ECLI:NL:HR:2000:AA7138
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.M.M. Orie
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid uitlevering ondanks bezwaren op grond van artikel 3 EVRM
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank Amsterdam die de uitlevering van een transseksuele persoon aan Duitsland toelaatbaar heeft verklaard. De opgeëiste persoon was veroordeeld wegens ernstige zedenmisdrijven en onderging een TBS-achtige maatregel in Duitsland. Zij voerde aan dat uitlevering ontoelaatbaar was vanwege een dreigende flagrante schending van artikel 3 EVRM Pro, omdat zij als transseksueel onmenselijk en vernederend behandeld zou worden in een psychiatrische inrichting voor mannen.
De rechtbank oordeelde dat de complexe medische, psychiatrische en juridische situatie ruimte liet voor verschillende opvattingen over de juiste behandeling en dat het oordeel over de toelaatbaarheid van uitlevering aan de Minister van Justitie toekomt. Ook werd benadrukt dat Duitsland aangesloten is bij het EVRM en het individueel klachtrecht kent, dat de opgeëiste persoon niet had benut.
De Hoge Raad bevestigde deze overwegingen en verwierp het cassatieberoep. Het middel dat de uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van artikel 3 EVRM Pro werd onvoldoende gemotiveerd geacht. De Hoge Raad benadrukte dat de uitleveringsrechter niet bevoegd is om garanties te bedingen en dat alleen bij vaststelling van foltering het oordeel aan de rechter toekomt. De uitlevering werd daarmee toelaatbaar verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en verklaart de uitlevering toelaatbaar ondanks de aangevoerde bezwaren op grond van artikel 3 EVRM.