Conclusie
1.Feiten
Aukema q.q./Uni-Invest(HR 14 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO3534,
NJ2011/114 m.nt. P. van Schilfgaarde) bedoelde afweging [4] slechts betrekking heeft op de verhouding tussen verhuurder en boedel en dat die afweging niet in de weg staat aan een schadevergoedingsverplichting van de gefailleerde huurder wegens gemis van de huur die verschuldigd zou zijn na de datum waartegen volgens art. 39 Fw Pro kan worden opgezegd. [5]
2.Procesverloop
Meer dan dat heeft zij niet” zo staat in die brief.
Spaanse Villa-arrest van Uw Raad [7] daartoe onvoldoende is gesteld (rov. 4.1.).
Beklamel-norm. [9] Nadat de rechtbank de betekenis van deze norm en de stand van het recht te dien aanzien heeft weergegeven in rov. 4.3., is zij aldus verder gegaan:
Beklamel-norm. Grief 5 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten [verweerders] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan Nieuwburen. Nieuwburen heeft haar eis in de appeldagvaarding verlaagd tot € 343.866,-- te vermeerderen met rente.
dat hij er persoonlijk op zou toezien dat dat [12] stipt iedere maand gebeurdeen zou hij daaraan geruststellend hebben toegevoegd
u kunt in ieder geval de komende tien jaar op huur rekenen, maar hieruit volgt niet noodzakelijk dat [verweerder 1] dus heeft bedoeld om zich in privé te binden, noch dat Nieuwburen dat redelijkerwijs zo heeft mogen begrijpen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [verweerder 1] destijds niet alleen de hoedanigheid had van verkoper in privé, maar ook die van bestuurder van de aankomend huurders (de garagebedrijven) en die van bestuurder van de aankomend garant ( [A] ). Gesteld noch is gebleken in welke hoedanigheid [verweerder 1] – als al waar – aldus zou hebben verklaard.”
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
[A]duidelijk heeft gemaakt, [13] niet beperkt tot de opzegtermijn van art. 39 Fw Pro. Omdat [A] niet thuis geeft, heeft Nieuwburen zich gericht op [verweerders] De in cassatie (nog) aan de orde zijnde vorderingen van Nieuwburen op [verweerders] zien op verschillende verhoudingen tussen partijen. In de eerste plaats is dat de verhouding tussen [verweerder 1] als verkoper van het perceel en Nieuwburen als koper. Kort gezegd draait het in deze verhouding om de vraag of [verweerder 1] dient in te staan voor de (deugdelijkheid van de) door [A] afgegeven huurgarantie. In de tweede plaats is dat de verhouding tussen [verweerders] als bestuurders van [A] en Nieuwburen als schuldeiser van [A] . In dat kader beroept Nieuwburen zich, kort gezegd, op bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerders] in verband met het als bestuurder namens [A] afgeven van de huurgarantie. In de derde plaats stelt Nieuwburen zich op het standpunt dat [verweerders] buiten hun hoedanigheid van bestuurder van [A] jegens Nieuwburen aansprakelijk zijn op grond van een door hen jegens Nieuwburen gepleegde onrechtmatige daad. Ook deze laatste grondslag heeft betrekking op de door [A] afgegeven en niet (volledig) nagekomen huurgarantie.
onderdeel 2.1’) richt zich tegen het oordeel dat grief 5 het karakter van een veeggrief heeft en het feit dat het hof niet ingaat op hetgeen in (het kader van) die grief naar voren is gebracht. De onder randnummer 2.2 en verder opgenomen klachten (hierna: ‘
onderdeel 2.2’) zien op het oordeel dat [verweerder 1] (in privé) niet de verplichting op zich heeft genomen om in te staan voor de deugdelijkheid van de door [A] afgegeven huurgarantie, en in dat kader dus niet toerekenbaar is tekortgeschoten. Onder randnummer 2.3 en verder (hierna: ‘
onderdeel 2.3’) zijn meerdere klachten opgenomen die het oordeel bestrijden dat [verweerders] niet als bestuurder aansprakelijk zijn voor het niet-nakomen door [A] van haar verplichtingen jegens Nieuwburen uit hoofde van de huurgarantie. De klacht onder randnummer 2.4 (hierna: ‘
onderdeel 2.4’) houdt in dat het hof ten onrechte voorbij is gegaan aan het betoog dat [verweerders] (ook) buiten de hoedanigheid als bestuurder van [A] onrechtmatig jegens Nieuwburen hebben gehandeld. De klacht onder randnummer 2.5 (hierna: ‘
onderdeel 2.5’) bevat een op de voorgaande onderdelen voortbouwende klacht.
Haviltex-maatstaf. [17] Wat de huurgarantie van [A] betreft zou het hier gaan om een duiding van de garantiebepaling in het huurcontract tussen Nieuwburen en de garagebedrijven, wat betreft de instaansverplichting om een duiding van de verhouding tussen [verweerder 1] als verkoper en Nieuwburen als koper. Deze
Haviltex-uitleg kan onder meer met zich brengen dat een als ‘borgtocht’ aangemerkte overeenkomst juridisch als ‘garantie’ moet worden aangemerkt, [18] en andersom. [19] De rechtsgevolgen van een garantie zijn aldus niet in beton gegoten en afhankelijk van de daartoe tussen partijen gemaakte afspraken. Doorgaans zullen deze afspraken allereerst worden gemaakt in de onderliggende overeenkomst, waarin dan voor de opdrachtgever de verplichting wordt opgenomen zorg te dragen voor een garantie die aan bepaalde kenmerken voldoet. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een maximumbedrag, een looptijd, bepalingen omtrent de opeisbaarheid (bijvoorbeeld op afroep of alleen onder overlegging van een onherroepelijk veroordelend vonnis ten laste van de opdrachtgever) maar ook over de persoon van de garant. Bij een bankgarantie zal de begunstigde de voorkeur hebben voor een ‘reputable’ bank, gevestigd in zijn eigen land, bij een concerngarantie zal de voorkeur meestal uitgaan naar een holdingvennootschap op zo hoog mogelijk niveau of, zeker bij kleinere ondernemingen, van de bestuurder(s) of aandeelhouder(s) in privé. Partijen, in het bijzonder de begunstigde, zullen vervolgens dienen na te gaan of de afgegeven garantie aan deze kwalificaties voldoet.
dus’ het lot van de andere grieven volgt.
Onderdeel 2.1bestrijdt dit oordeel met een rechts- en motiveringsklacht en verbindt daaraan de conclusie dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen in het kader van grief 5 naar voren is gebracht. Het onderdeel voert, kort gezegd, aan dat in de toelichting op grief 5 expliciet naar voren is gebracht tegen welke rechtsoverwegingen van het eindvonnis de grief gericht is en dat daarna in een gemotiveerde toelichting is aangegeven waarom die rechtsoverwegingen niet kloppen. Het onderdeel wijst er vervolgens op dat het hof in rov. 3.10, kort gezegd, oordeelt dat Nieuwburen niet heeft gerespondeerd op het oordeel van de rechtbank dat bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerders] mede afstuit op hun onbekendheid met de rechtsregel uit het arrest
[A]van 15 november 2013 (hierna: het ‘2013-arrest’). [22] Het onderdeel betoogt dat dit onjuist is, omdat in grief 5 met zoveel woorden tegen het oordeel van de rechtbank wordt gegriefd. [23]
dus’ het lot van de andere grieven volgt, past als zodanig in ons stelsel waarin aan de duidelijkheid en concreetheid van grieven eisen worden gesteld. Uit de eisen van goede procesorde vloeit immers voort dat de appellant voldoende duidelijk naar voren moet brengen tegen welk deel van de uitspraak in vorige instantie hij ageert en op welke gronden. [24] Dit brengt met zich dat een algemeen geformuleerde klacht waaruit niet veel meer volgt dan dat appellant zich niet in de uitspraak in vorige instantie kan vinden, onvoldoende is. [25] Dit wordt in de literatuur ook wel aangeduid als een ‘veeggrief’. [26] De grieven hoeven echter niet aan bepaalde vormvereisten te voldoen en hoeven niet als zodanig aangeduid of op bepaalde wijze genummerd te worden. [27] Appellant mag zijn grieven opnemen in een lopend betoog en de grieven kunnen ook ‘verborgen’ zitten in een als toelichting op een (andere) grief aangemerkte tekst. De uitleg van de memorie van grieven, en daarmee het antwoord op de vraag of in een bepaald deel van de tekst een grief moet worden gelezen, is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. [28] Daarbij kan het hof in aanmerking nemen of verweerder er blijk van heeft gegeven deze ‘verstopte’ grieven op dezelfde wijze te hebben uitgelegd als het hof. [29]
anders is gaan denken’ en niet is ‘
omgegaan’ en dat de rechtbank dit zou hebben miskend. In zoverre bevat de toelichting een expliciete klacht tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3. dat in 2002 algemeen werd aangenomen dat een huurgarantie in geval van faillissement alleen strekt tot betaling van de gederfde huurpenningen over de opzegtermijn van art. 39 Fw Pro (randnummer 2.8 hiervoor) en is de klacht dat het hof de grief ten onrechte als ‘veeggrief’ heeft aangemerkt terecht. Tot cassatie kan dit echter niet leiden.
nietis opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, (i) onbekendheid met een rechtsregel van belang kan zijn bij de vraag of sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid en (ii) dat [verweerders] onbekend waren met de in het 2013-arrest geformuleerde rechtsregel, is niet tegenstrijdig met rov. 3.4. De oordelen waartegen Nieuwburen wél is opgekomen zijn niet gelijk aan de oordelen waartegen Nieuwburen naar het oordeel van het hof niet is opgekomen.
onderdeel 2.1faalt.
Haviltex-maatstaf door de aanbiedingsbrief van 5 februari 2002 (randnummer 1.3 hiervoor) niet (in het juiste kader) in ogenschouw te nemen, (ii) de grief tegen het oordeel van de rechtbank dat [verweerder 1] niet in privé de verplichting op zich heeft genomen in te staan voor de huurgarantie, te beperkt heeft gelezen en (iii) essentiële stellingen ter zake onbesproken heeft gelaten.
subonderdeel 2.2.2gaat het hof uit van een onjuiste, onbegrijpelijke, althans te beperkte lezing van grief 2. Het subonderdeel betoogt dat Nieuwburen zich in grief 2 op het standpunt heeft gesteld dat [verweerder 1] in de koopovereenkomst de verplichting op zich heeft genomen een deugdelijke huurgarantie te
leverenen bij gebreke daarvan
wanprestatieheeft gepleegd, terwijl het hof grief 2 aldus heeft begrepen dat Nieuwburen zich op het standpunt heeft gesteld dat [verweerder 1] de verplichting op zich zou hebben genomen
in te staanvoor de deugdelijkheid van de huurgarantie.
Hofland/Hennis-arrest van Uw Raad, [34] had de voor partijen uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichtingen dienen vast te stellen aan de hand van de
Haviltex-maatstaf en in dat kader de in de aanbiedingsbrief gedane uitlatingen, als voor de inhoud van de overeenkomst mede bepalende omstandigheid, dienen mee te wegen. Ook de
subonderdelen 2.2.2 en 2.2.3betogen dat het hof de
Haviltex-maatstaf heeft miskend. De klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Haviltex-maatstaf miskend, zodat de klachten van
subonderdelen 2.2.2 en 2.2.3falen.
subonderdeel 2.2.2wordt betoogd, is dit niet onbegrijpelijk. Het hof stelt vast dat Nieuwburen niet heeft gesteld dat [verweerder 1] de beweerdelijke uitlatingen in hoedanigheid van verkoper in privé heeft gedaan. Het hof kon om die reden oordelen dat uit de stelling dat [verweerder 1] de beweerdelijke uitlatingen heeft gedaan, niet noodzakelijkerwijs volgt dat hij zich daarmee privé heeft willen binden en de juistheid van de stelling dat [verweerder 1] de beweerdelijke uitlatingen heeft gedaan in het midden laten. Het hof is hier niet, anders dan in het subonderdeel wordt betoogd, buiten de grenzen van het debat getreden. Het hof is immers uitgegaan van de juistheid als onweersproken van stellingen die door [verweerders] in hun laatste schriftelijke stuk zijn betrokken en waarop Nieuwburen niet meer heeft kunnen reageren. [36] Ook deze klachten van
subonderdeel 2.2.2falen, en daarmee het subonderdeel.
Haviltex-maatstaf zou hebben miskend (randnummers 3.23 en 3.24 hiervoor), bevat
subonderdeel 2.2.3nog de klacht dat het hof in rov. 3.5 en 3.6 enkele essentiële stellingen onbesproken heeft gelaten. Ook deze klacht treft geen doel. Het op pagina 13 van de procesinleiding startende citaat uit de appeldagvaarding bevat een beschrijving van gebeurtenissen en de stelling dat een bepaalde uitlating van [verweerder 1] voor de bestuurder van Nieuwburen ‘wel belangrijk’ was. Dit betreft geen essentiële stelling. Het citaat op pagina 14 van de procesinleiding (onderaan) bevat geen onderbouwing van de stelling dat [verweerder 1] in privé een instaansverplichting zou zijn aangegaan. De stellingen in het citaat op pagina 15 van de procesinleiding zien op de door [A] afgegeven huurgarantie en niet op de beweerdelijke instaansverplichting. Het hof behoefde deze stellingen niet in rov. 3.5 en 3.6 te bespreken in het kader van de vraag of [verweerder 1] in privé een instaansverplichting is aangegaan.
Subonderdeel 2.2.3faalt derhalve ook.
subonderdeel 2.2.4betoogt Nieuwburen dat het hof heeft miskend dat voor de vraag wat partijen over en weer mochten verwachten niet van belang is of gesteld of gebleken is of er over de aanbiedingsbrief is onderhandeld en partijen in dat kader overeenstemming hebben bereikt. De klacht faalt nu zij voorbij gaat aan het feit dat het hof in rov. 3.6 heeft onderzocht of tussen [verweerder 1] en Nieuwburen een instaansverplichting is overeengekomen (randnummer 3.24 hiervoor). Bij het beantwoorden van die vraag komt aan de door het hof meegewogen omstandigheden gewicht toe. Het oordeel van het hof is derhalve onjuist noch onbegrijpelijk.
Haviltex-maatstaf heeft miskend dat niet van belang is dat vast komt te staan in
welkehoedanigheid [verweerder 1] de bedoelde uitlatingen heeft gedaan, omdat van belang was het enkele feit
dathij verschillende hoedanigheden had en hij als verkoper een indruk zou hebben gewekt die hij als bestuurder van de vennootschappen had kunnen nakomen. Het subonderdeel faalt, omdat het enkele feit dat [verweerder 1] als bestuurder ‘volledig zelf in de hand zou hebben’ of [A] haar garantieverplichtingen zou nakomen, wat hier ook van zij, [37] nog niet met zich brengt dat hij om die reden geacht moet worden in privé een instaansverplichting op zich te hebben genomen.
onderdeel 2.2.
Ontvanger/[…] [40] volgt dat een bestuurder slechts aansprakelijk kan worden gehouden vanwege het door de vennootschap onbetaald laten van een vordering indien deze bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld wanneer hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt.
aangaanvan verbintenissen wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, tenzij de bestuurder aannemelijk maakt dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. [41] Deze norm staat wel bekend als de
Beklamel-norm. [42]
Ontvanger/[…]aangegeven, ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. [43]
aangaanvan de verbintenis met de schuldeiser wist of behoorde te weten, terwijl het bij de onder (ii) genoemde grond kan gaan om alle handelingen, dus ook (wellicht zelfs: juist) die ná het aangaan van de verbintenis, waardoor wordt bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar verbintenis niet nakomt.
subonderdelen 2.3.3 en 2.3.4nemen tot uitgangspunt dat Nieuwburen zich er, in het kader van de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerders] , niet alleen op heeft beroepen dat [verweerders] namens [A] een verplichting (in dit geval: de huurgarantie) zijn aangegaan waarvan zij wisten of behoorden te weten dat [A] deze niet zou kunnen nakomen (de hiervoor in randnummer 3.32 onder (i) aangeduide grond), maar zich er ook op heeft beroepen dat [verweerders] hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [A] haar verplichtingen uit de garantie niet zou kunnen nakomen (de hiervoor onder (ii) aangeduide grond). Het hof stelt in rov. 3.7 vast dat Nieuwburen in dit kader “voor beide ankers [is] gaan liggen”, zodat hiervan in cassatie ook moet worden uitgegaan.
Beklamel-norm, en ziet niet (uitsluitend) op het moment waarop [A] de huurgarantie gaf, maar (ook) op de periode daarna waarin – naar de stelling van Nieuwburen – het bestuur van [A] bewerkstelligde dan wel toeliet dat [A] haar verplichtingen uit de huurgarantie niet nakwam, onder meer door het vermogen van [A] opzettelijk negatief te houden en selectief gelden binnen de groep van vennootschappen te verdelen. Nieuwburen heeft daarbij in haar appeldagvaarding (onder meer) gedragingen en omstandigheden aangevoerd uit de periode 2008 tot en met 2014, [48] dus ook ten aanzien van de periode na het 2013-arrest. Het hof kon dit beroep op de tweede grond niet afdoen enkel op de in rov. 3.10 aangenomen onbekendheid van [verweerders] met de uit het 2013-arrest voortvloeiende rechtsregel. Ik licht dit als volgt toe.
ING Bank/D.van Uw Raad. [49] In rechtsoverweging 3.3.3 van dit arrest – de rechtsoverweging waar het hof op doelt – overweegt Uw Raad echter dat het op de weg van de bestuurder ligt om in het kader van zijn verweer aan te voeren dat hij onbekend was met de betreffende rechtsregel. Hieruit volgt reeds dat het betoog van [verweerders] dat Nieuwburen in feitelijke instanties niet heeft aangevoerd dat [verweerders] in elk geval ná 15 november 2013 op de hoogte waren van de mogelijkheid van verdergaande verplichtingen uit de huurgarantie (randnummer 3.38, laatste alinea, hiervoor), niet op gaat.
bij het aangaanvan de huurgarantieverplichting, zonder meer in de weg staat aan bestuurdersaansprakelijkheid op de tweede grond (randnummer 3.35 hiervoor). Voor zover het oordeel van het hof inhoudt dat de door [verweerders] ter zake ingenomen stellingen over hun onbekendheid met deze rechtsregel ook zien op de periode na de datum van het 2013-arrest, is dit oordeel in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk. Indien het hof het beroep op de tweede grondslag om een andere reden heeft afgewezen, is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd. [51]
subonderdelen 2.3.3 en 2.3.4slagen dus in zoverre.
onderdeel 2.3falen.
Subonderdeel 2.3.1bouwt voort op
onderdeel 2.1en faalt in het voetspoor daarvan.
Subonderdeel 2.3.2gaat uit van de gedachte dat Nieuwburen met het verkrijgen van een huurgarantie een absolute zekerheid tot betaling van de huurpenningen heeft verkregen en betoogt dat [verweerders] om die reden – ik begrijp: ondanks hun onbekendheid met de uit het 2013-arrest voortvloeiende rechtsregel – rekening dienden te houden met een volledige betalingsverplichting van [A] onder de huurgarantie. Het subonderdeel gaat daarmee uit van een onjuiste opvatting over de reikwijdte van een garantie (randnummer 3.9 hiervoor), zodat de klacht faalt.
gesteld kan wordendat hij ‘juist’ als privé-persoon optrad, maar verder wordt gesteld noch onderbouwd dat en hoe [verweerder 1] in deze (gestelde) hoedanigheid onrechtmatig jegens Nieuwburen zou hebben gehandeld. [53] Het hof, aan wie als rechter in feitelijke instanties de uitleg van gedingstukken is voorbehouden, hoefde in deze passages derhalve geen beroep op een rechtstreekse onrechtmatige daad in privé te lezen, zodat
onderdeel 2.4tevergeefs wordt voorgesteld.
subonderdelen 2.3.3 en 2.3.4.
4.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
Beklamel-norm. Nieuwburen stelt immers in deze procedure het handelen van [verweerders] als bestuurder van [A] aan de orde, en niet het handelen als bestuurder van de garagebedrijven. Voor beantwoording van de vraag of zij in de hoedanigheid van bestuurder van [A] aansprakelijk zijn op basis van de
Beklamel-norm is van belang of zij bij het aangaan van de huurgarantie wisten of redelijkerwijs moesten begrijpen dat [A] niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Om tot dat oordeel te komen is niet afdoende dat [verweerders] rekening dienden te houden met een faillissement van de garagebedrijven. Ook als zij zeker zouden weten dat de garagebedrijven op korte termijn zouden failleren, is niet uitgesloten dat zij er gerechtvaardigd op zouden kunnen vertrouwen dat [A] in staat zou zijn haar verplichtingen uit de huurgarantie na te komen.
Beklamel-norm hebben geschonden doordat zij wisten of behoorden te weten dat
[A]haar verplichtingen uit de huurgarantie niet zou kunnen nakomen. Het hof doet in rov. 3.8 ook geen poging het antwoord op die vraag te geven, zodat de klacht dat het hof de
Beklamel-norm zou hebben miskend, uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest en aldus faalt. De overweging van het hof is echter, anders dan het middel betoogt, niet zonder relevantie. De
Beklamel-norm brengt mee dat een bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verplichtingen dient na te gaan of de vennootschap redelijkerwijs geacht kan worden de verplichtingen te kunnen nakomen. Deze vraag laat zich alleen beantwoorden door de uitstaande en te verwachten verplichtingen van de vennootschap af te zetten tegen haar bezittingen en te verwachten inkomsten. [54]
redelijkeinschatting van toekomstige inkomsten en een
redelijkeinschatting van (toekomstige) verplichtingen van de vennootschap. [55] Onder laatstgenoemde vallen ook verplichtingen als de door [A] verstrekte huurgarantie, waarvan onzeker is of zij uiteindelijk tot enige betalingsverplichting zal leiden en zo ja, wat de omvang van die verplichting zal zijn. Het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3. van het vonnis van 30 maart 2016 lijkt in te houden dat [verweerders] bij inschatten van de inkomsten en verplichtingen in het geheel geen rekening behoefden te houden met een faillissement van de garagebedrijven (en daarmee een betalingsverplichting onder de huurgarantie). Het oordeel van het hof in rov. 3.8 houdt mijns inziens niet meer in dan dat [verweerders] bij een redelijke inschatting van inkomsten en verplichtingen wel degelijk rekening dienden te houden met een faillissement van de garagebedrijven en dus met de
mogelijkheiddat voor [A] een betalingsverplichting zou ontstaan. Daarmee oordeelt het hof nog niet dat [verweerders] redelijkerwijs moesten begrijpen dat [A] aan die betalingsverplichting niet zou kunnen voldoen. Aan beantwoording van die vraag komt het hof immers niet toe.
wistendat de garagebedrijven in 2009 failliet zouden gaan. Deze stelling brengt niet met zich dat [verweerders] naar het oordeel van Nieuwburen bij het aangaan van de huurgarantie geen rekening hoefden te houden met de
mogelijkheiddat de garagebedrijven (op enig moment) in faillissement zouden geraken en er dus een betalingsverplichting onder de huurgarantie zou ontstaan.