Conclusie
eerste middelklaagt dat de beslissing van het hof om de zaak buiten aanwezigheid van verdachte te behandelen en de hiermee verbonden impliciete beslissing dat verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht onjuist zijn, omdat achteraf is gebleken dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd, zodat onder meer art. 6 EVRM Pro is geschonden.
- i) De inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft op 3 en 7 april 2015 plaatsgevonden. De verdachte was op beide terechtzittingen aanwezig. Vervolgens heeft de politierechter op 7 april 2015 mondeling vonnis gewezen.
- ii) De verdachte heeft op 21 april 2015 ter griffie van de rechtbank Gelderland hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
- iii) De dagvaarding van de verdachte om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 22 december 2015 te 11.40 uur is op 25 november 2015 vergeefs aangeboden op het GBA-adres van verdachte en is vervolgens – na niet te zijn afgehaald op de plaats genoemd in het bericht van aankomst – op 8 december 2015 uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Gelderland. Daarbij is voldaan aan de vijfdagentermijn zoals bedoeld in art. 588 lid Pro 3c Sv, te weten dat de verdachte op de dag van aanbieding en tenminste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het desbetreffende adres. Bovendien is op 8 december 2015 een afschrift van de dagvaarding verzonden naar het GBA-adres van de verdachte.
- iv) De verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep van 22 december 2015. Zijn raadsvrouw mr. J.A. van der Lem is op die zitting wel verschenen en heeft daar verklaard uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. De raadsvrouw heeft het woord tot verdediging gevoerd. Na de sluiting van het onderzoek heeft het hof onmiddellijk uitspraak gedaan.
de enkele omstandigheiddat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn strafzaak zich in detentie bevond zonder dat dit de rechter bekend was”. Hieruit blijkt immers dat de verdachte niet vrijwillig wilde afzien van zijn aanwezigheidsrecht. [5]
tweede middelklaagt allereerst dat de oplegging van de gevangenisstraf en de beslissing van het hof met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijke opgelegde straf verbazing wekken. Verder klaagt het dat de strafoplegging onbegrijpelijk is en/of onvoldoende is gemotiveerd. Ten slotte klaagt het middel dat het hof heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de raadsvrouw is afgeweken.