Conclusie
Manier waarop cliënt is verhoord en zijn bekentenis is los gekregen.
Omstandigheden in politiecel en in gevangenis Klisa
Gevangenen kunnen niet klagen
Verhaal van cliënt
productie 1(foto verhoorkamer).
"ik sla je met deze pijp totdat deze recht is, als je de verklaring niet ondertekent."
"Als laatste woord heeft cliënt aangegeven dat hij zich niet schuldig voelt, dat hij in het onderhavig geval een dienst aan een vriend heeft bewezen door hem ergens weg te brengen zodat hij zijn geld kon ophalen, en dat hij geen weet had dat er iets dergelijks zou gebeuren."
"dat hij op 30-12-2012 naar Turija moest om een schuld van een zekere [betrokkene 2] terug te vragen, aan wie hij eerder geld had geleend, dat hij [de opgeëiste persoon] had gevraagd om hem er naartoe te brengen, waarmee de laatstgenoemde had ingestemd."
productie 2foto's bijgevoegd.
productie 3) (…);
productie 4) (…);
productie 5);
productie 6).
Rapport CPT d.d. 24 juni 2016
Helsinki rapport (productie 5)
Nieuwsbericht RTL (productie 6)
Schending artikel 3 EVRM Pro
Conclusie
VERZOEK
ONTOELAATBAARverklaard dient te worden. Indien het verzoek ontoelaatbaar wordt verklaard, verzoek ik u tevens cliënt in vrijheid te stellen.
eerste middelbehelst, zo begrijp ik uit de toelichting, de klacht dat de rechtbank heeft nagelaten uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen op het beroep dat namens de opgeëiste persoon is gedaan op een reeds voltooide schending van art. 3 EVRM Pro ten gevolge van de foltering die hij tijdens zijn verhoor door de politie heeft ondergaan.
tweede middelklaagt dat het oordeel van de rechtbank dat de opgeëiste persoon geen onderbouwd verweer heeft gevoerd inzake een voltooide schending van artikel 6 EVRM Pro, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
El-Masri. De bewijslast verschoof daarom naar de overheid van Macedonië: zij was in de gelegenheid de stellingen van El-Masri te weerleggen, maar deed dat in de visie van het EHRM niet. Onder die omstandigheden hechtte het EHRM geloof aan de stellingen van El-Masri en achtte het deze ‘bewezen’. [10]
derde middelbevat, bezien in het licht van de toelichting daarop, allereerst de klacht dat de rechtbank heeft nagelaten uitdrukkelijk en gemotiveerd te reageren op het beroep van de opgeëiste persoon op een dreigende schending van art. 3 EVRM Pro. Daarnaast klaagt het middel dat de beslissing van de rechtbank om geen vragen aan de Servische autoriteiten te stellen omtrent de detentieomstandigheden onbegrijpelijk is.
vierde middelklaagt dat de rechtbank heeft verzuimd uitdrukkelijk en gemotiveerd te reageren op het beroep op een reeds voltooide schending van art. 13 EVRM Pro, namelijk dat gevangenen in Servië niet kunnen klagen over de detentieomstandigheden en, zo vat ik het middel op, de opgeëiste persoon over zijn behandeling in de Servische penitentiaire inrichting(en) ook niet heeft kunnen klagen.