ECLI:NL:HR:2002:AE3784

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C00/270HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROWet op de rechterlijke organisatieWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering art. 177Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering art. 407
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in aansprakelijkheidszaak medische fout ziekenhuis

Eiser heeft het ziekenhuis gedagvaard wegens aansprakelijkheid voor een medische fout en vorderde schadevergoeding. De rechtbank veroordeelde het ziekenhuis tot vergoeding van materiële en immateriële schade na bewijslevering en getuigenverhoor.

Het ziekenhuis ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het bewijs aan eiser oplegde en de zaak voor nader overleg aan de rol verwees. Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiser niet leiden tot cassatie en dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling spelen. Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

7 juni 2002
Eerste Kamer
Nr. C00/270HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
STICHTING INRICHTING VAN DIAKONESSEN IN NEDERLAND, gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. R. Overeem, thans mr. G.C. Makkink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 29 september 1995 verweerster in cassatie - verder te noemen: het Ziekenhuis - gedagvaard voor de Rechtbank te Utrecht en gevorderd te verklaren voor recht dat het Ziekenhuis aansprakelijk is wegens een gemaakte medische fout en het Ziekenhuis te veroordelen de materiële en immateriële schade van [eiser] te betalen zoals op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Het Ziekenhuis heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 19 maart 1997 het Ziekenhuis in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren van hetgeen dienaangaande onder rov. 4.9 van haar vonnis is vermeld en iedere verdere beslissing aangehouden. Na getuigenverhoor heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 25 november 1998 het Ziekenhuis veroordeeld tot schadevergoeding aan [eiser], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Tegen beide vonnissen van de Rechtbank heeft het Ziekenhuis hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 30 maart 2000, waarin het Hof onder meer heeft overwogen dat het aan [eiser] is bewijs te leveren, heeft het Hof de zaak naar de rol verwezen voor akte uitlating aan de zijde van [eiser] en bepaald dat het Ziekenhuis daarop, desgewenst, zal kunnen reageren.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Ziekenhuis heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.B. Bakels strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Ziekenhuis begroot op € 286,88 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 7 juni 2002.