Uitspraak
20 november 1987.
Hoge Raad
Eiseres werd in 1978 geopereerd aan haar rechterheup door verweerder, een orthopedisch chirurg, waarbij een volledige heupprothese werd geplaatst. Tijdens de operatie raakte de nervus ischiadicus beschadigd, wat leidde tot volledige verlamming en gevoelloosheid van het rechteronderbeen en voet. Eiseres vorderde schadevergoeding wegens een vermeende medische kunstfout.
De Rechtbank en het Hof stelden vast dat de zenuwbeschadiging door een van drie mogelijke oorzaken kon zijn ontstaan: overrekking, doorsnijding of thermisch-chemische beschadiging door botcement. Het Hof nam op grond van onvoldoende betwisting aan dat de laatste oorzaak de meest waarschijnlijke was en verwierp de vordering van eiseres.
In cassatie oordeelde de Hoge Raad dat de bewijslastverdeling niet in het algemeen op de patiënt rust, maar dat de arts voldoende feitelijke gegevens moet aanleveren ter motivering van zijn betwisting. Tevens stelde de Hoge Raad vast dat het Hof onvoldoende aandacht had besteed aan het betoog van eiseres dat de operatietechniek zodanig moest zijn dat het risico van thermische beschadiging uitgesloten werd. Daarom werd het arrest vernietigd en verwezen naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Leeuwarden wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Hof Arnhem voor verdere behandeling.