Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
7 oktober 2014.
Hoge Raad
In deze zaak is het cassatieberoep ingesteld door de verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden werd toegewezen. De verdediging voerde aan dat de tenuitvoerlegging moest worden afgewezen of met een jaar verlengd vanwege persoonlijke omstandigheden en contact met de reclassering.
Het hof motiveerde de toewijzing door te stellen dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt en daardoor de algemene voorwaarde niet had nageleefd. Deze motivering voldeed aan de vereisten van artikel 14j, eerste lid, Sr.
De Hoge Raad overwoog dat het hof niet gehouden was tot een nadere motivering en dat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 7 oktober 2014.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang van de verdachte.