Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Timeshare-arrest, (iii) het verschil tussen hoevepacht en andere vormen pacht en (iv) de herkwalificatie op de voet van artikel 7:313 lid 3 BW Pro van pacht van los land en van gebouwen als hoevepacht.
Timeshare-arrest met betrekking tot de vraag of een aantal overeenkomsten kwalificeerde als huurovereenkomsten, kort gezegd, het volgende overwogen. [16]
Timeshare-arrest (door Valk de ‘alsgeheeltoets’ genoemd) worden toegepast: ‘het kan zich voordoen dat weliswaar aan alle afzonderlijke elementen van de definitie van artikel 7:311 BW Pro is voldaan, maar de rechtsverhouding tegelijk andere kenmerken draagt die zo ver afstaan van wat de wetgever voor ogen heeft gehad, dat de kwalificatie van pacht niet passend is’. [18] Een aantal malen is geoordeeld dat partijen niet pacht, maar iets anders voor ogen heeft gestaan.
Oude Lansink/Dekker c.s., waarover de Centrale Grondkamer moest oordelen, betrof een constructie die strekte tot herfinanciering van een varkensbedrijf. [19] Een in financiële moeilijkheden verkerende eigenaar van een varkensbedrijf had, in overleg met zijn bank, zijn bedrijf, inclusief woonhuis en bedrijfsopstallen, verkocht en geleverd aan een derde. Partijen waren overeengekomen dat verkoper gedurende negen maanden na de levering een terugkooprecht had met betrekking tot het verkochte en dat verkoper gedurende die termijn gerechtigd was om het verkochte tegen een vergoeding te gebruiken en te exploiteren. De bedoeling was dat de verkoper die periode zou benutten om alternatieve financiering voor zijn bedrijf te vinden. Ofschoon het beding op grond waarvan de verkoper gedurende bepaalde tijd gerechtigd was om de tot het varkensbedrijf behorende onroerende zaak te gebruiken tegen betaling van een vergoeding, beantwoordde aan alle elementen van de wettelijke definitie van pacht, oordeelde de Centrale Grondkamer, na vooropstelling van de maatstaf uit het Timeshare-arrest, dat, gelet op de inhoud en strekking van de overeenkomst, van een pachtovereenkomst geen sprake was. De strekking van de overeenkomst was klaarblijkelijk vooral om de verkoper de gelegenheid te bieden om zijn varkensbedrijf te herfinancieren, aldus de Centrale Grondkamer. [20]
Vrenken c.s./Meevis c.s.was de vraag of de inbreng en terbeschikkingstelling van pluimveestallen aan een vennootschap onder firma, waarvan de eigenaars van de pluimveestallen samen met een derde vennoten waren en waarvoor de eigenaars een vergoeding ontvingen in de vorm van een winstaandeel, kwalificeerde als een pachtovereenkomst. [22] De consequentie van een bevestigend antwoord op deze vraag was dat de bank de verhypothekeerde pluimveestallen niet pachtvrij zou kunnen uitwinnen. De Pachtkamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat de inhoud en strekking van de overeenkomst niet van dien aard zijn dat deze in geheel beschouwd is aan te merken als een pachtovereenkomst. Daartoe overwoog het hof onder meer, dat de omstandigheid dat een vennootschap onder firma bestaat weliswaar niet uitsluit dat er tevens sprake kan zijn van pacht, maar dat aan de hand het Timeshare-arrest moet worden beoordeeld of sprake is van pacht. Dat was volgens het hof niet het geval:
Timeshare-arrest oordeelt dat de overeenkomst niet als geheel moet worden aangemerkt als één bepaald type overeenkomst (zoals huur of timeshare), dan is denkbaar dat de overeenkomst gemengd van aard is, omdat zij zowel elementen van de ene overeenkomst bevat als van een andere. In dat geval kan worden onderzocht of zij kan worden gesplitst in afzonderlijke overeenkomsten. Is dat laatste niet het geval dan dient in beginsel aan de hand van artikel 6:215 BW Pro te worden beoordeeld welke rechtsgevolgen aan de gemengde overeenkomst dienen te worden verbonden. [23]
Koni B.V./Verheul-de Jongkwalificeerde de Centrale Grondkamer een door partijen als geliberaliseerde pacht aangemerkte overeenkomst, waarin tevens de op het verpachte land bevindende opstallen ‘om niet’ in bruikleen waren gegeven, ambtshalve als een reguliere pachtovereenkomst betreffende een hoeve als bedoeld in artikel 7:313 lid 1 BW Pro. De CG wees daarbij, kort gezegd, op de samenhang tussen de omschrijving van het gepachte en de bepalingen over het gebruik van de gebouwen in de overeenkomst en op het feit dat voor het land een aanzienlijke hogere pachtprijs was overeengekomen dan de gereguleerde plaatselijke pachtprijs. [36]
subonderdeel 1.1heeft het hof miskend dat de regeling van artikel 7:313 lid 3 BW Pro uitsluitend van toepassing is in een geval waarin er sprake is twee afzonderlijke
pachtovereenkomsten en doet deze situatie zich hier niet voor nu (zoals het hof zelf vaststelt in rov. 2.3) BBL met [verweerster 2] voor de gebouwen een bruikleenovereenkomst heeft gesloten, althans een overeenkomst die door de betrokken partijen zelf is aangemerkt als bruikleenovereenkomst.
Timeshare-arrest (de alsgeheeltoets) toe te passen. [43]
Timeshare-arrest relativeert dit uitgangspunt. Volgens dit arrest is denkbaar dat een overeenkomst weliswaar elementen bevat op grond waarvan op zichzelf aan de wettelijke omschrijving van huur (of in dit geval: pacht) is voldaan, maar − in de gegeven omstandigheden gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomst − niet van dien aard is dat zij in haar geheel beschouwd als huurovereenkomst kan worden aangemerkt.
Timeshare-arrest in feitelijke instanties aangevoerd, kort gezegd, dat partijen geen
hoevepacht voor ogen stond, maar een pachtovereenkomst voor het land en een bruikleenovereenkomst voor de gebouwen, in welk verband BBL heeft bestreden dat voor het gebruik van de gebouwen een tegenprestatie was overeengekomen (MvA nrs. 3.6-3.8).
Timeshare-arrest volgt niet dat geen sprake is van hoevepacht, louter omdat partijen niet voor ogen stond een dergelijke overeenkomst te sluiten (vgl. BBL s.t. nr. 2.7). Daartoe zal moeten worden geoordeeld dat de gesloten overeenkomsten, kort gezegd, in de gegeven omstandigheden ‘in hun geheel’ niet als hoevepacht kunnen worden aangemerkt.
Timeshare-arrest is daarmee verworpen.
Timeshare-arrest niet miskend. Gezien het partijdebat lag voor de hand dat het hof heeft onderzocht of artikel 7:313 lid 3 BW Pro van toepassing is.
in de eerste plaatsdat het hof eraan voorbij heeft gezien dat de gebouwen niet met het oog op exploitatie in combinatie met de verpachte grond (landbouwkundige eenheid) in gebruik zijn gegeven, althans dat het hof zonder nadere motivering voorbij is gegaan aan de aldus luidende essentiële stelling van BBL.
de tweede plaatsde klacht dat, zover het oordeel van het hof berust op het wegdenken van het identiteitsverschil tussen [verweerster 1] en [verweerster 2] , dit onjuist en onbegrijpelijk. Deze klacht wordt nader uitgewerkt in onderdeel 2 en zal bij de bespreking van dat onderdeel aan de orde komen.
subonderdeel 1.4is het oordeel in rov. 4.7, dat onvoldoende gemotiveerd is betwist dat een tegenprestatie voor de gebouwen is verdisconteerd in de pachtsom voor de grond, onvoldoende gemotiveerd. De klacht betreft in het bijzonder de aan dit oordeel ten grondslag liggende overwegingen in rov. 4.6, dat BBL het antwoord schuldig is gebleven op de vraag hoe de in 2010 overeengekomen pachtprijs van € 982,- per hectare tot stand is gekomen.
Rainbow/Ontvangeren
Resort of the World/Maple Leaf. [47] Daarin gaat het evenwel om vereenzelviging in het aansprakelijkheidsrecht indien misbruik is gemaakt van het identiteitsverschil tussen twee rechtspersonen of tussen een natuurlijk persoon en een of meer rechtspersonen teneinde vermogensbestanddelen aan verhaal te onttrekken. In dat verband zal het maken van zodanig misbruik in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, ook van deze rechtspersonen zelf omdat het ongeoorloofde oogmerk van degene die hen beheerst rechtens dient te worden aangemerkt als een oogmerk ook van henzelf. Daarnaast kunnen de omstandigheden van het geval zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging van de betrokken rechtspersonen - het volledig wegdenken van het identiteitsverschil - de meest aangewezen vorm van redres is. Deze verschijningsvorm van vereenzelviging kan derhalve worden gezien als een afzonderlijk vraagstuk. [48]
eerste klacht van subonderdeel 3.2heeft het hof zijn beoordeling van het beroep van BBL op beperkende werking van redelijkheid en billijkheid ten onrechte versmald tot een vraagstuk van (louter) risicoverdeling en ten onrechte niet als relevant aangemerkt dat [verweersters] hebben ingestemd met de constructie, weet hadden van de belangen van BBL en niet eerder een beroep hebben gedaan op hoevepacht.
tweede klacht van subonderdeel 3.2heeft het hof niet gerespondeerd op, kort gezegd, de in de klacht onder (a) t/m (d) bedoelde essentiële stellingen. Deze klacht faalt om de hierna te geven redenen.
derde klacht van subonderdeel 3.2is het hof in rov. 4.13 ten onrechte, althans op onvoldoende gemotiveerde wijze voorbijgegaan aan haar aanbod om de stelling (d) te bewijzen.
subonderdeel 3.3op tegen rov. 4.11. Volgens de klacht is de overweging onbegrijpelijk, voor zover het hof in aanmerking heeft genomen dat BBL het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van de bepalingen over de duur van hoevepacht (12 jaar) niet nader heeft toegelicht. In de stellingname van BBL ligt immers onmiskenbaar besloten dat langdurige (hoeve)pacht in de weg staat aan de realisering van de aan BBL opgedragen publieke taken.