ECLI:NL:PHR:2018:427
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bestuurdersaansprakelijkheid voor belastingschulden commanditaire vennootschap met buitenlandse bestuurder
Belanghebbende werd door de Ontvanger aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen omzetbelasting en loonheffingen van een commanditaire vennootschap (CV) waarbij hij in een leidinggevende rol betrokken was. De CV leed oplopende verliezen en werd failliet verklaard. De aansprakelijkheid is gebaseerd op artikel 33 van Pro de Invorderingswet 1990, dat bestuurders van lichamen zonder rechtspersoonlijkheid hoofdelijk aansprakelijk stelt.
Het geschil betrof of belanghebbende als bestuurder in de zin van artikel 33 kon Pro worden aangemerkt en of hij zich kon disculperen. Het Hof oordeelde dat belanghebbende als directeur van de beherende Limited bestuurder was en hoofdelijk aansprakelijk is, ook al is de Limited een buitenlands lichaam. De aansprakelijkstelling voor invorderingsrente werd vernietigd wegens ontbrekende beschikking. Disculpatie werd verworpen vanwege wanverhouding tussen personeelskosten en omzet, en het voortzetten van de onderneming op kosten van de belastingbetaler.
In cassatie stelde belanghebbende dat het Hof ten onrechte zijn inschrijving als director in het Britse Companies House als bewijs van bestuurderschap heeft aangenomen zonder andere feiten. Ook voerde hij aan dat het Hof onvoldoende rekening hield met omzet uit andere opdrachten bij de beoordeling van de wanverhouding. De A-G concludeerde dat beide middelen falen en dat de zaak aanleiding biedt tot verduidelijking van het bestuurdersbegrip in artikel 33 Invorderingswet Pro 1990. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en hij blijft hoofdelijk aansprakelijk voor de belastingschulden van de commanditaire vennootschap.