet alleen onvoldoende aandacht is gegeven aan de verschillende gevallen van franchising, ontwikkelingen elders en in zelfregulering (noot onder I. en II.), maar ook te star is gekeken naar de stellingen van Paalman: het zou hem niet zozeer gaan om aansprakelijkheid wegens tekortschieten in een informatieverbintenis maar ook om aansprakelijkheid vanwege ondeugdelijk presteren (noot onder III.). Van de naar aanleiding van het arrest gerezen vragen is een tweetal nu relevant. In de eerste plaats is dat de vraag of inmiddels, bijvoorbeeld in het licht van ontwikkelingen in de landen om ons heen of ‘in het veld’, wél zou moeten worden aangenomen dat op de franchisegever een (afdwingbare) verplichting rust tot het verstrekken van prognoses (hierna randnummer 3.22). In de tweede plaats betreft dat de duiding van het arrest
Paalman/Lampenier: volgt uit dat arrest nu dat de franchisegever enkel in geval van wetenschap omtrent fouten in door hem verstrekte prognoses aansprakelijk is? [32] Het antwoord op die tweede vraag is inmiddels in het
Street-One-arrest [33] gegeven.
Paalman/Lampenierte verduidelijken. In het incidentele cassatieberoep heeft Street-One ingezet op een tot gevallen van ‘bewust handelen’ van de franchisegever beperkte aansprakelijkheid. De vraag die in cassatie aan de orde wordt gesteld, is of een franchisegever onrechtmatig handelt indien hij voorafgaand aan het sluiten van de franchiseovereenkomst een analyse omtrent de verwachte omzet aan zijn wederpartij verstrekt waarvan hij niet weet, maar (slechts) behoort te weten dat die analyse fouten bevat (rov. 5.2). Volgens het middel geldt ingevolge het arrest (
Paalman/Lampenier) als voorwaarde voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW Pro dat de franchisegever zijn wederpartij welbewust in een onjuiste veronderstelling heeft gebracht en gelaten. In eerste instantie licht Uw Raad het arrest
Paalman/Lampeniertoe: in dat arrest is overwogen dat de franchisegever die een rapport over de te verwachten omzet en de te verwachten winst aan zijn wederpartij verschaft, onder omstandigheden onrechtmatig handelt, indien hij weet dat dit rapport ernstige fouten bevat en hij zijn wederpartij niet op deze fouten opmerkzaam maakt. Vervolgens wijst Uw Raad erop dat deze regel ziet op het geval dat in dat arrest aan de orde was, namelijk het geval dat de franchisegever het onderzoek en het opstellen van het daarop gebaseerde rapport aan een derde heeft uitbesteed. Ook de franchisegever mag dan in de regel op de juistheid daarvan vertrouwen, zodat in beginsel van onzorgvuldig handelen zijnerzijds pas sprake is als hij wetenschap heeft van ernstige fouten in het rapport (rov. 5.3). Maar, zo overweegt Uw Raad:
Street-One-arrest in het algemeen positief wordt ontvangen. [34] Vranken suggereert in zijn
NJ-noot overigens wel dat Uw Raad, vooral door eisen als ‘weten’ en ‘ernstige fouten’ in geval van uitbesteed onderzoek, streng is aan het front van de aansprakelijkheid van de franchisegever. Mede in dit verband wijst hij dan ook weer op het belang van een dwalingsactie al dan niet in combinatie met een beroep op art. 6:230 BW Pro. [35]
Paalman/Lampenierhet nodige gebeurd is, zodat de vraag is of inmiddels, bijvoorbeeld in het licht van ontwikkelingen in de landen om ons heen of ‘in het veld’, wél zou moeten worden aangenomen dat op de franchisegever een (afdwingbare) verplichting rust tot het verstrekken van prognoses. Vooralsnog zou ik geneigd zijn deze vraag ontkennend te beantwoorden, ook al is er in sommige landen om ons heen een wettelijke informatieplicht voor franchisegevers en ook al spreekt bijvoorbeeld uit de NFC en ook uit de Memorie van Toelichting bij het internetconsultatie-wetsvoorstel wettelijke verankering NFC een sterke
voorkeurvoor het verschaffen van prognoses. [36] In de praktijk zal het beoogde resultaat in het kader van het dwalingsleerstuk dicht worden benaderd, waarbij ik zowel aan art. 6:228 lid 1 onder Pro
aals aan lid 1 onder
bBW denk: zonder prognoses zal het in de praktijk niet gaan (hiervoor randnummer 3.6) en aan eenmaal verstrekte prognoses kunnen, op straffe van toepassing van het reguliere contractenrechtelijke arsenaal, ook eisen worden gesteld. Algemeen wordt aangenomen dat de kandidaat-franchisenemer, wanneer hem een omzetprognose wordt verstrekt door de franchisegever, ervan mag uitgaan dat de prognose berust op juiste informatie en deugdelijk onderzoek. [37] Is dat niet het geval dan kan dat aanleiding geven tot een succesvol beroep op dwaling bijvoorbeeld, maar ook tot aansprakelijkheid van de franchisegever. [38] Bij die laatste optie moet, zo blijkt uit het arrest
Street-One, onderscheid worden gemaakt tussen het geval dat de franchisegever het onderzoek en het opstellen van het daarop gebaseerde rapport aan een derde heeft uitbesteed, en het geval dat hij dat onderzoek zelf heeft gedaan. Dit onderscheid is bij een beroep op dwaling in principe zonder betekenis (hiervoor randnummer 3.14).
Paalman/Lampenierheeft Uw Raad daarvoor de weg ook geplaveid (hiervoor randnummer 3.14). In de feitenrechtspraak is dat duidelijk terug te zien: met een zekere regelmaat worden franchiseovereenkomsten vernietigd wegens onjuiste, gebrekkige of anderszins onzorgvuldig verstrekte prognoses. [43] In veel van deze gevallen wordt er, overigens met wisselend succes, naast vernietiging ook schadevergoeding gevorderd. [44]
disclaimers) te formuleren in de verschafte informatie (‘deze informatie is weliswaar met grote zorgvuldigheid totstandgekomen, maar ...’ etc.). [45] De laatste techniek komt sympathieker over dan de eerste, [46] waarvoor de ruimte bovendien sterk afhankelijk is van de vraag of en zo ja in welke mate dwingendrechtelijke regelgeving zal worden geïntroduceerd. Maar ook het ‘spelen met de verwachtingen’ dat in ieder geval een verschuiving beoogt naar meer eigen verantwoordelijkheid in de vorm van door de kandidaat-franchisenemer te verrichten onderzoek met als mogelijke rechtsgevolgen toepassing van art. 6:228 lid 2 BW Pro (dwaling blijft voor eigen rekening) of art. 6:101 BW Pro in geval van een schadevergoedingsclaim heeft in de specifieke franchisecontext beperkingen, dunkt me. Ik ben althans niet geneigd te gemakkelijk in het voordeel van de franchisegever mee te laten wegen dat hij (
a) prognoses heeft verschaft (dikwijls in de hoop de ander over de streep te trekken) maar tegelijkertijd (
b), gechargeerd gezegd, heeft aangegeven dat zijn informatie niet al te serieus genomen moet worden. Niet alleen is dat (in meer of mindere mate) tegenstrijdig, dergelijke
disclaimerszijn ook wel erg gemakkelijk toegevoegd en opgeschreven, terwijl de kandidaat-franchisenemer vervolgens voor de afweging komt te staan of hij (extra) kosten gaat maken om de hem zojuist verstrekte informatie op waarde te laten schatten.
Paalman/Lampenieren de onderhavige zaak zijn hiervan voorbeelden.
Baris/Riezenkamp [48] voortvloeiende verplichtingen. [49] Zelf ben ik geneigd de schending van dergelijke zorgvuldigheidsverplichtingen van de franchisegever over de band van art. 6:162 BW Pro te benaderen.
NJ-noot bij
Paalman/Lampenierheeft gesuggereerd dat in verband met eventuele ondeugdelijke prognoses ook zou kunnen worden gedacht aan een wanprestatie-claim waarbij de franchisenemer erover klaagt dat hij niet heeft gekregen wat hij (mede) in het licht van de verstrekte prognose mocht verwachten. [50] Dit sluit aan bij het leerstuk van non-conformiteit (vgl. art. 7:17 BW Pro bij koop). Uitgesloten is die route naar mijn mening niet, maar dat deze optie in de praktijk niet werkelijk uit de verf komt, is niet zo gek. Wanneer zelfs in het kader van een beroep op een wilsgebrek al terughoudendheid aan de orde is, ligt een succesvol beroep op non-conformiteit, dat in de kern een aanspraak op bepaalde eigenschappen veronderstelt, bepaald niet voor de hand, nog daargelaten dat dan zelfs een aanspraak op vergoeding van het positief belang zou bestaan. [51]
Street-One-arrest blijkt dat een tweetal situaties moet worden onderscheiden. De
eerstebetreft een prognose die door de franchisegever zelf is opgesteld of door iemand voor wie hij aansprakelijk is op grond van art. 6:170-172 BW. In deze situatie gelden de normale regels voor eigen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad en voor eventuele kwalitatieve aansprakelijkheid voor onrechtmatig gedrag van een ander. Niet vereist is dat de franchisegever wist dat de prognose niet deugde. De
tweedesituatie betreft een prognose die de franchisegever door een derde heeft laten opstellen. In dat geval mag de franchisegever in de regel vertrouwen op de deugdelijkheid van die prognose, zodat in beginsel van onzorgvuldig handelen zijnerzijds pas sprake is in het geval van wetenschap omtrent ondeugdelijkheid of gebreken. [56] In de voorliggende zaak betreft het de
eerste situatie: Albert Heijn heeft een prognose verstrekt die is gebaseerd op onderzoek door haar eigen afdeling LS.
Paalman/Lampenieren
Street-Onezien in het bijzonder op een op onrechtmatige daad gebaseerde aansprakelijkheid van de franchisegever. Voor schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen is niet alleen onrechtmatig handelen van de franchisegever vereist, maar is ook nodig dat de onrechtmatige daad aan hem kan worden toegerekend. In de
Street-One-zaak zijn de betrokken overeenkomsten niet alleen vernietigd op grond van dwaling, maar is vervolgens de vraag of met een beroep op art. 6:162 BW Pro tevens schadevergoeding kan worden verkregen. In de onderhavige zaak stuurt [eiseres] juist niet aan op vernietiging wegens dwaling, maar wenst zij wel financieel gecompenseerd te worden. In dit verband doet zij niet alleen een beroep op art. 6:162 BW Pro, maar ook op art. 6:230 (en 3:54) lid 2 BW. Daarbij rijst de vraag of de franchisenemer door het volgen van die laatste route aan normale aan aansprakelijkheid gestelde vereisten, zoals bijvoorbeeld het vereiste van toerekening, kan ontkomen. De consequentie zou dan zijn dat een vergoeding zou kunnen worden verkregen die langs de route van art. 6:162 BW Pro niet aan de orde zou zijn. Een nadere beschouwing is daarom op haar plaats.
eerste onderdeelricht zich tegen de weigering van het hof, ondanks herhaalde daartoe strekkende verzoeken van [eiseres] , om een proces-verbaal van de pleitzitting van 22 april 2016 te verstrekken. Door te weigeren een proces-verbaal te verstrekken zou het hof hebben geoordeeld en beslist in strijd met de, mede in het licht van art. 6 en Pro 13 EVRM geldende, rechtsregel dat het hof als feitenrechter gehouden is in vorderingszaken als de onderhavige een proces-verbaal van het verhandelde ter zitting te verstrekken teneinde de mogelijkheden tot het instellen van cassatieberoep tegen een daaropvolgend arrest te kunnen beoordelen en de tegen dat arrest te richten klachten te kunnen bepalen.
subonderdeel 1.2wordt geklaagd dat het oordeel van het hof ook blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting wanneer het hof deze rechtsregel niet heeft miskend, maar van oordeel was dat [eiseres] geen voldoende in rechte te respecteren belang heeft bij afgifte van het proces-verbaal. Het zou niet aan het hof, maar aan [eiseres] zijn om de inhoud van het proces-verbaal te betrekken in de beslissing of en, zo ja, in hoeverre en om welke redenen, de inhoud ervan voor beroep in cassatie relevant kan zijn. In aanmerking genomen de door art. 6 en Pro 13 EVRM gewaarborgde toegang tot de rechter, mag in gevallen als het onderhavige bij een verzoek van (één van) partijen tot afgifte van het proces-verbaal dan ook steeds voldoende belang worden verondersteld. Verwezen wordt daarbij naar de wetsgeschiedenis bij art. 3:303 BW Pro. [71]
in het gevaleen proces-verbaal is opgemaakt, daarvan zo spoedig mogelijk afschrift aan partijen wordt verstrekt. [76] De KEI-wetgeving bevat wel een algemene regeling voor het opmaken van een proces-verbaal (art. 30n lid 1 Rv). [77] Vaststaat [78] dat art. 30n Rv van de KEI-wetgeving hier niet toepasselijk is. [79] Er is in deze zaak dus geen wettelijke grondslag die het hof verplichtte een proces-verbaal van het pleidooi op te stellen.
belangbij het proces-verbaal merk ik het volgende op. Uw Raad oordeelde in een BOPZ-procedure dat de voorschriften over het opmaken en verstrekken van een proces-verbaal er onder meer toe strekken dat het proces-verbaal wordt betrokken bij de beslissing of een rechtsmiddel wordt ingesteld. [80] Eenzelfde belang geldt mijns inziens in dagvaardings-/vorderingsprocedures. [81] Volgens het eerste onderdeel van het cassatiemiddel zou het hof hebben miskend dat [eiseres] belang heeft bij de inhoud van het proces-verbaal, omdat deze moet kunnen worden betrokken bij de beslissing over de vraag of, en op welke gronden, beroep in cassatie wordt ingesteld. In de aanbiedingsbrief wordt namens [eiseres] daartoe een beroep gedaan op de brief van het hof Amsterdam van 10 mei 2016 (hiervoor randnummer 2.30). Het instellen van cassatieberoep was op dat moment echter nog niet aan de orde. Het eindarrest dateert immers van 14 maart 2017. Het hof heeft weliswaar ook bij brief van 16 juni 2017 bericht dat geen proces-verbaal zal worden verstrekt, maar in die brief is als reden vermeld dat de griffier niet meer werkzaam is bij het hof, dat het op basis van de aantekeningen van deze griffier niet mogelijk is gebleken een inhoudelijk proces-verbaal op te maken, met name met betrekking tot verklaring van [betrokkene 2] , en dat de raadsheren hierover uit hun herinnering geen uitsluitsel hebben kunnen geven (hiervoor randnummer 2.47). Er is dus geen reden om aan te nemen dat het hof zou hebben miskend dat [eiseres] belang heeft bij de inhoud van het proces-verbaal, omdat deze moet kunnen worden betrokken bij de beslissing over de vraag of, en zo ja op welke gronden, beroep in cassatie wordt ingesteld.
tweede onderdeelis gericht tegen de overweging in rov. 3.3. dat in de incidentele grieven B, G, H, I, J en L geen concrete bezwaren tegen het vonnis zijn geformuleerd en dat deze incidentele grieven daarom buiten beschouwing worden gelaten.
eerste gedeelte van subonderdeel 2.1faalt dus.
Subonderdeel 2.2bouwt hierop voort en luidt als volgt:
incidentele grieven G, H, I, J en Lmiskend dat gelet op de in de ‘memorie van antwoord tevens houdende eiswijziging, tevens houdende incidenteel appel’ gegeven toelichting bij deze incidentele grieven en de door het hof in rov. 3.2 bedoelde wijziging van eis [eiseres] met incidentele grieven G, H, I, J en L haar stellingen uit de eerste aanleg herhaalde in het kader van de weerlegging van de daarmee corresponderende [90] grieven in het principaal appel en in het licht van de in incidentele grieven C en D en het petitum van de memorie gewijzigde eis onder I sub a (bedrog) en b (misbruik van omstandigheden). Daartoe was [eiseres] ten aanzien van de afwijzende oordelen en beslissingen gehouden om wijziging in haar voordeel in het dictum te bewerkstelligen.”
subonderdeel 2.1 (tweede gedeelte) en subonderdeel 2.2falen.
subonderdeel 2.3 onder ais onjuist of onbegrijpelijk dat het hof met betrekking tot de incidentele grief B oordeelt dat geen duidelijke bezwaren tegen het vonnis zijn geformuleerd. Blijkens de aanhef en de toelichting keerde [eiseres] zich met deze grief tegen rov. 4.9. en 4.10. van het vonnis. Met deze grief heeft [eiseres] , in het kader van de weerlegging van de grieven 2, 3, 4 en 5 in het principaal appel, het oordeel van de rechtbank in rov. 4.10. bestreden dat op Albert Heijn als franchisegever geen verplichting rust [eiseres] als franchisenemer in te lichten over de te verwachten omzet of winst. [eiseres] heeft daartoe aangevoerd dat die zorgplicht bij werving van de franchisenemers voortvloeit uit ongeschreven recht waaronder de Europese Erecode inzake Franchising 1972 (hierna: de Erecode), zoals is uitgewerkt in de incidentele grief E.
Subonderdeel 2.3 onder bbetoogt dat het hof in dat licht ten onrechte heeft geoordeeld dat [eiseres] niet heeft betwist dat, behoudens bijzondere afspraken, uit de redelijkheid en billijkheid geen algemene regel voortvloeit dat op de franchisegever de verbintenis rust om de franchisenemer in te lichten over de te verwachten omzet of winst.
uit de jurisprudentie(HR 25 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7329), behoudens bijzondere omstandigheden, niet een algemene regel voortvloeit dat op de franchisegever de verbintenis rust om een franchisenemer in te lichten over de te verwachten omzet of winst. Het subonderdeel wijst niet op een stelling waarmee [eiseres] gemotiveerd heeft betoogd dat uit de jurisprudentie wel een zodanige algemene regel voortvloeit. Overigens heb ik een stelling van die strekking evenmin in de gedingstukken gelezen.
subonderdeel 2.3geen doel treft.
incidenteel beroephad moeten worden betrokken, stuit het af op hetgeen in rov. 3.3. is overwogen. Het hof heeft hierin tot uitdrukking gebracht dat in de genoemde incidentele grieven geen gronden zijn aangedragen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak strekken. Deze overweging heeft kennelijk mede betrekking op de toelichting op de genoemde incidentele grieven. In het subonderdeel wordt ook niet gewezen op concrete stellingen in de toelichting op deze incidentele grieven die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden strekken. Voor zover het subonderdeel betoogt dat de toelichting op de genoemde incidentele grieven ten onrechte niet is betrokken bij de beoordeling van het
principaal appelmist het onderdeel feitelijke grondslag. De betreffende toelichtingen betreffen mede het verweer tegen de principale grieven 2 tot en met 10. Het arrest bevat geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat dit verweer buiten beschouwing zou zijn gelaten. Het subonderdeel wijst overigens ook niet op concrete verweren die in de toelichtingen op incidentele grieven B, G, H, I, J en L (tevens verweer tegen principale grieven 2 tot en met 10) zouden zijn gevoerd, doch door het hof zouden zijn miskend.
Paalman/Lampeniervolgt dat er in beginsel geen verplichting op de franchisegever rust om in de precontractuele fase aan de franchisenemer omzetprognoses te verstrekken. Voor zover met de klacht wordt betoogd dat de genoemde bepalingen uit de Erecode en/of de in de bedrijfstak vigerende normen als algemene regel zouden meebrengen dat op franchisegevers de verbintenis c.q. rechtsplicht rust franchisenemers juist en deugdelijk in te lichten en te informeren over de verwachte omzet/winst - waardoor de franchisegever rechtens gehouden is in de precontractuele fase de franchisenemer inlichtingen zoals omzetprognoses te verstrekken -, faalt de klacht. Een zodanige algemene regel kan, gezien het arrest
Paalman/Lampenier, niet als juist worden aanvaard. Voor zover wordt bepleit dat er in de gegeven (specifieke) omstandigheden van het geval een verplichting zou bestaan om alle informatie te verstrekken die voor [eiseres] nodig was om tot het sluiten van de franchiseovereenkomst te kunnen beslissen, treft de klacht evenmin doel. Het subonderdeel wijst namelijk niet op stellingen over zodanige (specifieke) omstandigheden. Overigens wordt ’s hofs oordeel ook gedragen door de overweging in rov. 3.10. dat de door Albert Heijn verstrekte omzetprognose deugdelijk was. Dit oordeel kan namelijk tot de slotsom leiden dat Albert Heijn in de precontractuele fase de informatie en overige gegevens heeft verstrekt die voor [eiseres] nodig waren om een beslissing te kunnen nemen over het al dan niet aangaan van de franchiseovereenkomst.
Subonderdeel 3.1is dus vergeefs voorgesteld.
subonderdelen 3.2 en 3.3die zich voor gezamenlijke behandeling lenen.
Subonderdeel 3.3 onder aklaagt dat onbegrijpelijk is dat [eiseres] naar het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de werkelijke weekomzet een goede voorspeller is voor de toekomst. [eiseres] wijst ook in dat verband op haar stelling dat Albert Heijn zich niet volledig zou mogen baseren op de werkelijke weekomzet die [eiseres] als C1000-winkel behaalde. Zij had hierbij ook de andere – in de initiële prognose wel betrokken – variabelen moeten meenemen, waaronder de effecten van de formulewisseling van een prijsgerichte C1000-winkel naar een servicegerichte Albert Heijn-winkel, en het vestigingsplaatsonderzoek met gebruikmaking van het ‘GIS-systeem’ van Geodan (quickscan).
Subonderdeel 3.3 onder bacht gezien deze essentiële stelling ook onbegrijpelijk de overweging in rov. 3.9. dat voor [eiseres] op grond van de Ondernemersnotitie duidelijk was dat de werkelijke omzet in de berekening van het omzetpotentieel is meegenomen. Volgens
subonderdeel 3.3 onder cis in dat licht eveneens onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat [eiseres] zelf ook ervan is uitgegaan dat de prognoses reëel waren. In dat verband wijst zij op haar stellingen dat sprake is van dwaling, bedrog en misleidende mededelingen van Albert Heijn. [97]
due diligence-onderzoek in april 2012 is een omzetprognose opgesteld. Deze prognose is gebaseerd op de werkelijke weekomzet van de winkel van [eiseres] onder de C1000-formule. Deze werkelijke weekomzet bedroeg € 300.000,--. In deze prognose is voor de eerste twee jaar na de overname rekening gehouden met een correctie voor de formulewisseling van C1000 naar Albert Heijn. Voor het eerste jaar is rekening gehouden met een omzetdaling van 7% in plaats van de 2% waarmee Albert Heijn in 2008 bij de zojuist genoemde wisseling van de C1000-formule naar de Albert Heijn-formule in het eerste jaar te maken kreeg. Voor het derde jaar is niet (langer) een correctie toegepast. Op basis van deze gegevens is in de prognose een weekomzet geprognosticeerd van € 280.000,-- in het eerste jaar na de overname, € 295.800,-- voor het tweede jaar en € 315.200,-- voor het derde jaar (arrest, rov. 3.7., in zoverre onbestreden). Deze prognose is aan [eiseres] verstrekt (vonnis, rov. 4.7., in zoverre onbestreden).
als Albert Heijn-winkelen die bij de aanvankelijke inschatting wél zijn betrokken. Die gezichtspunten zijn volgens haar wel relevant. [eiseres] heeft hierover in de – in voetnoot 8 van de procesinleiding genoemde – randnummers 3.42, 3.45, 3.66 en 3.73-3.75 van de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, het volgende aangevoerd:
als Albert Heijn-winkelin de verstrekte omzetprognose zijn betrokken. Het hof heeft wel overwogen dat de aan [eiseres] verstrekte prognose ter controle is getoetst aan de standaard rekenmethodiek waarin ook de specifieke voor de locatie relevante omstandigheden een belangrijke rol speelden (rov. 3.9.). Bij die controle is echter, zo blijkt uit de volgende zin van rov. 3.9., gebruik gemaakt van het marktaandeel van [eiseres] als C1000. Of in de verstrekte omzetprognose rekening is gehouden met de invloed van de lokale omstandigheden op de te verwachten omzet
als Albert Heijn-winkelheeft het hof dus in het midden gelaten. Op grond van het leerstuk van de hypothetische feitelijke grondslag [99] moet daarom in cassatie worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [eiseres] te dien aanzien. Dit betekent dat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat de inschatting van de omzet (fasen 1-4) en de omzetprognose (fasen 5- 6) op wezenlijk verschillende uitgangspunten berusten.
pièce de resistencehierin dat de genoemde gezichtspunten met betrekking tot de invloed van de lokale omstandigheden blijkens de initiële omzetinschatting kennelijk een veel minder rooskleurig beeld geven over de verwachte omzet van [eiseres] onder de Albert Heijn-formule dan de verstrekte omzetprognose schetst op basis van de werkelijke omzet met een correctiepercentage voor de eerste twee jaar in verband met de formulewisseling. De initiële inschatting gaat voor het derde jaar na de overname uit van een substantieel lagere omzet voor [eiseres] dan zij onder de C1000-formule had. De initiële omzetinschatting is echter niet aan [eiseres] verstrekt en zij is hierover ook niet geïnformeerd. In de omzetprognose is die correctie zonder duidelijke verklaring niet meer opgenomen.
als Albert Heijn-winkel. Ook de overweging dat [eiseres] een goede match had met het marktgebied en dat die match blijkt uit de gemiddelde inkomensindex van 101 (rov. 3.8.), kan niet het oordeel dragen dat Albert Heijn met de verstrekte omzetprognose een volledig beeld heeft geschetst. De inkomensindex is slechts één van (de vele) in de initiële inschatting genoemde gezichtspunten over de invloed van de lokale omstandigheden op de te verwachten omzet voor [eiseres] als Albert Heijn-winkel (zie in dat verband de opsomming in randnummer 4.42 hiervoor).
subonderdelen 3.2 en 3.3doel.
subonderdeel 3.4. Voor zover de klacht betoogt dat het hof voorbij is gegaan aan de (volgens [eiseres] erkende) stelling dat de initiële prognose is gebaseerd op een andere methodiek dan de aan [eiseres] verstrekte prognose, mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat de aan [eiseres] voorgehouden prognose volgens dezelfde rekenmethodiek zou zijn opgesteld als de initiële interne prognose. Het hof heeft immers in rov. 3.7. overwogen dat Albert Heijn bij de initiële prognose is uitgegaan van geschatte weekomzetten en dat bij de aan [eiseres] verstrekte prognose de daadwerkelijke omzetten tot uitgangspunt zijn genomen. Verder heeft het hof blijkens rov. 3.8. ook onderkend dat Albert Heijn in fase 1 de weekomzet van [eiseres] als C1000-winkel heeft ingeschat op € 275.000,-- en de weekomzet in fase 4 als Albert Heijn in het derde jaar na de ombouw op € 250.000,-- heeft gesteld. Anders dan het subonderdeel meent, is het oordeel van het hof evenmin in strijd met een (eventuele) erkenning van de stelling dat Albert Heijn in de aan [eiseres] voorgehouden prognose niet het (nauwgezet) vestigingsplaatsonderzoek met gebruikmaking van het ‘GIS-systeem’ van Geodan zou hebben betrokken. Het oordeel van het hof in rov. 3.10. houdt namelijk kort gezegd in dat Albert Heijn, op de wijze zoals zij heeft gedaan, in de aan [eiseres] verstrekte prognose rekening mocht houden met de werkelijke weekomzetten van [eiseres] als C1000-winkel.
Subonderdeel 3.4is daarom vergeefs voorgesteld.
subonderdeel 3.5klaagt [eiseres] over het passeren van haar bewijsaanbod. Daartoe wordt het volgende aangedragen. Blijkens rov. 3.9. is het hof van oordeel dat Albert Heijn gemotiveerd heeft weerlegd dat de rekenkundige formule, die zij voor de door haar aan [eiseres] verstrekte prognose hanteerde, ondeugdelijk zou zijn om tot een omzetinschatting te komen en kennelijk is bedacht om de werkelijke gang van zaken te verhullen. [101] Op de voet van art. 149 lid 1 en Pro 150 Rv rust op [eiseres] de bewijslast omtrent haar stelling over de gehanteerde rekenmethode. Daarvoor heeft [eiseres] in hoger beroep voldoende concreet en gespecificeerd getuigenbewijs aangeboden door het horen van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] (adviseur Albert Heijn die het vestigingsplaatsonderzoek had opgesteld) en de directie van Geodan onder wie [betrokkene 4] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 7] . Het hof heeft vervolgens in rov. 3.9. geoordeeld dat [eiseres] onvoldoende concreet duidelijk gemaakt heeft dat, en waarom, de wijze waarop de omzetprognoses zijn berekend onjuist was en waarom de geprognosticeerde weekomzetten in de gegeven omstandigheden niet reëel waren. Het hof is in rov. 3.10. tot het oordeel gekomen dat niet kan worden vastgesteld dat de prognoses die Albert Heijn aan [eiseres] had verstrekt ondeugdelijk waren. Door aldus te oordelen heeft het hof [eiseres] ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om bewijs te leveren van haar stelling dat de prognoses ondeugdelijk waren.
subonderdeel 3.5geen behandeling. Het verwijzingshof zal de stellingen van partijen met betrekking tot vraag of de omzetprognose zorgvuldig tot stand is gekomen, opnieuw moeten beoordelen. Daarbij zal ook aan de orde (kunnen) komen of [eiseres] in de gelegenheid moet worden gesteld om bewijs te leveren van haar stellingen. In dat verband komt haar bewijsaanbod in beeld.
subonderdeel 3.6zou het hof bij de beantwoording van de vraag of Albert Heiijn bij het opstellen van de omzetprognose op zorgvuldige wijze met alle relevante omstandigheden rekening heeft gehouden, een onjuiste maatstaf hebben aangelegd. Het hof heeft, aldus het middel, ten onrechte beoordeeld of Albert Heijn wist of behoorde te weten dat de als C1000-winkel door [eiseres] behaalde weekomzetten met de Albert Heijn-formule niet haalbaar waren. Daarmee zou het hof hebben miskend dat in gevallen als het onderhavige, waarin de franchisegever zelf door een interne gespecialiseerde afdeling de onderzoeken laat uitvoeren en de resultaten daarvan aan de franchisenemer verstrekt, niet pas sprake is van onzorgvuldig handelen als de franchisegever weet dat de gegevens ernstige fouten bevatten. Het subonderdeel verwijst naar het arrest
Street-One. [102] Nu de prognose het resultaat is van eigen onderzoek van Albert Heijn zou het hof ten onrechte (mede) bepalend gewicht hebben toegekend aan de wetenschap van Albert Heijn.
Street-One– niet om de vraag of een vaststaande fout in de prognose resulteert in aansprakelijkheid van de franchisegever. Ik verwijs kortheidshalve naar randnummer 3.33 van deze conclusie.
Subonderdeel 3.6is dus ongegrond.
subonderdeel 3.7doel treft. De subonderdelen 3.1 en 3.4 en 3.6 falen mijns inziens en subonderdeel 3.5 behoeft naar mijn mening geen bespreking. Het derde onderdeel slaagt dus gedeeltelijk. Het slagen van subonderdelen 3.2-3.3 en 3.7 behoort mijns inziens te leiden tot vernietiging van het bestreden arrest (hierna randnummer 4.73).
Subonderdeel 4.1richt zich tegen het oordeel in rov. 3.11. dat de incidentele grief C (over bedrog) faalt, omdat deze berust op het onjuiste uitgangspunt dat de aan [eiseres] verstrekte omzetprognose ondeugdelijk was. Daarmee zou het hof het betoog hebben miskend dat Albert Heijn [eiseres] tot het aangaan van de franchiseovereenkomst heeft bewogen door gebruikmaking van kunstgrepen, bestaande in het (voorwaardelijk) opzettelijk doen van onjuiste mededelingen, door het niet-delen van de intern gehouden initiële prognose en het verstrekken van alleen de latere, op werkelijke weekomzetten gebaseerde, te rooskleurige prognose. [103] Het hof zou daarmee in strijd met art. 24 Rv Pro niet hebben beslist op al hetgeen [eiseres] ter onderbouwing van de in appel gewijzigde grondslagen had aangevoerd. Althans zou het oordeel van het hof niet begrijpelijk zijn, omdat niet duidelijk is waarom het hof van oordeel is dat het niet-delen van de intern gehouden initiële prognose niet heeft kunnen leiden tot het oordeel dat sprake was van bedrog van de zijde van Albert Heijn. In dat verband worden de volgende stellingen aangehaald:
‘met de grootst mogelijke zorgvuldigheid’uitgevoerd; [106]
subonderdelen 4 (ongenummerd), 4.1 en 4.2lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
subonderdelen 4 (ongenummerd), 4.1 en 4.2gegrond. De incidentele grief K is op andere gronden verworpen dan de deugdelijkheid van de prognose (rov. 3.14.). Het slagen van subonderdelen 3.2 en 3.3 raakt de verwerping van die grief dus niet. In zoverre is de klacht daarom vergeefs voorgesteld.
Subonderdeel 4.3faalt dan ook.
als Albert Heijn-winkel. Nu het hof dit heeft nagelaten, kan zijn oordeel dat de verstrekte prognose deugdelijk is niet in stand blijven. Dit brengt mee dat ook subonderdelen 4 (ongenummerd), 4.1 en 4.2 gedeeltelijk gegrond zijn. De verwerping van de grieven over bedrog en onrechtmatig handelen heeft het hof immers ook gegrond op de vaststelling dat de prognose niet ondeugdelijk is. De (ongenummerde) klacht tegen de voortbouwende overwegingen en het dictum (hiervoor randnummer 4.72) treft bij die stand van zaken eveneens doel.