Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
dies a quo) in beginsel het tijdstip van (ontstaan van de verplichting tot) inschrijving in de basisregistratie personen (BRP), waardoor die periode zowel korter als langer kan zijn dan twaalf maanden. In belanghebbendes geval is nageheven over een periode van bijna drie jaar.
vraag 2wat de term ‘aantonen’ in art. 13(2) Wet mrb betekent voor de vereiste kracht van het tegenbewijs dat de betrokkene vanaf een recenter datum dan de
dies a quofeitelijk in Nederland beschikte over een motorrijtuig. Uit uw rechtspraak volgt dat de term ‘aantonen’ niet duidt op een andere bewijskracht dan de gewone, i.e. ‘aannemelijk maken’, tenzij uit de wetsgeschiedenis zou blijken dat een zwaardere bewijslast is bedoeld. Daarvan blijkt in casu niet, zodat het mijns inziens om ‘aannemelijk maken’ gaat, ook al gebruikt de wetgever in andere bijzondere naheffingsregelingen in de Wet mrb de term ‘blijken’ (overtuigend aantonen). Dat verschil is verklaarbaar door de wetgevingssystematiek. Hoe dan ook lijkt het EU-rechtelijke proportionaliteitsbeginsel in de weg te staan aan een zwaardere tegenbewijseis dan ‘aannemelijk maken’.
vraag 3) of ook tegenbewijs mogelijk is dat het motorrijtuig gedurende andere delen van de naheffingsperiode tijdelijk niet aan de naheffeling ter beschikking stond. Die vraag lijkt mij hypothetisch, nu niets van dien aard is gesteld door de belanghebbende, maar ik ga er toch op in. Ik meen dat het antwoord op basis van de wet ontkennend luidt, nu art. 34(2) Wet mrb alleen het einde van de naheffingsperiode aanwijst en alleen voor het begin ervan verwijst naar art. 13(2) Wet mrb. Over de tijdspanne tussen die twee tijdstippen zegt de wet niets, maar tijdens de parlementaire behandeling heeft de regering uitdrukkelijk verklaard dat art. 34(3) Wet mrb, dat tegenbewijs toelaat ter zake van andere delen van de naheffingsperiode dan het begin,
nietgeldt bij naheffing ter zake van buitenlandse kentekens. Ook tekstueel lijkt art. 34(3) niet op buitenlands-kentekengevallen te zien. De Staatssecretaris stelt niettemin dat tegenbewijs ook bij buitenlandse kentekens mogelijk is voor perioden tussen de wettelijke
dies a quoen de dag van betrapping. Zulk beleid lijkt mij verstandig, en het ware vast te leggen in een voldoende gepubliceerd en dwingend rechtskader: minstens een gepubliceerde expliciete beleidsregel.
nationaliteit.
Hervis Sportvoor het ‘merendeels’-criterium en de zaak
CHEZ(over rassendiscriminatie) voor het vermoeden dat aan dat criterium is voldaan. De Rechtbank ziet geen rechtvaardiging voor het verschil in behandeling tussen buitenlands-kentekengevallen en de andere bijzondere naheffingsgevallen. Zij ziet met name geen relevant verschil in betrappings- en naheffingsmogelijkheden met (i) geen-kentekengevallen en (ii) onterecht gebruik van een handelaarskenteken. Ik merk op dat in het laatste geval, anders dan in het buitenlands-kentekengeval, in het geheel geen mogelijkheid van tegenbewijs bestaat. Volgens de Rechtbank kan rechtsherstel worden geboden door art. 34(2)(2e volzin) Wet mrb buiten toepassing te laten. Dat zou neerkomen op negeren van de wetswijziging van 1 januari 2014.
L.N.(C-46/12) en
Commissie/Nederland(C-233/14) volgt dat haar geval geen zuiver intern geval is, zodat minstens het verkeersbelemmeringen-verbod ex art. 21 VwEU Pro en het nationaliteitsdiscriminatieverbod ex art. 18 VwEU Pro van toepassing zijn.
de factoongelijkheid voortvloeiend uit de aard van een op zichzelf neutraal ogend onderscheidingscriterium, bijvoorbeeld ‘inwoner’ bij nationaliteitsdiscriminatie of ‘kostwinner’ bij seksediscriminatie. Uit het arrest
Hervis Sportlijkt te volgen dat indirecte discriminatie zich eveneens kan voordoen als een ook qua aard neutraal onderscheidingscriterium (in dat geval: geconsolideerde concernomzet) ‘in het merendeel van de gevallen’ buitenlanders benadeelt. De vraag of aan dat ‘merendeel’-criterium werd voldaan, verwees het HvJ naar de nationale rechter, nu dat een feitelijke vraag betreft. De bewijslastverdeling en –waardering en de (aan tegenbewijs) te stellen eisen van bewijskracht vallen mijns inziens onder de procedurele autonomie van de lidstaten, mits de desbetreffende nationale bewijsregels voldoen aan de EU-rechtelijke gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginselen. Het HvJ-arrest
CHEZwaarnaar de Rechtbank verwijst voor de bewijslastverdeling betrof de toepassing van de Rassen-discriminatierichtlijn 2000/43/EG, die zelf specifieke bewijslast(verdeling)regels geeft. Anders dan de Rechtbank, acht ik dat arrest daarom in casu niet van belang. Mijns inziens is de gewone redelijke verdeling van de bewijslast van toepassing, met als basisregel: wie stelt, bewijst als het gestelde betwist wordt en niet algemeen bekend is, noch volgt uit algemene ervaringsregels.
Passenheim-van Schootvolgt dat het verschil in betrappingsmogelijkheden het verschil in naheffingstijdvak rechtvaardigt. De betrokken ingezetene kan zonder buitensporige moeilijkheden – want met de gewone bewijslast (aannemelijk maken) – tegenbewijs leveren dat hij later over de auto is gaan beschikken dan op de wettelijke
dies a quo, en hij heeft daarmee een lichtere tegenbewijslast dan in de andere bijzondere naheffingsgevallen. Ik acht het verschil in naheffingsperiode (met tegenbewijs) daarom evenredig. Ik herhaal dat ik er daarbij van uit dat juist is hetgeen de Staatssecretaris stelt in zijn schriftelijke opmerkingen: dat naheffing ook in buitenlands-kentekengevallen niet verder terug gaat dan de vijf jaar genoemd in art. 20 AWR Pro.
vraag 5, ten slotte, meen ik dat als de belanghebbende niet in het tegenbewijs slaagt, tot de omstandigheden die de rechter in aanmerking moet nemen bij zijn beoordeling van de verzuimboete, stellig behoort de omstandigheid dat nageheven is met de natte vinger van art. 34 Wet Pro mrb. Art. 5:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), lijkt mij daartoe reeds te nopen. Dat betekent overigens niet dat die omstandigheid automatisch noopt tot boetematiging.
2.Feitenvaststelling en geschilomschrijving
overtuigendleveren, want anders zou het antwoord op de prejudiciële vragen niet nodig zijn om het geding te beslechten.
3.De regels
Het Unierecht
dies a quo) sinds 1 januari 2014 als volgt:
4.De prejudiciële vragen
BNB2014/18 volgt dat de naheffingsperiode niet is gebaseerd op de fictie dat in die periode ook daadwerkelijk van de weg gebruik is gemaakt (r.o. 5.1-5.2). De Rechtbank constateert dat de naheffingsaanslag bij ingezetenen met een buitenlands kenteken over een langere periode kan worden berekend dan de twaalf maanden die gelden in andere ‘non-compliantsituaties’, terwijl tot 1 januari 2014 die perioden gelijk waren (r.o. 5.7-5.9). Die sinds 2014 langere naheffingsperiode voor buitenlands-kentekengevallen leidt bovendien tot een hogere grondslag van een eventuele verzuimboete.
Hervis Sport [5] en
CHEZ [6] en haar oordeel dat ‘buitenlands kenteken’ een verdacht onderscheidingscriterium is (r.o. 5.21), leidt zij af dat onder die omstandigheden aangenomen moet worden dat de regeling indirect discrimineert naar nationaliteit.
non-compliantsituaties – ziet de Rechtbank geen rechtvaardiging. Het woonplaatsvermoeden in art. 7(3) Wet mrb vergemakkelijkt het toezicht op naleving van de mrb-plicht haars inziens al voldoende en had niet gepaard hoeven gaan met wijziging van de berekening van het naheffingsbedrag (r.o. 5.33). Ook overigens ziet de Rechtbank geen rechtvaardiging; met name ziet zij niet in dat bij buitenlands-kentekensituaties de controlemogelijkheden wezenlijk beperkter zijn dan in de andere bijzondere naheffingsgevallen (r.o. 5.36).
BNB2014/18, dat ook de nageheven belasting berekend over die verstreken periode tot de boetegrondslag kan behoren, omdat niet het naheffingstijdvak is gewijzigd, maar slechts de berekening ervan (r.o. 5.47).
Mrb-heffing van ingezetenen die feitelijk in Nederland beschikken over een motorrijtuig met buitenlands kenteken
BNB2001/347 [9] dat het beschikbaar hebben niet enigszins duurzaam hoeft te zijn. Uit HR
BNB1998/134 [10] volgt dat de feitelijk-ter-beschikking-hebber niet de bestuurder hoeft te zijn, met name niet als de bestuurder het motorrijtuig uitsluitend bestuurt voor een derde of een lichaam aan wie het motorrijtuig ter beschikking staat, bijvoorbeeld de eigenaar, al dan niet bijrijder.
inwonersdie in Nederland feitelijk over een motorrijtuig met buitenlands kenteken beschikken, zijn de mogelijkheden tot vrijstelling van mrb beperkt. Op verzoek en onder voorwaarden geldt een vrijstelling voor auto’s van de zaak van werknemers van een buitenlands bedrijf c.q. ondernemers met een buitenlands bedrijf (art. 73(1)(b) en (c) Wet mrb jo. artt. 25-26 en 27 UB mrb). Ook is vrijstelling voor inwoners mogelijk voor kortdurend gebruik in Nederland (maximaal twee weken op twaalf maanden) van buitenlandse motorrijtuigen, mits na elektronische melding vooraf (art. 73(1)(d) Wet mrb jo. art. 26a UB mrb). [17]
dies a quo).
Cura Anlagenvan het HvJ: [20]
Van Putten, Mook en Frank [21] volgt dat
registratiebelastingen zoals de Nederlandse belasting op personenauto’s en motorrijwielen (bpm) – en dus denkelijk ook houderschaps- en gebruik-van-de-weg-belastingen zoals de Nederlandse mrb – in beginsel gerechtvaardigd zijn als het desbetreffende motorrijtuig hoofdzakelijk is bestemd voor duurzaam gebruik in de heffende lidstaat of daar feitelijk duurzaam wordt gebruikt:
BNB2012/123 [23] verwierp u een beroep op de EU-vestigingsvrijheid ter afwending van mrb-naheffing ten laste van een in Nederland wonende Nederlander die in Nederland reed met een door diens Duitse GmbH gehuurde auto met Duits kenteken:
Naheffing van mrb, met name van ingezetenen met een buitenlands gekentekend motorrijtuig
door een ingezeteneen de belasting geheel of deels niet is betaald (art. 34(1)(2e volzin) jo. art. 34(2)(2e volzin); zie voor de berekening van de naheffing nader 6.10 e.v. (kort gezegd: naheffing over de periode vanaf de dag van (ontstaan van de verplichting tot) inschrijving van de autogebruiker in de BRP tot de dag van constatering van het feitelijke gebruik, tenzij een recentere dies a quo wordt ‘aangetoond’);
BNB2001/420: [24]
BNB2014/18 [25] voegde u toe dat deze bijzondere naheffingsregelingen niet zijn gegrond op de fictie dat daadwerkelijk van de weg gebruik is gemaakt in de periode waarover de naheffingsaanslag wordt berekend. U liet in het midden waarop de naheffingsperiode dan wél is gebaseerd:
houderschap(dus niet het gebruik) zich gedurende de gehele naheffingsperiode heeft voorgedaan. De Staatssecretaris wijst er in zijn schriftelijke opmerkingen mijns inziens terecht op dat de Rechtbank in zoverre ten onrechte spreekt van een ‘naheffingssanctie’.
BNB2011/52, [29] is een bijzondere naheffingsregeling onder de huidige Wet mrb niet meer nodig in het standaardgeval van een kentekenhouder die de driemaandelijkse mrb-rekening niet (tijdig) voldoet omdat eenvoudig is vast te stellen over welk tijdvak de mrb ten onrechte niet is voldaan. Die vaststelling is echter nog steeds moeizaam in de meeste niet-standaardgevallen, waarvoor dan ook de boven weergegeven bijzondere naheffingsregelingen zijn blijven gelden.
BNB2012/123 [34] overwoog u:
door een ingezetenewordt nageheven vanaf de dag van (ontstaan van de verplichting tot) inschrijving van de beschikker in de BRP en tot en met de dag vóór constatering van het feitelijke gebruik. Kan de naheffeling ‘aantonen’ dat het motorrijtuig haar feitelijk pas later dan de
dies a quoter beschikking is komen te staan in Nederland, dan begint de naheffingsperiode op die latere dag. Uiteraard wordt niet nageheven als de ingezetene een vrijstelling bewijst, bijvoorbeeld omdat hij weliswaar Nederlands ingezetene is, maar er geen hoofdverblijf heeft (art. 73(1)(a) Wet mrb).
ex art. 34(3) Wet mrbniet geldt bij buitenlands gekentekende motorrijtuigen (zie 6.17). Dat betekent dat niet toegelaten is bewijs dat het motorrijtuig niet feitelijk ter beschikking stond gedurende een ander deel van de naheffingsperiode ex art. 34(2)(2e volzin) dan het begin. In zijn schriftelijke opmerkingen in deze prejudiciële zaak gaat de Staatssecretaris echter wel degelijk uit van tegenbewijs ter zake van andere aspecten van de naheffingsperiode dan de aanvang. [35] U zie daarover nader 7.10 e.v.
BNB2011/54 [51] houdt wel in dat de bevoegdheid tot naheffen moet worden
uitgeoefendbinnen de vijfjaarstermijn ex art. 20(3) AWR, te rekenen vanaf de constatering van het tot naheffing leidende feit – in casu gebruik van de weg door een ingezetene met een buitenlands gekentekende auto terwijl de mrb ten onrechte niet (volledig) is betaald. Dat de bevoegdheid binnen vijf jaar moet worden uitgeoefend, impliceert geenszins dat de in de bijzondere naheffingsregeling opgenomen berekeningsperiode niet teruggaat naar de in die regeling expliciet genoemde datum van (ontstaan van de verplichting tot) inschrijving in de BRP. De schriftelijke opmerkingen van de Staatssecretaris, en het gegeven dat de Inspecteur in casu de naheffingsaanslag heeft berekend uitgaande van 1 januari 2012 en niet van de datum van inschrijving in de BRP (9 september 2010), suggereren dat de fiscus in de praktijk niet verder teruggaat dan vijf jaar vanaf de datum van betrapping. Gaat hij verder terug, dan kan dat EU-rechtelijk problematisch, want disproportioneel zijn, zoals ik hieronder (8.33) zal uitwerken.
V-N2013/46.3 meende dat vooral personen met een buitenlandse nationaliteit zouden worden getroffen door de toevoeging van de boven (3.7) geciteerde tweede volzin in art. 34(2) Wet mrb. Zij twijfelde aan de verenigbaarheid met het discriminatieverbod van het EVRM:
7.De (tegen)bewijslast in art. 13(2) Wet mrb (prejudiciële vragen 2 en 3)
BNB2018/91 [52] heeft u ‘aantonen’ in art. 12a Wet bpm uitgelegd als ‘aannemelijk maken’:
dies a quodan de wettelijk vermoede hoeft slechts aannemelijk te worden gemaakt.
BNB1982/309 [54] en HR
BNB2016/192 [55] blijkt echter dat voor toepassing van art. 25(3) en 27e(1) AWR is vereist dat de belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte, hetgeen in casu niet aannemelijk is. Ik citeer uit HR
BNB2016/192:
overtuigendaantonen inhoudt. Zie bijvoorbeeld art. 34(3) Wet mrb (‘tenzij blijkt’) en het in 6.3 opgenomen citaat uit HR
BNB2001/420, waarin u de term ‘overtuigend aantonen’ gebruikt voor in beginsel alle bijzondere mrb-naheffingsgevallen. Volgens de Rechtbank ligt het wetssystematisch ook niet voor de hand om in één bijzonder naheffingsgeval (de ingezetene met buitenlands gekentekende auto) van een andere vereiste (tegen)bewijskracht uit te gaan dan in andere bijzondere mrb-naheffingsgevallen.
naheffing, maar over de gewone heffing, waarbij mij geen aanleiding lijkt te bestaan voor een verzwaarde tegenbewijslast. Dat zou bijvoorbeeld bij buitenslands geleende of gehuurde auto’s tot de conclusie kunnen leiden dat de gewone mrb-heffing het dienstenverkeer, het kapitaalverkeer of het reis- en verblijfsrecht onevenredig beperkt (vgl. 5.8 en 5.9 hierboven). En als art. 13(2) bij de gewone heffing slechts het aannemelijk maken van de
dies a quoeist, lijkt het wetssystematisch nóg vreemder om bij naheffing ‘doen blijken’ te eisen. Dat het de bewijslast anders is in de andere bijzonder naheffingsgevallen (‘tenzij
blijkt’) en in één geval (handelaarskenteken) zelfs in het geheel geen tegenbewijs is toegelaten, acht ik ook overigens niet bijzonder opmerkelijk, gegeven het verschil in naheffingsberekeningsperiode.
dies a quodan datum inschrijving BRP voldoende is dat de belanghebbende aannemelijk maakt vanaf welke recentere datum het motorrijtuig met buitenlands kenteken hem feitelijk in Nederland ter beschikking heeft gestaan.
nietover twaalf manden berekend.
dies a quoen de dag van betrapping e(e)n(ige) tijdspanne(n)
nietaan de betrapte ter beschikking heeft gestaan. Bij geleende en gehuurde auto’s kan dit tot naheffing leiden waarvan de redelijkheid betwijfeld kan worden. Als de belanghebbende de litigieuze auto drie weken feitelijk in Nederland heeft gebruikt bij zijn verhuizing in 2010 en daarna pas weer in 2016, terwijl de auto in de tussentijd bij de eigenaar in het buitenland in gebruik was, staat de naheffing in geen verhouding tot het werkelijke ter beschikking staan in Nederland en wordt in wezen belasting nageheven over feitelijk gebruik in Polen, waar denkelijk ook een lokale mrb is geheven. Ik betwijfel of dit resultaat bij grensoverschrijdende verhuur en uitlening verenigbaar is met de EU-vrijheden van dienstenverkeer, kapitaalverkeer en verblijf en reizen. Daarnaar vraagt de Rechtbank echter niet, dus daarop ga ik niet verder in. Gezien de tekst van art. 34(2)(2e volzin) Wet mrb en de geciteerde stellige uitlating van de medewetgever tijdens de parlementaire behandeling lijkt mij (tegen)bewijs ter zake van andere delen van de naheffingsperiode dan de
dies a quonaar intern recht niet toegelaten.
volgendedriemaandsperiode op de inspecteur:
zolang het motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking staat[cursivering Hof]. De bewijslast van dit laatste rust volgens de wettekst op de Inspecteur en niet op belanghebbende.”
beginpunt van de naheffingsperiode af te wijken van de eerste volzin.
8.Indirecte discriminatie naar nationaliteit in strijd met EU-recht? (vraag 1)
Het korte antwoord
ongunstiger doordat het de verzwaarde tegenbewijslast oproept (‘tenzij blijkt’), en het is zeker ongunstiger voor ingezetenen met een buitenlands gekentekende auto die bij betrapping korter dan 12 maanden ingezeten waren. Ik zie daarom niet bij voorbaat in dat art. 34(2)(2e volzin) Wet mrb op grond van EU-recht steeds buiten toepassing zou moeten blijven.
speciesvan dit algemene beginsel. Het strekt niet enkel tot bevordering van gelijke markttoegang en gelijkheid op de interne markt, maar heeft ook een meer politieke functie van symbool van gemeenschap. De A-G Jacobs bij het HvJ verwoordde dat in zijn conclusie in de zaak
Phil Collins: [61]
Pusa [65] en
Turpeinen [66] volgt dat art. 21 VwEU Pro ook op zichzelf gelijke behandeling eist van burgers die in een andere EU-lidstaat (willen) verblijven. Discriminatie maakt reizen naar en verblijven in andere lidstaten onaantrekkelijker.
L.N.: [69]
i.e.onderscheid op grond van op zichzelf neutrale criteria die in feite tot onderscheid naar (in casu) nationaliteit leiden. [71] Voor discriminatie is vergelijkbaarheid van de te vergelijken gevallen vereist. Zoals het Hof in het algemeen overwoog over het beginsel van gelijke behandeling in het algemeen: [72]
O’Flynn [73] gaf het Hof een overzicht van zijn eigen jurisprudentie in de context van het vrije verkeer van werknemers:
CHEZ: [75]
O’Flynn(r.o. 20) betrok het Hof de ‘aard’ van de nationale bepaling in de beoordeling van de vraag of zich indirecte nationaliteitsdiscriminatie voordoet. Als de bepaling door haar aard burgers van andere lidstaten c.q. migrerende werknemers meer dan eigen nationalen ‘dreigt te benadelen’, houdt zij een verboden indirecte discriminatie naar nationaliteit in, aldus de arresten
Blanco Pérezen
Chao Gómez: [76]
Zentralbetriebsrat der gemeinnützigen Salzburger Landeskliniken, C‑514/12, EU:C:2013:799, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
NJB2018/1970 (p. 2850) [79] betrof het project “Moelander” van de verkeerspolitie dat ‘extra aandacht vroeg’ voor de controle van motorrijtuigen uit Midden- en Oost-Europa. Uw strafkamer overwoog:
Hervis Sport [80] indirecte discriminatie naar vestigingsplaats werd aangenomen in een geval waarin een fiscaal onderscheidingscriterium (behoren tot een concern) vooral grensoverschrijdende concerns kon benadelen, al vloeide die benadeling niet voort uit de aard van dat criterium. Uit het arrest volgt dat een onderscheidingscriterium ook indirect kan discrimineren als het ‘voor het merendeel’ buitenlanders nadelig treft (
curs. PJW):
voor het merendeelin de zin van de betrokken nationale wetgeving „verbonden” zijn met vennootschappen met zetel in een andere lidstaat, bestaat het gevaar dat de toepassing van de sterk progressieve tariefstructuur van de bijzondere belasting op een grondslag bestaande in een geconsolideerde omzet in het nadeel werkt van met name belastingplichtigen die „verbonden” zijn met vennootschappen met zetel in een andere lidstaat.
ANGED-zaken [81] over het mogelijke indirect discriminerende dan wel staatssteunkarakter van Spaanse regionale belastingen ten laste van grote detailhandelszaken die voor het merendeel (50 à 60%) uit buitenlandse concerns bestonden. Ik citeer haar conclusie in de zaak over de Catalaanse belasting. [82] De andere conclusies zijn vrijwel gelijkluidend. Ik laat voetnoten weg:
Hervis Sport; PJW] worden vergeleken. De IGEC [de regionale belasting; PJW] is niet sterk progressief en de resultaten van groepsondernemingen worden ook niet bij elkaar opgeteld. In plaats daarvan berust de heffing op de omvang van de plaatselijke verkoopoppervlakte.
Hervis Sport.
ANGED-zaken (zie hieronder 8.20) niet aan dit punt toe.
Humblot [83] betrof een Franse motorrijtuigenbelasting die de belasting voor vermogens boven 16 pk zeer aanzienlijk hoger stelde dan voor vermogens tot en met 16 pk. Er bestonden geen motorrijtuigen van Franse makelij met een vermogen boven 16 pk; wel Duitse. De vraag was of dit een door (thans) art. 110 VwEU Pro verboden discriminerende productbelasting was. Het HvJ beantwoordde die vraag bevestigend:
Humblotproductdiscriminatie betrof en
Hervis Sportdiscriminatie van (rechts-)personen, vertonen de zaken duidelijke parallellen. Ook de Hongaarse detailhandelomzetbelasting had een opvallende zeer progressieve tariefstructuur, die in combinatie met de groepsconsolidatie en de structuur van de markt er net als in de zaak
Humblot de factotoe leek te leiden dat op de Hongaarse detailhandelmarkt buitenlandse bedrijven aanzienlijk zwaarder werden belast.
ANGED-zaken geven echter een genuanceerder beeld; ik citeer opnieuw uit het arrest over de Catalaanse belasting op grote winkeloppervlakten: [84]
Hervis Sport-criterium (‘voor het merendeel’) is niet duidelijk waarom de kennelijk niet betwiste buitenlander-percentages ad 61,5 (winkeloppervlak) en 52 (belastingopbrengst), niet leidden tot de conclusie van indirecte discriminatie van buitenlanders. De redactie van
Vakstudie-Nieuwsoppert dat er geen reden was om te veronderstellen dat de regionale belastingen waren
bedoeldom vooral buitenlandse bedrijven te treffen. [85] Dat sluit echter indirecte discriminatie niet uit.
Hervis Sportvalt in elk geval de feitelijke vraag of ‘voor het merendeel’ buitenlanders nadeliger worden getroffen, onder de competentie van de nationale feitenrechter.
CHEZ [87] af dat zodra feiten en omstandigheden rassendiscriminatie kunnen doen vermoeden, het Unierecht van de verwerende partij bewijs verlangt dat het rassendiscriminatieverbod
nietis geschonden (r.o. 5.18). Dat kan zijn, maar dat komt mijns inziens door de dwingende bewijslastverdeling in art. 8(1) Richtlijn 2000/43/EG, dat een zekere omkering van de bewijslast inhoudt bij gestelde rassendiscriminatie:
Schnorbus(…)) or on its conviction (e.g.
O’Flynn, concerning discrimination on grounds of nationality).”
CHEZ(zie 8.22 hierboven) en vermoedt op basis daarvan en van de parlementaire geschiedenis van art. 34(2)(2e volzin) Wet mrb (zie 6.13 e.v.) en de halfjaarrapporten van de Belastingdienst [89] dat art. 34(2)(2e volzin) Wet mrb voor het merendeel ingezetenen met een buitenlandse nationaliteit treft. De Rechtbank acht het onderscheidings-criterium ‘in het buitenland geregistreerd’ ook naar zijn aard verdacht vanuit het oogpunt van nationaliteitsdiscriminatie.
anderenaheffingsregeling vallen, bijvoorbeeld die van art. 34(1)(1e volzin) Wet mrb voor géén-kentekengevallen, waarvoor de naheffingsperiode beperkt is tot twaalf maanden. De Rechtbank acht immers gevallen zoals dat van de belanghebbende het meest vergelijkbaar met géén-kentekengevallen (zie r.o. 5.26-5.30). Zij beperkt haar vergelijking dus tot alleen gevallen die onder een bijzondere naheffingsregeling vallen, met uitsluiting van het gewone geval van een ingezetene met binnenlands kenteken. De Rechtbank overweegt op dat punt:
Thin Cap, [90] waarin hij handelen in afwijking van
arm’s length-verhoudingen voldoende achtte om een vermoeden van misbruik te rechtvaardigen, mits de daarop gebaseerde belastingcorrectie niet verder gaat dan nodig om
arm’s length-verhoudingen en daarmee gelijkheid met het binnenlandgeval te herstellen én de betrokken belastingplichtige de mogelijkheid heeft om zonder overdreven administratieve moeilijkheden tegenbewijs te leveren. Ik meen dat aan die criteria voldaan wordt door de Nederlandse bijzondere naheffingsregeling voor ingezeten buitenlands-kentekengevallen die ten onrechte geen mrb betaald hebben.
Hervis Sport) niet-Nederlanders raakt, lijkt mij dus niet relevant, althans niet te duiden op indirecte discriminatie, indien onder de buitenlands-kentekengevallen relatief nu eenmaal meer ten-onrechte-niet-betalers zitten die bovendien (veel) moeilijker en veelal pas (veel) later pakbaar zijn dan binnenlands-kentekengevallen of geen-kentekengevallen die niet betalen. Gezien de boven geciteerde wetsgeschiedenis, is de wetgever van dat feitelijke verschil uitgegaan. Zoals bleek, meen ik met de Staatssecretaris dat dat uitgangspunt niet onredelijk of onaannemelijk is. Mede gegeven het
Sopora-arrest [91] van het HvJ lijken er dan EU-rechtelijk geen vragen te rijzen, tenzij zich een duidelijke overcompensatie ten nadele van niet-Nederlanders zou voordoen (een duidelijk nadeliger behandeling die niet verklaard kan worden door aannemelijke verschillen in fraude-incidentie en pakkans). Van een dergelijke
overkilllijkt mij geen sprake, met name niet als juist is de stelling van de Staatssecretaris (zie 6.24 hierboven) dat de fiscus ook in buitenlands-kentekengevallen niet verder terug naheft dan over de vijf jaren genoemd in art. 20(3) AWR. Ik wijs ook op de zaak
Helmig, [92] waarin het HvJ in de context van seksediscriminatie overwoog (
curs. PJW):
aanzienlijk meervrouwen dan mannen treft.”
overkillnoopt overigens tot feitelijk onderzoek dat in cassatie niet kan worden uitgevoerd. Uitgaande van de zaak
Hervis Sportmoet ‘het gevaar’ bestaan dat de naheffingsregeling voor niet-betaald-hebbende buitenlands-kentekengevallen onevenredig in het nadeel werkt van wanbetalende niet-Nederlanders en staat het aan de nationale rechter om dat te onderzoeken, dat wil zeggen aan de Rechtbank, die feitenrechter is. Ik merk daarbij nogmaals op dat, anders dan de Rechtbank lijkt te menen, de bewijslastverdeling van de EU-rassendiscriminatierichtlijn niet relevant is (zie 8.21), maar alleen de gewone nationaalrechtelijke bewijslastverdeling, die immers noch ongelijkwaardig, noch uiterst bezwaarlijk uitwerkt in buitenlands-kentekengevallen ten opzichte van binnenlands- of geen-kentekengevallen.
overkill. Uit niets volgt dat in andere bijzondere naheffingsgevallen de berekening van de naheffingsaanslag systematisch lager uitvalt dan de werkelijk niet of te weinig betaalde mrb. Integendeel eerder (zie ook 6.8). Dat was alleen bij de taxivrijstelling het geval en ook daar heeft de wetgever de naheffingstermijn zeer aanzienlijk verlengd.
nietongunstige verschil in behandeling reeds kan verklaren. Ik wijs er voor zoveel nodig op dat volgens de rechtspraak van het HvJ EU verschil in behandeling gerechtvaardigd kan zijn
Passenheim-van Schoot [95] gerechtvaardigd zou kunnen worden op grond van verschil in controlemogelijkheden, maar verwerpt die rechtvaardiging omdat haar niet op voorhand duidelijk is dat de controle-mogelijkheden in buitenlands-kentekengevallen geringer zijn. Zoals boven bleek, meen ik met de Staatssecretaris dat dat uitgangspunt onjuist is omdat er juist wél aanleiding bestaat om de pakkans voor buitenlands-kentekengevallen (aanmerkelijk) kleiner te achten en de niet-nalevingsperiode langer te veronderstellen dan voor geen- of binnenlands-kentekengevallen. Het zonder buitensporige moeilijkheden volgens de gewone bewijslast weerlegbare vermoeden ex art. 13(2) Wet mrb dat het beschikken aanvangt tegelijk met (het ontstaan van de verplichting tot) inschrijving in het BRP verandert daar mijns inziens niets aan, maar draagt juist bij aan geschiktheid en evenredigheid van de maatregel.
9.Beboeting (vragen 4 en 5)
Overgangsrecht (vraag 4)
BNB2017/105, [96] over de gevolgen van de afschaffing per 1 januari 2012 van elke beperking aan de navorderingstermijn bij buitenlandse vermogensbestanddelen in de erfbelasting in verband met de
Edelweiss-constructie. U oordeelde dat de afschaffing niet de naheffingsbevoegdheid doet herleven als zij op 1 januari 2012 al was vervallen:
BNB2014/18 – niet wordt nageheven over een tijdvak, maar ter zake van een specifiek naheffingsfeit (dat in casu in 2016 valt) met een specifiek voorschrift voor het berekenen van de na te heffen belasting. De Rechtbank wijst daar terecht op. De belanghebbende had naheffing ex art. 34 Wet Pro mrb en berekening over perioden voor 30 december 2012 kunnen voorkomen door vanaf 1 januari 2014 niet met de auto van de Nederlandse weg gebruik te maken. Dat is anders dan in de
Edelweiss-gevallen.
BNB2008/165 [97] al geoordeeld dat omkering en verzwaring van de bewijslast ter zake van de grondslag voor boeteberekening (het na te heffen belastingbedrag) een relevante omstandigheid is:
BNB2011/206 [98] volgt dat de belastingrechter bij beboeting rekening moet houden met onzekerheid over de boetegrondslag:
BNB2012/119 [101] volgt dat de verplichting om rekening te houden met het gegeven dat de boetegrondslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast niet automatisch boetevermindering impliceert:
BNB2009/118 [102] laten zien dat zij bij het vaststellen van de strafmaat rekening heeft gehouden met de omkering van de bewijslast (of andere abstraheringen van werkelijke grondslagbepaling):
BNB2008/165.